Boeken over Spinoza

Biografieën van een ‹bijna-heilige›

Over Spinoza’s leven en hoe dat zijn denken beïnvloedde, is weinig bekend. Dat voedt de speculaties over zijn persoon, en maakt het des te interessanter om te kijken naar de invloed die zijn denkbeelden uitoefenden.

Baruch de Spinoza is tien jaar oud als zijn vader hem een zeer verantwoordelijke taak geeft: hij moet geld ophalen bij een vrouw die zijn vader een flink bedrag schuldig is. Als hij de woning van de vrouw betreedt, is zij verdiept in de bijbel, en gebaart ze hem dat hij moet wachten tot zij klaar is met bidden. Spinoza’s vader had hem echter al eerder gewaarschuwd zich niet te laten misleiden door «valse vroomheid». De jongen is dus bijzonder op zijn hoede, en als de vrouw het geld uittelt, terwijl ze ondertussen in uitbundige bewoordingen de vroomheid van zijn vader prijst, merkt hij dat ze twee dukaten in een gleuf in de tafel laat verdwijnen. Spinoza staat er op het geld na te tellen, en eist vervolgens van de vrouw dat ze de weggemoffelde munten aan hem geeft.

Vanaf zijn vroegste biograaf, Jean Maximilien Lucas, tot aan een hedendaagse Spinoza-vorser als Steven Nadler, wordt deze anekdote gebruikt om te laten zien dat de jonge Spinoza, zoals een andere zeventiende-eeuwse biograaf opmerkte, «van nature begiftigd was met een schrandere geest en een opmerkzame blik». Als dit voorval al niet apocrief is, dan is dit wel de meest verstrekkende conclusie die je hieruit mag trekken. Spinoza-biografe Margaret Gullan-Whur denkt daar echter heel anders over. Zij vraagt zich namelijk af waarom Spinoza er zo op gebeten was te laten zien dat deze ogenschijnlijk vrome vrouw een bedriegster was. Het antwoord dat het hier om geld ging, en dat de jongen er geen zin in had om van zijn vader op zijn kop te krijgen als hij zonder het volledige bedrag thuiskwam, is naar de smaak van Gullan-Whur veel te banaal. Alsof ze erbij is geweest en met Spinoza nog heeft geknikkerd, weet ze stellig dat de oorzaak gezocht moet worden in zijn extreme vijandigheid jegens vrouwen!

Iedere Spinoza-biograaf kampt met het probleem dat er over het leven van de grote denker vrij weinig bekend is, zodat het moeilijk is om aan te geven in welke mate leven en denken op elkaar hebben ingewerkt. Wie over Spinoza wil schrijven, kan er dus voor kiezen zich puur tot dat denken te beperken. Dat doet bijvoorbeeld de bekende Engelse conservatieve filosoof Roger Scruton, van wie in de serie Kopstukken filosofie een heldere en kritische samenvatting van Spinoza’s filosofie is verschenen. Ook biograaf Steven Nadler zet de denkbeelden van Spinoza zeer duidelijk uiteen. Bovendien plaatst hij de filosoof in de intellectuele, maatschappelijke en politieke context van zijn tijd.

Gullan-Whur daarentegen neemt met dit alles geen genoegen. Uit Spinoza’s werk tracht zij af te leiden wat voor mens hij is geweest. Volgens Spinoza was de mens pas waarlijk vrij als hij zijn leven liet leiden door de rede. Dat de mees te mensen hier niet in slagen, komt doordat zij de slaaf zijn van allerlei «aandoeningen», waarmee Spinoza harts tochten en begeerten bedoelde. Omdat Spinoza zo veel nadruk legt op de storende werkingen van die aandoeningen kan het niet anders of hij heeft zelf erg onder zijn hartstochten en begeerten geleden. Omdat de biografen in de ruim drie eeuwen sinds het overlijden van Spinoza niet hebben kunnen bewijzen dat de filosoof «het» ooit heeft gedaan, concludeert Gullan-Whur dat hij in seksueel opzicht zwaar gefrustreerd moet zijn geweest. Deze frustratie zou dan weer de oorzaak zijn van de erg lage dunk die Spinoza had van de verstandelijke vermogens van vrouwen.

Wat Gullan-Whur beweert zou best eens waar kunnen zijn. Maar is het ook waar? Het vervelende is dat we het nooit zullen weten. Het is de vraag of speculaties à la Gullan-Whur ons dichter bij het raadsel Spinoza brengen. Wat zij nu doet is het consequent zo negatief mogelijk interpreteren van de schaarse biografische gegevens, omdat zoiets mooi aansluit bij haar these dat Spinoza een psychisch nogal kromgegroeid mannetje was.

Toegegeven, Spinoza is heel vaak afgebeeld als een bijna-heilige, een soort seculiere monnik die bestand leek tegen alle wereldse verleidingen en die onverstoorbaar werkte aan zijn alles omver kegelende filosofie. Als Gullan-Whur zich stoort aan dit wat weeë beeld van de grote denker, dan had zij beter een historische roman kun schrijven, waarin haar speculaties wellicht tot onderhoudende literatuur hadden kunnen leiden. Wie een degelijke biografie van Spinoza wil lezen, en zich neerlegt bij het feit dat er over deze man nu eenmaal niet overdreven veel bekend is, kan beter het boek van Nadler lezen.

Het leven van Spinoza is uiteraard best interessant, en het is natuurlijk jammer dat we over de wordingsgeschiedenis van zijn denkbeelden zo weinig weten, maar veel boeiender nog is de vraag welke invloed hij heeft uitgeoefend.

Het gangbare beeld van Spinoza’s invloed is altijd nogal tweeslachtig geweest. Aan de ene kant was duidelijk dat hij in intellectuele kringen reeds grote vermaardheid had voordat hij ook maar iets had gepubliceerd. In het kleine, overzichtelijke netwerk van Europese geleerden werd al heel vroeg gesproken en gecorrespondeerd over «die joodse filosoof op het Hollandse platteland». Toen in 1670 de Tractatus theologico-politicus anoniem verscheen, wist iedereen meteen dat Spinoza de auteur was. Het boek sloeg in als een bom en leidde tot zeer negatieve reacties. Vooral Spinoza’s genadeloze bijbel kritiek werd het mikpunt van een onafzienbare reeks pamfletten en smaadschriften.

Dit werd nog erger nadat in 1677 Spinoza’s hoofdwerk Ethica postuum was verschenen. «Spinozisme» werd het synoniem voor atheïsme, de ergste zonde die iemand kon begaan in een tijd waarin kerken uit alle macht probeerden de samenleving in hun greep te houden. Elke denker die niet van plan was om maatschappelijk zelfmoord te plegen, moest zich wel van Spinoza distantiëren, en velen sloten zich daarom aan bij het felle requisitoir dat Pierre Bayle in 1697 publiceerde in zijn gezaghebbende Dictionnaire historique et critique.

Pas aan het eind van de achttiende eeuw kwam er, bij monde van schrijvers en denkers als Lessing, Goethe, Hegel en Herder, meer waar dering voor Spinoza, en even later waren het de Engelse romantici die hem «ontdekten». Nederland liep ook in dit opzicht weer achter de ontwikkelingen aan: hier werd de grootste «vaderlandse» wijsgeer pas vanaf 1850 populair.

Dit standaardbeeld wordt met verve bestreden door Jonathan Israel in zijn briljante studie Radical Enlightenment. Uiteraard ontkent hij niet dat Spinoza al tijdens zijn leven maar ook in de eeuwen daarna zeer fel werd bestreden, maar tegelijkertijd stelt hij dat de Nederlandse filosoof de ware aanstichter is geweest van de gees telijke aardverschuiving die gewoonlijk wordt aangeduid met de Verlichting. Nu is het belang van Spinoza voor de radicale breuk met de traditie al veel eerder onderstreept, bijvoorbeeld in Paul Hazards La crise de la conscience européenne uit 1935, maar Israel toont als eerste heel nauwgezet aan hóe die invloed doorwerkte. Hij doet dit door een indrukwekkende intellectuele geschiedenis van Europa tussen 1650 en 1750 te schilderen, waarbij niet alleen de ideeën van talloze denkers veel aandacht krijgen, maar ook de intellectuele infrastructuur in kaart wordt gebracht. De houding van de verschillende regeringen ten opzichte van de radicale denkbeelden, het universitaire klimaat, de opkomst van de grote bibliotheken, de rol van de boekhandel en de zogenaamde «geleerde tijdschriften» — dat alles wordt in een weids panorama door Israel geschilderd.

Uiteraard kwam Spinoza niet «uit de lucht» vallen, en bouwde hij voort op wat anderen vóór hem hadden geschreven. Daarom begint Israel zijn verhaal met de verspreiding van de denkbeelden van Descartes. Ook Spinoza begon ermee zijn positie tegenover het snel terrein winnende cartesianisme uiteen te zetten. Liet Descartes nog een achterdeurtje naar de godsdienst open, Spinoza smeet dat met oorverdovend lawaai dicht en was dus inderdaad — daarin sluit Israel aan bij de fundamentalistische dominees en priesters uit de zeventiende eeuw — de doodgraver van het geloof in een persoonlijke god. Spinoza was daarom niet alleen de centrale figuur uit de «vroege Verlichting», maar ook de meest radicale representant van de «radicale Verlichting».

Vanaf de tweede helft van de zeventiende eeuw doen zich overal manifestaties van de Verlichting voor, maar een groot deel daarvan is redelijk gematigd en wordt hierdoor al spoedig geassimileerd door de culturele en maatschappelijke bovenlaag. Het waren subversieve types als Spinoza, en in iets mindere mate Thomas Hobbes, die het grootste gevaar vormden voor traditionele denkbeelden en instituties.

Margaret Gullan-Whur, Spinoza: Een leven volgens de rede. Uitg. Lemniscaat, 429 blz., ƒ59,90

Steven Nadler, Spinoza. Uitg. Atlas, 535 blz., ƒ69,90

Roger Scruton, Spinoza. Uitg. Lemniscaat, 141 blz., ƒ24,50

Jonathan I. Israel, Radical Enlightenment: Philosophy and the Making of Modernity 1650-1750. Uitg. Oxford University Press, 810 blz., ƒ117,60