Biograaf gezocht

Op 27 april is het een jaar geleden dat Willem Frederik Hermans overleed. Als het aan de schrijver zelf ligt, mag pas over vijftig jaar iemand aan zijn biografie beginnen. Veel te laat, menen de hartstochtelijke WFH-verzamelaars in het Tilburg-Magazine van maart dit jaar dat geheel is gewijd aan ‘De nacht van het boek’ waar Hermans de hoofdgast was, staat een interview van Hans van den Berk met de schrijver.

Wanneer hij oppert dat er ongetwijfeld al mensen werken aan zijn biografie, antwoordt Hermans: ‘Ik vrees van wel. Persoonlijk vind ik dat je pas een biografie moet schrijven na minstens vijftig jaar. Weliswaar komt er dan nog een hoop onzin in, maar dat gebeurt nu ook al! Er bestaan diverse blaadjes van enthousiaste fans, zoals de WFH Verzamelkrant. Redacteuren daarvan duiken met bewonderenswaardige ijver alle mensen op die ooit bij mij in de straat hebben gewoond; die menen zich dan van alles te herinneren. Soms is het waar, soms is het niet waar. Veertig procent van wat er in die blaadjes staat is gelogen. Van biografen heb ik trouwens evenmin een hoge dunk.’

Wat zijn nalatenschap betreft, gaat Hermans nog een stapje verder, wanneer hij aangesproken wordt over zijn onuitgegeven roman, Argeloze terreur, die naderhand de grondslag vormde voor De tranen der acacia’s, Ik heb altijd gelijk, De donkere kamer van Damocles en In de mist van het schimmenrijk. Wanneer Hans van den Berk zegt dat de literatuurwetenschap zich na zijn onvermijdelijke dood gretig op dat boek zou willen storten, breekt Hermans hem ruw af: 'Het is goed dat u me daaraan herinnert, ik zal dat pak papier toch tijdig in de kachel moeten stoppen!’

Dat was in maart 1995. Hermans overleed een maand later, op 27 april. Of hij in die tussentijd de kans heeft gezien het manuscript in het vuur te werpen, is zeer de vraag.

HERMANS HAD HEEL goed zelf zijn biografie kunnen schrijven. Hij heeft namelijk van kindsbeen af de gewoonte gehad om van alles en nog wat te bewaren, en niet alleen in zijn feilloos geheugen. Zo nu en dan hield hij een dagboek bij. Hij had een ware verzamelwoede. Hij verzamelde niet alleen kunst, zoals surrealistische schilderijen en art deco, maar ook stenen, voorwerpen uit de natuur, balpennen met opdruk, schrijfmachines, vloeistofduplicators en oude camera’s, maar hij hield vooral een enorm archief bij. Het archief bevat zelfs nog materiaal uit zijn jongste kindertijd, maar ook veel uit zijn jeugd. Van alle brieven heeft hij een afschrift. Van alle affaires heeft hij dossiers.

Toen Hermans in 1973 verhuisde van Groningen naar Parijs, is een deel van zijn bezittingen in de vuilnisbak beland, waaronder waarschijnlijk een schetsboek, thans in het bezit van WFH-verzamelaar Wim van der Beek. Een ander deel belandde bij antiquariaat Schumacher. Tenslotte gaf hij bij het Letterkundig Museum acht kisten in bewaring. Daar is steeds heel geheimzinnig over gedaan; niemand mocht erin kijken. Toch heb ik van een informant gehoord wat erin zat: treinkaartjes, rekeningetjes, notitieboekjes, knipsels, ongepubliceerde werken zoals een aantal hoofdstukken Mandarijnen op zwavelzuur, maar vooral pakken dossiers over affaires.

Inmiddels heeft Hermans zelf het zwijgen over de kisten opgegeven. In een interview zei hij ooit: 'Toen ik naar Parijs verhuisde, bood iemand mij aan om die acht kisten in dat museum onder te brengen. Allemaal stukken van processen die ik destijds heb gevoerd met uitgevers en andere schurken. En dikke pakken documenten over allerlei affaires. Die dingen mogen ze ooit wat mij betreft wel uitzoeken. Dus voor een onderzoeker die voor deze papieren belangstelling heeft, moeten ze behouden blijven. Die stukken zijn eigenlijk ook al geen persoonlijke documenten meer.’

Alhoewel Hermans zelf dus impliciet toestemming geeft voor een onderzoek, ziet het er niet naar uit dat een biograaf toegang zal krijgen tot de kisten. De directeur van het Letterkundig Museum, Anton Korteweg, heeft ons laten weten dat daar geen sprake van kan zijn. Dat verbaast ons niet. Ook de mappen met kranteknipsels over Hermans zijn niet voor publiek toegankelijk. Bij het Letterkundig Museum spaart men geld noch moeite om documenten te bemachtigen, maar vervolgens verdwijnen ze in een zwart gat. Ik krijg wel eens de indruk dat het Letterkundig Museum een anti-museum is, een grote doofpot van de Nederlandse literatuurgeschiedenis.

Het leven van de schrijver ging niet over rozen, maar dat van een biograaf evenmin. Op een of andere manier schijnt Hermans een persoonlijkheid uit te stralen die velen ervan heeft weerhouden om hun herinneringen toe te vertrouwen aan de WFH Verzamelkrant. Dat zijn onder anderen zijn ex-vrienden Adriaan van der Veen, Frans Janssen, J.J. Klant en Emiel van Moerkerken. De eerste drie leven nog, de surrealistische fotograaf Van Moerkerken overleed een maand voor Hermans. Hij heeft een schat aan informatie met zich meegenomen in zijn graf. Het enige waar de WFH Verzamelkrant nog de hand op wist te leggen, was een foto waarop Hermans - met pijp! - de blote-billenverzameling van Van Moerkerken bekijkt. Maar het wemelt van de mensen die geweigerd hebben onze vragen te beantwoorden, een stukje te schrijven of een foto af te staan. Enkele namen van deze cultuurdragers: G.B.J. Hilterman, Fons Rademakers, Loe de Jong, Adriaan van Dis, Rudy Kousbroek, Bert Schierbeek, Hugo Brandt Corstius, Cees Nooteboom, Theodor Holman, Vic van de Reijt en Eddy Posthuma de Boer. Is het niet hartverscheurend?

DE WERKWIJZE VAN een biograaf is niet vastomlijnd. Veel hangt af van het toeval of van een plotselinge ingeving. Soms moet je zelfs zoeken naar het toeval. En dan kan een onderzoek altijd nog stranden bij gebrek aan medewerking uit angst voor Hermans of zijn erven.

Een opmerkelijk toeval was de volgende geschiedenis. In 1992 werd in een advertentie een eerste druk van De tranen der acacia’s - met stofomslag! - aangeboden door een huisantiquaar in Rotterdam, Ad van Noppen. Ik ging erop af en kwam thuis met het verhaal over de ontdekking van Hermans in 1942.

In verschillende bronnen wordt Meulenhoff genoemd als de ontdekker van de schrijver. Ten onrechte. Weliswaar beloofde Meulenhoff Hermans dat hij na de oorlog zijn werk zou uitgeven, maar toen het eenmaal zo ver was, trok hij zich terug. Wel verwees hij Hermans naar Adriaan Morrien, die redacteur van Criterium was. Daaruit vloeide een vriendschap voort die tot 1952 zou voortduren.

In werkelijkheid werd Hermans al in 1942 ontdekt door een zekere Frits Heerikhuizen. Die was leraar Nederlands in Bussum en stelde een bloemlezing van de Nederlandse poezie samen. Daarin deed hij een oproep aan jonge auteurs om werk in te zenden voor een volgende uitgave. Ook Hermans zond gedichten in. Van een tweede uitgave is het nooit gekomen, maar Heerikhuizen kwam in de zomer van 1944 in contact met een groep Utrechtse studenten die het clandestiene blad Parade der Profeten uitgaf in een oplage van twaalf exemplaren. Een van de redacteuren was Ad van Noppen, die fanatiek op zoek was naar talent. Heerikhuizen heeft Van Noppen toen geadviseerd contact op te nemen met Hermans. Ongeveer tegelijkertijd kwam Van Noppen ook bij Charles B. Timmer thuis. Ook die wees hem op het werk van Hermans. Van Noppen had wel oren naar het werk van deze jonge dichter en nog in augustus van dat jaar verscheen Hermans’ poeziedebuut in Parade der Profeten.

EEN BELANGRIJKE gebeurtenis uit het leven van Hermans, die ook verwerkt is in zijn romans Herinneringen van een engelbewaarder en Ik heb altijd gelijk is de dubbele zelfmoord in de familie. Inmiddels was de Tweede Wereldoorlog uitgebroken. Dat begon voor de familie Hermans met een drama. Op de dag van de capitulatie pleeg de de zus van Wim Hermans, Corrie Hermans, samen met een neef en vriend van Wim, een zekere Pieter Blind, zelfmoord.

Bob Polak schreef in Hermans Magazine dat over deze zaak in geen enkel archief een snipper informatie te vinden was. Toch bevond zich in het Stadsarchief een fotoverzameling van deze Pieter Blind, waardoor ik zijn dochter Hannie Blind kon opsporen en interviewen. Ook de buren van Pieter Blind, die ook beschreven worden in Ik heb altijd gelijk, bleken nog steeds op hetzelfde adres te wonen. Tenslotte haalden wij informatie uit archieven van de politie en de universiteit. Zodoende verzamelden wij voldoende materiaal om het familiedrama te kunnen reconstrueren.

Hermans’ neef, de politieman Pieter Blind, had in de maanden van de mobilisatie onderzoek gedaan naar het opkopen van Nederlandse militaire uniformen door NSB'ers. Die uniformen zouden later bij een invasie gebruikt moeten worden om de Nederlandse militairen te verschalken. Bij dat onderzoek zijn een aantal NSB'ers opgepakt. Toen de oorlog uitbrak, was Pieter Blind, net als Corrie een intellectuele communist, bang om verraden en opgepakt te worden. Hij raakte zo in paniek dat hij onmiddellijk het land uit wilde vluchten. Met de hele familie, een vrouw en vier kinderen, reed hij naar IJmuiden, maar slaagde er niet in om een boot naar Engeland te vinden. De dag erna heeft hij zich van het leven willen beroven door van het politiebureau Marnixstraat te springen. Collega’s slaagden erin hem naar beneden te praten.
Die avond overwoog hij zijn hele familie in de achtertuin van zijn woning dood te schieten. Zijn buurman, mijnheer De Jong, wist hem dit uit het hoofd te praten. De dag erop, 'savonds, reed hij langs huize Hermans en haalde Corrie op met de smoes dat zijn vrouw met haar wilde praten. Vervolgens zijn zij naar de Zuidelijke Wandelweg gereden, een stille straat in Amsterdam- Zuid in een wijk met volkstuinen. Pieter Blind schoot eerst Corrie door haar linkerslaap en daarna zichzelf in zijn mond. De gebeurtenis heeft voor een belangrijk deel het schrijverschap van Hermans bepaald. Pieter Blind stond op uit het dodenrijk in de persoon van Leendert in Ik heb altijd gelijk en Alberegt in Herinneringen van een engelbewaarder.

EEN BIJZONDER GEVAL was het onderzoek naar het Boekenweekgeschenk, In de mist van het schimmenrijk (1993). Hermans had zijn contacten met verzetslieden altijd verzwegen. Op 31 maart 1962 verscheen in de Haagse Post een interview met Hermans door Hans Sleutelaar en Piet Calis. Zij vroegen hem hoe hij over het verzet dacht tijdens de oorlog. Zijn antwoord luidde: 'Weinig gunstig. De mensen die ik in de oorlog ontmoette, die lieten doorschemeren in het verzet te zijn, waren voor vijftig procent grappenmakers. De meeste verzetshelden kwam je pas na de oorlog tegen. Proost in “De tranen der acacia’s” is het type verzetsman dat ik in die jaren ontmoette.’

Dat Hermans mensen uit het verzet heeft gekend, was bekend, maar dat hij ook bevriend was geweest met verzetsmensen die foute Nederlanders liquideerden, had hij altijd verzwegen.
Enkele weken voordat In de mist van het schimmenrijk aan de pers werd gepresenteerd, bestond er al een samenvatting van het boek ten dienste van de openbare bibliotheken. Uit die samenvatting bleek dat er in het boek sprake was van een verzetsgroep van overwegend jonge studenten, die zich erop toelegde boodschappen naar Engeland te seinen met behulp van een telegrafiste, die voor dat doel versierd moest worden. Met uitsluitend deze informatie moest het onderzoek beginnen. Ik ging ervan uit dat deze roman, net als zo veel andere romans van Hermans, voor een aanzienlijk deel gebaseerd zou zijn op werkelij ke feiten. Bladerend in Fotobiografie trof ik een foto aan van de klas van Hermans’ zus Corrie. Er stond ook een leraar op de foto. Het onderschrift luidde: 'De lapel van de leraar is versierd met een gebroken geweertje. Twee zoons van hem (een 'n vriend van mij) zouden later door de Duitsers worden gefusilleerd.’

Aldus begon ik mijn onderzoek bij het Barlaeus-gymnasium te Amsterdam. En niet zonder succes. Bij de ingang was het al raak. Daar hangt een grote gedenkplaat met de namen van oud-leerlingen die de oorlog niet overleefd hadden. De naam Kuiper kwam tweemaal voor: Bram en Sape Kuiper. Ik ging ervan uit dat Hermans in Fotobiografie doelde op deze twee broers. Maar hoe ik ook zocht in oorlogs- en verzetsboeken, ik slaagde er maar niet in om iets over deze twee mensen te achterhalen.

Wel herlas ik een stuk van Hans van Straten in de Vlagtwedder Grensbode, dat later ook in de WFH Verzamelkrant is verschenen. Daarin gaat Van Straten in op het onuitgegeven werk van Hermans, waaronder de reeds genoemde roman Argeloze terreur. Hij schrijft het volgende: 'Ook in “Argeloze terreur” waren gegevens uit de realiteit verwerkt. Hierin verschijnt, uiteraard in vermomming, de verzetsman Sape Kuiper, naar wie later een straat is genoemd in Amsterdam-West. Deze Kuiper had als lid van de verzetsgroep CS6 (waartoe onder anderen ook Leo Frijda, Hans Katan, Bert Schierbeek en Reina Prinsen Geerligs behoorden), een tandarts doodgeschoten, van wie werd verteld dat hij ondergedoken joodse patienten aangaf bij de Duitsers. Toen Kuiper na de aanslag er op zijn fiets vandoor wilde, gooide een glazenwasser, die dacht dat hier een fietsendief aan de haal ging, zijn ladder voor zijn wiel, zodat hij door zijn achtervolgers kon worden gegrepen. Hij is veroordeeld en ter dood gebracht.’

Met deze kennis bladerde ik in oude jaargangen van De Telegraaf en vond in de krant van 2 oktober 1943 het artikel 'De negentien doodvonnissen: Wat de verdachten misdreven’. Daaruit bleek dat met de doodgeschoten tandarts ene De Jonge Cohen werd bedoeld, die op 22 juli 1943 was geliquideerd. Voorts bleek uit het artikel dat Sape Kuiper op 1 oktober 1943 werd gefusilleerd te Overveen. Aldus was ik in staat om tegelijk met het verschijnen van het Boekenweekgeschenk de werkelijkheid achter deze roman te publiceren, een geschiedenis die ijverig werd overgepend door enkele recensenten, uiteraard zonder bronvermelding.

Daarmee was het onderzoek nog niet ten einde. Wilde ik meer weten over Bram en Sape Kuiper en de verzetsgroep CS6, dan diende ik verder te zoeken. Met Het Koninkrijk der Nederlanden van Loe de Jong kwam ik niet ver: De Jong besteedde in zijn werk slechts enkele pagina’s aan het communistische verzet, en dat terwijl zijn zwager zelf deel uitmaakte van CS6. Toen ik De Jong hierover op een literaire bijeenkomst aansprak, wendde hij zijn gezicht af en weigerde hij antwoord te geven.

En dan was er nog iemand, Bert Schierbeek, van wie ik wist dat hij in de oorlog voor CS6 had gewerkt. Zijn boek Terreur tegen terreur was er de oorzaak van dat de uitgevers Hermans’ Tranen der acacia’s aanvankelijk niet wilden publiceren. Maar ook Bert Schierbeek wenste geen informatie te verschaffen en reageerde in het geheel niet op mijn brieven.

Het onderzoek dreigde vast te lopen, maar toen ik op 1 oktober 1993, precies vijftig jaar na de executie van Sape Kuiper en zeventien andere leden van CS6, de halve marathon van de Tros deed, die langs het oorlogskerkhof van Overveen voerde, schoot mij plotseling een idee te binnen. Het zou toch te gek wezen als er niet iemand, precies vijftig jaar later, een bloemetje kwam brengen op een van de graven van CS6-leden? Ik brak de loop af en liep naar het kerkhof. Daar waren inderdaad mensen aanwezig. Ik hield nauwkeurig in de gaten wie op welk graf een bloemetje neerlegde en sprak ze later aan. Ik bleek geluk te hebben. Zo trof ik onder anderen nabestaanden van P.A.M. ('Pam’) Pooters, een van de leiders van CS6. Via-via kwam ik uiteindelijk in contact met Guido van Suchtelen.

Guido van Suchtelen was bevriend met Reina Prinsen Geerligs, een ex-klasgenote van Hermans, die ook voor CS6 werkte en die ook in Fotobiografie wordt genoemd. Voorts was Guido van Suchtelen tot mijn grote verrassing ook bevriend met Bram Kuiper en zelfs met niemand minder dan Willem Frederik Hermans zelf. Het was een enorme toevalstreffer. In een interview heeft hij ons uitvoerig verteld over CS6, Bram en Sape Kuiper en Reina Prinsen Geerligs, en ook heeft hij verslag gedaan van de fietstochten die hij met Hermans heeft ondernomen als lid van de Nederlandse Jeugdbond van Natuurstudie, waarvan Hermans in de jaren dertig ook lid was.

Nog steeds was het onderzoek naar de achtergronden van het Boekenweekgeschenk niet afgelopen. Wij achterhaalden twaalf personen die in het boek onder een andere naam een rol speelden. Een van hen verdient nog speciale aandacht: Friso Nanninga, die in het boek Frits Drijvers wordt genoemd. Hij wordt in het Boekenweekgeschenk beschreven als een NSB-fanaat, die drie portretten van Hitler boven zijn bed had hangen. Hij gaf zich op voor de Arbeitseinsatz en stierf in Berlijn aan difterie. Dat er portretten van Hitler boven zijn bed hingen werd ontkend door Bart Jibben, een zwager van hem en ook een vroegere schoolvriend van Hermans. Alhoewel Friso Nanninga vrijwillig in Duitsland ging werken, prijkt zijn naam op de gedenkplaat van het Barlaeusgymnasium tussen die van verzetsmensen als Bram en Sape Kuiper en Reina Prinsen Geerligs.

Toen wij na afloop van een lezing van Hermans in het Verzetsmuseum met hem aan de praat raakten, kwam dit onderwerp ter sprake. Hermans vertelde dat hij jarenlang naast Friso Nanninga in de klas had gezeten, dat hij bij hem thuis over de vloer kwam en dat hij wel degelijk drie portretten van Hitler boven zijn bed had hangen. Voorts sprak hij er schande van dat zijn naam op de gedenkplaat van het Barlaeusgymnasium staat. Tot onze spijt vroeg hij ons dit niet te willen publiceren in de WFH Verzamelkrant. Aldus staat de naam Friso Nanninga nog steeds tussen oud-leerlingen die het verzet in gingen en het leven lieten.

Zoeven had ik het al over de halfjoodse tandarts Henri de Jonge-Cohen die wegens het verraden van joodse patienten door Sape Kuiper werd geliquideerd. In de mist van het schimmenrijk opent met deze gebeurtenis. In de overlijdensadvertentie trof ik de naam Vermeulen-Windsant en vervolgens belde ik iedere Amsterdammer met die achternaam. Bij het zevende telefoontje was het raak. De heer Vermeulen- Windsant vertelde dat hij getuige was geweest van de aanslag, en dat zijn zus haar man (de tandarts) had overgehaald om lid te worden van de NSB en joodse patienten aan te geven, hetgeen hij deed.

Ik maakte een afspraak met Vermeulen- Windsant voor een persoonlijk gesprek. Voorwaarde was dat ik zijn naam niet zou noemen. Enkele dagen erna annuleerde hij de afspraak en trok hij zijn gedane uitlatingen in. Hij voorspelde moeilijkheden als wij toch tot publikatie zouden overgaan. Wij besloten het telefoongesprek vrijwel integraal af te drukken en wel met de naam Vermeulen-Windsant erbij, aangezien hij zich niet aan de gemaakte afspraak had gehouden. Wij hebben er verder niets meer over gehoord.

HERMANS HEEFT HET nooit leuk gevonden dat wij hem voortdurend op de hielen zaten. Met name stoorde hij zich aan de interviews die wij hebben gehouden met mensen uit zijn vroegere leven. Vooral het interview met Adriaan Morrien stoorde hem geweldig. Zoals gezegd vindt Hermans dat je pas met de biografie van een schrijver moet beginnen als hij vijftig jaar dood is. Wij kunnen de schrijver daarin geen gelijk geven. Juist in een periode dat vele mensen rondom Hermans al oud zijn, is het van het grootste belang hen te spreken. Hella Haasse bijvoorbeeld. Verschillende keren vroegen wij haar een artikel voor ons blad te schrijven; zij wees dat steeds vriendelijk af. Toen Hermans gestorven was, zag ik mijn kans schoon. Ik zocht haar thuis op en overhandigde haar enkele foto’s van haar met Hermans. Vervolgens vroeg ik nogmaals of zij een stukje wilde schrijven. Het stukje kwam er; het staat in het In Memoriam- nummer van de WFH Verzamelkrant.

Een ander punt vormen de interviews met Hermans. Frans Janssen bundelde er reeds een aantal in Scheppend nihilisme. De selectie was gemaakt door Janssen en Hermans samen. Mogelijk is dat de reden waarom de bundel voornamelijk literair-historisch van aard is, in tegenstelling tot bijvoorbeeld de onlangs verschenen meer biografische interviews van Hans van Straten.

Maar de WFH Verzamelkrant beschikt over een slordige tachtig interviews met Hermans die alle eerder, verspreid in kranten en tijdschriften verschenen zijn. Wij ijveren al geruime tijd voor de uitgave van een tweede interviewbundel, maar geen enkele uitgever waagt zich eraan. Alle door ons benaderde uitgevers deinzen uiteindelijk terug voor zo'n uitgave uit vrees voor problemen met De Bezige Bij of de familie Hermans. En daar, geachte Hermans-liefhebbers, daar houdt de literaire geschiedenis op.

Wie alle perikelen rondom de persoon van Multatuli en zijn biografieen heeft gevolgd, moet constateren wat een gemis het is als men niet meer in staat is om feiten na te gaan of om getuigen te spreken. Die zijn er niet meer. Om herhaling te voorkomen, is het van het grootste belang dat snel begonnen wordt met een omvangrijke biografie van zeker duizend pagina’s.

Naast de acht kisten in het Letterkundig Museum bestaat er uiteraard nog een enorm archief in de woning van de familie Hermans. Inmiddels is mevrouw Emmy Hermans-Meurs verhuisd van Brussel naar Broek in Waterland, waar ook haar zoon Ruprecht woont. De verzameling schrijfmachines van haar ex-man heeft zij ondergebracht in het schrijfmachinemuseum van Tilburg. De wetenschappelijke bibliotheek is overgebracht naar de Amsterdamse veiling Van Gendt, die de boeken onder de hamer bracht. Dit is het begin van de versnippering. Wat er met het prive-archief gaat gebeuren, is niet duidelijk. De mogelijkheid bestaat dat de familie dit archief zelf wil beheren en voorlopig niet af wil staan aan het Letterkundig Museum. Toch is het een bittere noodzaak voor de biograaf om de beschikking te krijgen over dit archief.

Verschillende mensen zouden de biografie kunnen schrijven, mensen die Hermans door en door hebben gekend: Hans van Straten, Freddy de Vree, Hella Haasse, of misschien wel de in onmin geraakte Frans Janssen of Rob Delvigne. Of misschien wel Wim Hazeu, wiens naam zo vaak wordt genoemd; maar die is al bezig met de biografie van Vestdijk.
Ook mij is wel eens gevraagd of ik een biografie zou willen schrijven, maar ik wijs dat af. Wellicht zal het lukken om een boekje van pakweg een paar honderd pagina’s te schrijven, maar van tevoren weet je dat het onvolledig en dus slecht zal zijn wanneer je niet de beschikking hebt over het archief van Hermans, en dat zal ik nooit krijgen. Mevrouw Emmy Hermans is namelijk boos op mij omdat ik een huiselijke uitspraak van haar had gepubliceerd. Toen Hermans de vriendschap met Frans Janssen verbrak, zou zij gezegd hebben: 'Straks raak je al je vrienden nog kwijt, Wim!’ Plaatsing van deze uitspraak in ons blad heeft zij mij heel erg kwalijk genomen.

Hermans was geen makkelijke, toegegeven. Maar ik heb het eerlijk gezegd liever met hem aan de stok dan met zijn weduwe.


Dit artikel is de bewerking van een lezing die de auteur op 13 december 1995 gaf aan de Universiteit van Amsterdam in het kader van de 'Week van de biografie’. Een complete versie staat in het 177 bladzijden tellende Sterfboek, een speciale uitgave van de WFH Verzamelkrant. Te bestellen door overmaking van f32,50 op postbankrekening 308 537 ten name van WFH Verzamelkrant te Amsterdam.