Biografieën van Ruysch, Thorbecke, De Stuers, H.M. Hirschfeld, Philips, Hitler en Drees

Biografisch

Luuc Kooijmans

De doodskunstenaar: De anatomische lessen van Frederik Ruysch

Bert Bakker, 517 blz., € 25,-

In 2003 bracht kroonprins Willem-Alexander een bezoek aan Sint-Petersburg. De stad vierde in dat jaar dat zij driehonderd jaar eerder was gesticht. De Nederlandse kroonprins zou onder meer een bezoek brengen aan de kort tevoren geopende tentoonstelling van de anatomische verzameling van de Kunstkamera. Daar was duidelijk over nagedacht, aangezien die collectie voor het grootste deel bestaat uit preparaten van de beroemde Nederlandse anatoom Frederik Ruysch (1638-1731). Maar blijkbaar was er ook weer niet zo goed over nagedacht, want op het laatste moment werd dit programma onderdeel geschrapt. De prins en zijn gemalin verwachtten op dat moment hun eerste kind, en het werd niet kies geacht de prins te confronteren met de griezelige foetussen, doodgeboren kindjes en allerhande losse onderdelen van de mens die Ruysch driehonderd jaar geleden op sterk water had gezet.

Ruysch mag dan door zijn tijdgenoten uitbundig zijn geprezen om de vaardige wijze waarop hij het ontleedmes hanteerde en zijn weergaloze preparaten, al waren sommigen van mening dat zijn wetenschappelijke kwaliteiten leden onder zijn kunstzinnige aspiraties, en hij mag na zijn dood dan schrijvers als Balzac en Leo pardi hebben geïnspireerd, op de hedendaagse bezoeker maken die kindjes en kinderonderdelen, voorzien van kanten mutsjes, kanten kraagjes en soms van glazen ogen, inderdaad een buitengewoon lugubere indruk.

Voor niet-medici heeft het snijden in lijken natuurlijk altijd nog iets smoezeligs en gruwelijks, maar uit de prachtige biografie die Luuc Kooijmans heeft geschreven wordt duidelijk dat Ruysch een bijzonder belangrijk wetenschapper was. Gedreven door een tomeloze nieuwsgierigheid en zich ervan bewust dat alleen daadwerkelijk onderzoek de wetenschap verder brengt, leverde hij een belangrijke bijdrage aan de ontluikende medische wetenschap.

Jan Drentje

Thorbecke: Een filosoof in de politiek

Boom, 671 blz., € 35,-

Dat Johan Rudolf Thorbecke (1798-1872) met kop en schouders boven het politieke maaiveld uitstak, werd reeds door zijn tijdgenoten gezien en erkend. Er is in de loop van de tijd dan ook ontzettend veel over hem geschreven, maar de afgelopen decennia leek het of historici enigszins met een boog om Thorbecke heen liepen. In 1992 schreef Siep Stuurman zelfs een, overigens interessant, boek over het negentiende-eeuwse liberalisme waarbij Thorbecke weliswaar op het omslag stond, maar in het boek zelf nauwelijks een rol speelde.

Thorbecke leek een enigszins «uitgekauwd» onderwerp, en trouwens, wie kon er nu tegen de grondwetswijziging van 1848 zijn? Wie dus op zoek was naar een controversieel onderwerp moest elders zoeken. Als gevolg hiervan verscheen tussen 1975 en 2002 wel de zevendelige, door G.J. Hooykaas subliem bezorgde cor respondentie van Thorbecke, maar moeten we het nog steeds stellen zonder moderne biografie.

Ook Jan Drentje heeft een dergelijke biografie niet geschreven, al heeft hij wel een belangrijk en zeer lezenswaardig boek afgeleverd. Het is een intellectuele biografie in de goede zin van het woord, wat wil zeggen dat het boek de herkomst en de ontwikkeling van de ideeën van Thorbecke op overtuigende wijze schildert. Veel uitgebreider dan andere auteurs gaat Drentje in op de betekenis van Thorbeckes studiejaren, die hij voor een groot deel in Duitsland heeft doorgebracht. Daar ontmoette hij niet alleen Goethe, Schelling en Tieck, maar werd hij ook diepgaand beïnvloed door de Romantiek en de idealistische Duitse filosofie.

Na deze leerschool voelde hij zich niet echt thuis in het benepen intellectuele klimaat in Nederland. Anders dan de meeste landgenoten besefte Thorbecke wat de betekenis was geweest van de Franse Revolutie, en welke diepgaande maatschappelijke invloed de Industriële Revolutie zou uitoefenen. Daarom begreep hij de «tekenen des tijds» en was hij in staat daar een politiek antwoord op te formuleren. Dat antwoord kwam met de grondwet van 1848 en de wetgeving die daarop volgde.

Jos Perry

Ons fatsoen als natie: Victor de Stuers 1843-1916

SUN, 351 blz., € 29,90

Wat precies de criteria zijn die het Historisch Nieuwsblad hanteert bij de uitverkiezing van de Historicus van het Jaar weet ik niet, maar de kwaliteit van historische publicaties kan daarbij geen doorslaggevende rol spelen. In dat geval zouden immers enkele vooral als columnist of opiniepaginaschrijver aan de weg timmerende historici niet in die Top 20 figureren, terwijl hun Maastrichtse vakbroeder Jos Perry in de hoogste regionen van de ranglijst zou schitteren. Perry is namelijk met afstand de beste biograaf van Nederland. Tien jaar geleden heeft hij dat reeds bewezen met zijn magistrale levensbeschrijving van de sociaal-democratische voorman Willem Vliegen, nu bevestigt hij dat met zijn bondige biografie van de katholieke cultuurambtenaar en emancipator Victor de Stuers.

Wat Jos Perry, behalve zijn stilistische gaven, tot zo’n goede biograaf maakt, is dat hij niet is besmet met het Harry G.M. Prick-virus, dat ervoor zorgt dat het slachtoffer in de waan komt te verkeren dat de lezer geen oog dicht doet wanneer hij niet weet wat De Stuers op 8 augustus 1888 heeft gedaan, en met wie hij de dag erop thee dronk, en in welk horeca-etablissement die historische gebeurtenis heeft plaats gevonden. Perry weet zich te beperken en durft veel weg te laten. Hij stelt geen inventaris op maar schildert een indringend portret, waarbij hij tevens een meester is in het weergeven van de achtergrond.

In het geval van de in Maastricht geboren De Stuers bestond die achtergrond uit de emancipatie van het katholieke volksdeel en Thorbeckes dogma van staatsonthouding op cultureel gebied. De Stuers vestigde in 1873 de aandacht op zich met een 84 pagi na’s tellend artikel in De Gids, getiteld Holland op zijn smalst, waarin hij fel van leer trok tegen de verwaarlozing van het nationale erfgoed. Daarna zou hij als hoge ambtenaar betrokken zijn bij tal van initiatieven op het gebied van monumentenzorg, musea, architectuur en andere kunstvormen. Samen met de architect Cuypers zette hij aan het einde van de negentiende eeuw een zwaar stempel op het culturele domein en op het beeld dat Nederland had van de Gouden Eeuw. Het Rijksmuseum werd hun gezamenlijke magnum opus.

Arie van der Zwan

H.M. Hirschfeld: In de ban van de macht

Meulenhoff, 414 blz., € 25,-

De Amsterdamse reder en bankier Ernst Heldring noemde hem «een onaanzienlijk joodje». En inderdaad, Hans Max Hirschfeld (1899-1961) was, zeker in vergelijking met de oerdeftige en steenrijke Heldring, van zeer bescheiden afkomst. Zijn vader was rond 1900 als Duitse jood uit Letland naar Nederland getrokken. Met wat toen nog heette een «heldere kop», tomeloze ambitie en ogenschijnlijk het gevoelsleven van een diepvrieskip, wist Hirschfeld zich op te werken tot machtigste ambtenaar op het ministerie van Economische Zaken.

Tijdens de crisisjaren gaf hij vorm aan de Nederlandse handelspolitiek, waarbij hij zich sterk op Duitsland oriën teerde en ons land in toenemende mate afhankelijk maakte van het Derde Rijk. Toen in mei 1940 de regering uitweek naar Londen bleef Hirschfeld op zijn post. Hij zou dit later typeren als «zwichten onder protest», maar in zijn spannende biografie laat Van der Zwan zien dat dit een poging was om zich vrij te pleiten van collaboratie. Als machtigste van de door de Duitsers aangestelde secretarissen-generaal speelde hij een belangrijke rol bij de gelijkschakeling van het ambtenarenapparaat. Na de oorlog kwam hij hier nog redelijk mee weg en wist hij zich in zijn uiterst glibberige memoires te presenteren als iemand die, om erger te voorkomen, gewoon zijn plicht had gedaan. Over de meidagen van 1940 schrijft hij daarin dat het Nederlandse leger onder meer geen partij was voor de Duitsers omdat er schreeuwend gebrek aan munitie was. Hij verzweeg echter dat hij er zelf verantwoordelijk voor was geweest dat grote defensie orders, zelfs nog na september 1939, in Duitsland werden geplaatst. Na lezing van Van der Zwans boek lijkt geen andere conclusie mogelijk dan dat de in hoge mate ongrijpbare Hirschfeld zichzelf zo superieur voelde dat hij hoog spel kon spelen en zelfs bereid was verraad te plegen.

Marcel Metze

Ze zullen weten wie ze voor zich hebben: Anton Philips 1874-1951

Balans, 622 blz., € 35,-

Ook de evenals De Stuers uit het zuiden afkomstige Anton Philips heeft een enorm stempel op Nederland gedrukt. Was De Stuers echter iemand die vorm gaf aan het verleden van Nederland, Philips bouwde aan de toekomst van een land dat de grondstoffen voor zware industrie ontbeerde maar dat een gunstige voedingsbodem bleek te vormen voor een technologisch hoogwaardige industrie.

Anton Philips was niet de man die in zijn werkplaats experimenteerde met de toen nog innovatieve gloeilampen, en hij was niet de man die de gloeilampenfabriek oprichtte. Die rollen werden gespeeld door zijn vijftien jaar oudere broer Gerard. Anton was het commerciële genie dat het noodlijdende bedrijfje wist te transformeren tot een multinationale elektronicagigant en een geduchte concurrent van General Electric en Siemens.

Philips besefte dat elektriciteit de toekomst had en bouwde onverdroten en meedogenloos aan zijn imperium, waarbij hij door middel van overval tactieken toeleveranciers inlijfde, een eigen internationaal verkoopnetwerk opzette, buitenlandse concurrenten opslokte en de eigen werknemers stevig onder de duim hield. Tijdens de Eerste Wereldoorlog profiteerde hij bijzonder sterk van het isolement van Duitsland en in de jaren twintig speelde hij uiterst behendig in op de enorme radio-boom. Op aandringen van zijn broer Gerard werd een natuurkundig laboratorium (het NatLab) opgezet, waar door Philips vaak in staat was een technologische voorsprong op te bouwen.

Ook de radio’s van Philips werden in hoog tempo verbeterd. Toen hij in 1936 het nieuwste model aanbood aan de vrouw van premier Colijn vroeg deze zich af of dit geschenk wel kon worden aanvaard. Philips bezwoer de first lady dat hij het alleen deed omdat hij zo trots was op wat zijn ingenieurs hadden bereikt. Dat hij een week later premier Colijn schreef dat zijn bedrijf graag zoeklichten zou ontwikkelen voor het Nederlandse leger zal dan wel louter toeval zijn geweest.

Metze, die eerder twee boeken over de meer recente geschiedenis van het Philips-concern publiceerde, heeft met dit boek een boeiende en goed leesbare biografie geschreven.

Ian Kershaw

Heulen met Hitler: Britse ambivalentie ten aanzien van nazi-Duitsland

Het Spectrum, 432 blz., € 27,95

Uit de ondertitel van de Nederlandse vertaling van dit boek van Hitler-biograaf Kershaw wordt niet duidelijk dat het hier gaat om een biografische studie, en niet om een monografie over de Brits-Duitse betrekkingen in de jaren dertig. De man die op het omslag van het boek, dat de 33 illustraties van het origineel moet ontberen, links van Hitler staat, is namelijk Charles Stewart Henry Vane-Tempest-Stewart (1878-1949), de zevende markies van Lon donderry.

Deze voorname en puisant rijke aristocraat, en neef van Winston Churchill, leek in de wieg gelegd om een belangrijke rol te spelen in de Britse politiek. Hoewel hij alles mee had en buitengewoon overtuigd was van zijn eigen superioriteit wilde het met zijn politieke carrière niet erg vlotten. Begin jaren twintig was hij enige tijd onderminister van Luchtmachtzaken en daarna vervulde hij nog wat functies, zonder echt door te stoten naar de top. Zijn grote frustratie was dat hij geen onderkoning van India werd.

Dit alles verhinderde niet dat hij in de jaren dertig politieke invloed uit oefende en zich ontpopte als een van de vurigste pleitbezorgers voor een goede relatie met nazi-Duitsland, zodat een nieuwe wereldoorlog wellicht voorkomen zou kunnen worden. Een strategie die in de ogen van veel tijdgenoten zo gek nog niet was.

Na de twee kolossale delen over Hitler had Kershaw moeilijk een hoofdpersoon voor een biografie kunnen vinden die een sterker contrast vormde met de Duitse Führer. Qua afkomst, ideo logie en vooral wilskracht verschilden Hitler en de enigszins potsierlijke Lord Londonderry van elkaar als dag en nacht. Hoewel Kershaw veel interessants te melden heeft over de Britse politiek uit die jaren stelt het boek na de magistrale Hitler-biografie toch enigszins teleur, en rijst de vraag of deze vervelende aristocraat wel een heel boek waard was.

Hans Daalder

Willem Drees 1886-1988: Vier jaar nachtmerrie. De Indonesische kwestie 1945-1949

Balans, 548 blz., € 35,-

Wie wél een heel boek waard is, en meer dan één, is natuurlijk Willem Drees. Dit boek is het derde deel (maar het tweede dat gepubliceerd wordt) van de vierdelige biografie waaraan Daalder al bijkans een mensenleven werkt. Het eerste deel, over de jaren 1886-1940, moet nog verschijnen, en vorig jaar verscheen het deel over de jaren 1940-1948, waarin echter de dekolonisatie van Nederlands-Indië niet werd behandeld.

Of het een gelukkige keuze is geweest om Drees’ rol in de koloniale oorlog in Indonesië in een apart deel te behandelen, valt pas te zeggen als alle delen verschenen zijn. Dat Daalder hiervoor gekozen heeft is, gezien het belang van het onderwerp, wel begrijpelijk.

De term «vier jaar nachtmerrie» is van Drees zelf, en op een ander moment noemde hij het dossier-Indonesië «een molensteen». Tot op het einde van zijn lange leven ging hij gebukt onder de herinneringen aan de dramatische en bloedige wijze waarop Nederland afstand nam van zijn grootste kolonie, en waarvoor Drees eerst als minister en later als minister-president medeverantwoordelijk was. Vaak is hem verweten dat hij, als socialist, niet principieel zou hebben gehandeld, en dat hij zich omwille van de machts positie van zijn partij, en wellicht van zichzelf, niet krachtig genoeg heeft opgesteld tegenover de koloniale haviken.

Hans Daalder is er duidelijk op uit Drees in dit opzicht te rehabiliteren, maar hij is daar niet echt in geslaagd. Hij schetst duidelijk de dilemma’s waar Drees voor stond en hij laat er geen twijfel over bestaan dat Drees, in tegenstelling tot KVP-leider Romme, beslist geen schurk was, maar de vieze smaak blijft. Drees was een man van grote ver diensten en het is goed mogelijk dat hij op sociaal terrein minder had kunnen bereiken als hij zich inzake Indonesië principiëler had opgesteld, maar de dirty war in de Gordel van Smaragd blijft een smet op zijn blazoen.