Bioscoop, film & kunst

De presentatie van de ‘fotografische cinema’ van Eadweard Muybridge in gezelschap van vierhonderd contactafdrukken van Jan Dibbets en een langgerekt werk van Carl Andre is een poging van Chris Dercon om een procesmatigheid in de beeldende kunst aan te tonen die de stap naar film klein en vanzelfsprekend maakt, samenhangend met zijn al voor tweederde uitgezonden filmproject Still/ A Novel. Behalve dat Muybridge zijn seriefoto’s als wetenschappelijke experimenten bedoelde en de series ingelijst een wat opgepepte indruk maken, heeft de procesmatigheid van seriele kunst niet zo veel met film te maken. Het onontkoombare effect van de uiteengerafelde bewegingen in Animal Locomotion uit 1887 is juist de negatie van beweging. Daarmee is het verband met kubistische schilderkunst, met name Duchamps Naakt dat van een trap afdaalt, en met seriele schilder- en beeldhouwkunst aantoonbaarder dan met film.

Beweging is niet de enige belangrijke component van film. Even karakteristiek is het immateriele van de projectie, dat ook op video intact blijft: het is een ongrijpbaar medium, dat zich door zijn virtualiteit onderscheidt van aardser visuele kunsten, zelfs van fotografie. De eerste twee delen van de film Still/A Novel houden zich vooral bezig met de actuele trend in de beeldende kunst om veel naar de film te verwijzen, en in de cinema om de honderdjarige zuigeling onder de kunsten te musealiseren. Hans Beerekamp haalde wat dat eerste betreft in de NRC smalend Rem Koolhaas aan, die een zware invloed van film op zijn werk onderkende, omdat ‘film ook met beelden werkt’.
Beerekamp mag dan een 'notoire zonderling’ zijn (volgens Emile Fallaux) en vinden dat films kloten moeten hebben, dergelijke niet door enig inzicht in film geteisterde platitudes zijn inderdaad kenmerkend voor het niveau waarop mensen die in de beeldende-kunstsector werkzaam zijn tegen het medium aankijken. Ampel bewijs leverde Dercons film. Waar de mogelijkheden om film te exposeren werden besproken, verloren vooral de Amerikaanse ondervraagden zich in nostalgische voorstellen voor verduistering van de zaal en het delen van de ervaring met een publiek. Het ontging blijkbaar ook Dercon dat bioscoop geen synoniem is voor film. 'Overleeft film of verdwijnt de cinema?’ vroeg hij zich aan het eind van de uitzending af.
De bioscoop zal ongetwijfeld verdwijnen, en dat zal een heel ander soort conservering in museale vorm ten gevolge hebben dan het overbrengen van film in een museale omgeving. Cineasten als Akerman, Godard en Straub/Huillet lijken serieuze plannen te hebben in deze laatste richting, en ook steeds meer kunstenaars gebruiken film - en dan niet citaten uit belangrijke films in de vorm van affiches of fragmenten, in installaties die in de jaren tachtig multimedia heetten. Douglas Gordon, Pipilotti Rist, Tony Oursler en Matthew Barney zijn vier kunstenaars die behandeld werden in het vorige nummer van Skrien, dat deels was gewijd aan 'Film en beeldende kunst’.
Pace for the Hubris Pill, Barneys tentoonstelling in Boymans, illustreerde het probleem van het tentoonstellen van een in de allereerste plaats film zijnd kunstwerk. Buiten hoog opgestelde monitoren bestond de expositie voor een flink deel uit voorwerpen uit de films, die dus uitsluitend associatief werkten: zonder de film hadden ze geen bestaans- of expositierecht. Zelfs de 'levende’ openingsceremonie, een parade van veel in de film optredende personages, ging in dat opzicht onderuit.
Overtuigender dan Barney is de expositie van de jonge Alex Vermeulen in het Stedelijk Museum, Fuga futuri. Hoewel hij maar drie zaaltjes toegewezen heeft gekregen, weet Vermeulen met een veelheid van visuele en auditieve impulsen een samenhangend universum te creeren waarin alles afzonderlijk en als deel van een overigens iets te kosmisch geheel is te genieten - zo rimpelloos en immaterieel als een film. Dat wordt zijn volgende project, heeft hij al aangekondigd.