Hoofdcommentaar

Birma

Darfur, Kosovo, Uruzgan, Rwanda, Palestina, Libanon: je kunt het Nederlandse politici moeilijk kwalijk nemen dat zij de laatste jaren Birma wat minder in de gaten hebben gehouden. Maar nu militairen inhakken op monniken en vluchtelingen het land verlaten, moeten ferme standpunten worden ingenomen.

Kunnen wij iets doen? Nee. De redactie van het NOS-Journaal meldt kranig dat er voortaan weer over ‘Birma’ gesproken zal worden en niet over ‘Myanmar’, de naam die de junta invoerde. Dat typisch Hollandse vingertje zal niet worden gezien. Er valt door Nederland weinig te beïnvloeden of te boycotten. Wij wenden dus de blik naar de EU, de Veiligheidsraad, de VS, China.

Er waren tijden dat eendrachtige economische, politieke en diplomatieke isolatie van een dictatuur, zoals Portugal, Zuid-Afrika, Argentinië of Libië, vruchten kon afwerpen. Als dat niet gebeurde, bestond in elk geval de zekerheid dat ‘wij’ een moreel juiste koers gekozen hadden. In het geval van Birma is dat niet meer aan de orde. Hier blijkt nog maar eens hoezeer de oude verhoudingen en de oude spelregels gewijzigd zijn.

In de geopolitieke tektoniek van de laatste jaren is Birma veranderd van een rottige dictatuur in een slaperige uithoek van de wereld in een knooppunt van strategische en economische belangen. Het grenst aan India en China, twee scherp concurrerende grootmachten. Het bezit grote natuurlijke rijkdommen en veel energie (gas, olie, water), iets waar de buurreuzen structureel gebrek aan hebben. Het is de grootste drugsleverancier van Zuidoost-Azië en de corrupte parafernalia daarvan spelen een grote rol in de verspreiding van hiv/aids over het subcontinent.

Over de kwalijke aard van het regime kan geen misverstand bestaan. Dit is een autistische dictatuur van Noord-Koreaanse allure. Birma beschikt over een kolossaal staand leger (twee miljoen man sterk) en het kan dat leger alleen voeden door de boeren hun oogsten af te nemen, wat leidt tot grote verarming en onrust op het platteland. Het leger is zo groot omdat soldaten en hun familie worden vrijgesteld van belasting, en van de verplichting tot dwangarbeid, een middel dat de overheid voor grote infrastructurele projecten (ook van buitenlandse investeerders) gretig inzet. De junta is verder uiterst sluw in het chanteren van de buurlanden bij de bestrijding van drugshandel en gewapende opstandelingen in de grensgebieden – de Karen, tussen Thailand en Birma, en rebellen in Assam, India. Zowel China als India levert daarvoor enorme hoeveelheden wapens en materieel.

De steun door de Chinese staat en de investeringen door Chinese bedrijven lopen in de miljarden. China bouwt havens, olie-installaties, luchthavens, stuwdammen en een 2300 kilometer lange dubbele pijplijn voor olie en gas van de Indische oceaan naar de steden Kunming en Chonqqing. Om de Chinese expansie tegenwicht te bieden probeert India met China gelijke tred te houden, bijvoorbeeld met investeringen in de aanleg van wegen die India met Zuidoost-Azië moeten verbinden. En dan zijn er nog de Thai en de Singaporezen, en verder de Fransen, die er met het Amerikaanse Chevron olie en gas winnen, en de Russen, die dit jaar nog een contract sloten voor de bouw van een nucleaire installatie.

Wie zoveel kapitaalkrachtige vrienden heeft, hoeft zich van internationale morele kritiek weinig aan te trekken. In de lange geschiedenis van de Birmese dictatuur, sinds 1962, hebben noch sancties noch constructieve relaties ooit enig resultaat gehad.

Natuurlijk is het mogelijk dat de junta door het volk zelf ten val wordt gebracht. Maar uiteindelijk ligt het lot van de Birmezen in handen van Peking. Nu is de Chinese buitenlandse politiek de laatste jaren best overzichtelijk. China is dringend op zoek naar grondstoffen en het wenst daarbij niet te interveniëren in interne politieke aangelegenheden van leveranciers. Om die principiële reden sprak China (met Rusland) eerder dit jaar een veto uit over sancties tegen Birma wegens mensenrechtenschendingen. Dat is niet alleen uit economisch egoïsme. China is zeer op zijn hoede voor het destabiliseren van zijn omgeving door te actieve bemoeienis – men herinnert zich de rampzalige inval in Vietnam in 1979. Alleen als er, zoals in het geval van Noord-Korea, een reëel veiligheidsrisico ontstaat, wil China met de vuist op tafel slaan, en dan gebeurt er ook wat. In de kwestie-Darfur bleek bovendien dat China in zekere mate is aan te spreken op zijn verantwoordelijkheid als ‘responsible stakeholder’, als wereldmacht-in-wording. Die positie moet worden bekroond door de Olympische Spelen van 2008. Dat kan China brengen tot beïnvloeding van het Birmese regime. In Tibet, bijvoorbeeld, zitten ook veel boeddhistische monniken en een opstand daar zou het Olympische blazoen ernstig besmetten.

Maar reken er niet op. China heeft de economische en diplomatieke troeven in handen; het liet weten dat het natuurlijk hoopte op vrede en stabiliteit in Myanmar. De generaals weten zich in de rug gedekt.

Is er een alternatief? Er zijn aanzetten voor verstandige diplomatie door de ASEAN-landen en Japan. De EU is als vanouds onzichtbaar, de VN stuurde een goedgelovige lichtgewicht (‘gullible Gambari’) als afgezant. Het Westen zal pas invloed kunnen uitoefenen als het Amerikaanse buitenlandse beleid zich hervindt. Het is een open deur dat daarvoor eerst regime change in Washington nodig zal zijn.

Milo is op vakantie