Nerveuze filmvrouwen

Bitch is crazy

De laatste tijd maakt een aantal opmerkelijke vrouwen met geestelijke aandoeningen hun opwachting in films en op televisie. Zijn zij romantiseringen van waanzin? En moeten we dat dubieus vinden?

Buiten het middeleeuwse centrum van Gent ligt een enorm ommuurd gebouwencomplex. Het is het Guislaingesticht, het eerste ziekenhuis voor krankzinnigen, opgericht in 1857 door een van de voorlopers van de moderne psychiatrie dr. Joseph Guislain. Tegenwoordig huist er een museum dat zijn naam draagt, over de geschiedenis van het vak.

De symmetrische, neogotisch aandoende middenbouw omsluit een grote groene binnenplaats; op de open rondbooggalerijen is het vlak voordat het museum opent kloosterachtig stil. Er hangt de romantisch lugubere sfeer van oude gekkenhuizen – waar je met een beetje Stephen King-verbeelding de stemmen kunt horen echoën van de ongelukkigen die hier ooit door de gangen dwaalden.

Maar ook heerst er de rust van het sanatorium. Guislain wilde het gebouw buiten de stad hebben, niet zozeer om de waanzinnigen te isoleren, zoals in die tijd gebruikelijk was, maar voor de rust van de ‘patiënten’. Nieuw bij hem was namelijk dat hij krankzinnigen beschouwde als zieken, die recht hadden op een humane, medische behandeling. Het museum is alleen al om het gebouw een bezoek waard, maar het houdt ook de erfenis van de arts en zijn baanbrekende werk in ere door kritische tentoonstellingen te organiseren die de emancipatie van geesteszieken moeten bevorderen.

Momenteel (tot eind mei) is in de oude ziekenzalen de tentoonstelling Nerveuze vrouwen: Twee eeuwen vrouwen en hun psychiaters te zien, een indrukwekkende collectie medisch archiefmateriaal en kunst van onder anderen Diane Arbus, Louise Bourgeois en Cindy Sherman. Een van de uitgangspunten is het beroemde boek Mad, Bad and Sad (2008) van Lisa Appignanesi, die de culturele context van ‘vrouwenziektes’ in de afgelopen eeuwen onderzocht. Zij bouwt door op toonaangevende feministen als Betty Friedan en Germaine Greer die aannamen dat de manier waarop de psychiatrie met vrouwen omgaat sociale pijnpunten reflecteert.

Wat doorklonk in veel van die tweede-golf-feministische, vaak antipsychiatrische kritieken is het inmiddels niet meer zo verrassende – en ook niet helemaal gerechtvaardigde – idee dat door de jaren heen uitzonderlijke, getalenteerde en gepassioneerde vrouwen juist zijn geremd en getemd door ze een ziekte toe te schrijven (denk aan onze negentiende-eeuwse ‘hysterica’s’ Eline Vere en Hedwig de Fontayne). Die troop, de gekke vrouw als gekooide leeuwin, laat zich wellicht herkennen – in deze tijd van woekerend wantrouwen jegens bijvoorbeeld de ‘gelukspillenindustrie’ – in twee opmerkelijke nerveuze filmvrouwen.

De eerste is de bipolaire cia-agente Carrie Mathison uit de populaire Showtime-serie Homeland, gespeeld door Claire Danes. Carrie, die deel uitmaakt van een eliteteam dat een van de hoogste leiders van al-Qaeda moet opsporen, lijdt behalve aan onhandelbare emotionele uitbarstingen ook aan psychotische episoden die haar ironisch genoeg bijzonder geschikt maken voor haar werk. Ze heeft een bijna bovenaardse gevoeligheid voor verdachte patronen, altijd geheel tegen de algemene opinie in, en blijkt er bijna nooit naast te zitten.

Haar stoornis – uitgelegd als erfelijk: haar vader heeft hetzelfde – houdt ze zo goed en zo kwaad als het gaat binnen de perken met medicatie. Maar juist als ze haar pillen niet neemt, blijkt ze op haar briljantst. Wat bijvoorbeeld op een verwoestende tornado van manie lijkt, resulteert in een uitzinnig muurschema van op kleur gerangschikte knipsels – gekkenwerk, op het oog – dat het argwanende team precies de goede kant op wijst. Hoewel het kan worden opgevat als een kritiek op de paranoia van onze tijd, om een tegen terrorisme strijdende cia-agente als compleet psychotisch te verbeelden, veronderstelt Homeland ook wijsheid in waanzin.

Wijsheid kan ook worden toegeschreven aan de explosieve Tiffany, de rol waarmee de 22-jarige Jennifer Lawrence twee weken terug een Oscar won voor de vreemde komedie Silver Linings Playbook van regisseur David O. Russell. Daarin volgen we Pat (Bradley Cooper), net ontslagen uit de inrichting waarin hij is opgenomen nadat hij de minnaar van zijn vrouw half dood sloeg, en vastberaden zijn leven weer op de rails te krijgen en zijn ex-vrouw Nikki terug te winnen. Positief denken, is zijn nieuwe credo: ‘Finding the silver lining’ (van het Engelse gezegde Every cloud has a silver lining).

Hij trekt in bij zijn ouders, traint obsessief en zet zich ertoe de complete literatuurlijst te lezen die Nikki haar leerlingen doceert. Goede bedoelingen, maar juist uit naam daarvan weigert hij de medicijnen te slikken die hem zijn voorgeschreven voor bipolariteit, waardoor hij amper handelbaar is voor zijn moeder en vader.

Tijdens een welkom-terug-diner bij burgerlijke vrienden ontmoet Pat het op hol geslagen zusje van de gastvrouw, de jonge weduwe Tiffany. Ook zij blijkt op pillen te zijn gezet voor een niet nader gespecificeerde stoornis en de twee vinden elkaar – behalve in een gedeelde directheid, tegen het onbeschofte aan – in hun weerzin tegen farmaceutica. Tiffany biedt hem onbeschaamd aan haar te neuken, maar Pat reageert geschokt en houdt bescheten zijn trouwring omhoog.

Van hem is duidelijk hoe zijn aandoening hem beperkt: hij is compulsief, manisch en houdt er infantiele illusies op na. Wat er echter aan Tiffany mankeert is minder goed te vatten. Ja, ze is impulsief, opvliegend, losbandig en onhandig direct, maar tegelijkertijd lijkt ze bijzonder goed te weten wat ze wil, is ze vergevingsgezind en heeft ze geen moeite om zichzelf trouw te zijn. Wat haar vooral van de zelfhatende Pat onderscheidt is dat ze bereid is haar makken te accepteren. Tel daarbij op dat ze intelligent is, charmant, beeldschoon en gekleed gaat in zwart kant en je hebt je woest aantrekkelijke gekkin die eigenlijk zo gek niet is.

Feministen van het stempel Greer en Friedan hadden in Tiffany misschien een wilde vrouw gezien, ingedamd door burgerlijkheid, geketend door een psychiatrische diagnose. Tegendraads is zo’n lezing al lang niet meer, het is een cliché geworden.

Interessant is wat dat betreft de ongezouten mening van The New Yorker’s Richard Brody, die Tiffany typeert als ‘an older man’s fantasy of a free-spirited young woman, brash and blunt yet practical and sensible’. Brody schrijft de film niet alleen een – behoorlijk uitgekauwde – kritiek op het medische establishment toe (zoals ook de veel positievere Dana Linssen, afgelopen week in NRC Handelsblad), die hij vervolgens afkeurt, maar veroordeelt ook de wijze waarop waanzin wordt geromantiseerd. Dat het juist Tiffany’s ‘gekte’ is, haar eerlijkheid, haar onvoorspelbaarheid, die haar aantrekkelijk maakt, valt niet te ontkennen. Ze is een sugar coated borderliner, van wie we de duistere kanten, als ze die al heeft, niet te zien krijgen.

Homeland’s Carrie, écht goed gek, is in dat opzicht een subtielere case study. Zij mag dan briljant zijn als ze haar pillen niet neemt, en haar stoornis draagt aanzienlijk bij aan de nationale veiligheid, maar steeds zien we haar ’s avonds alleen op haar bank, met grote angstige ogen, de lichten uit en in de koelkast niets anders dan yoghurt die over de datum is. Carrie is een tragische held. Dat ze een vrouw is lijkt dat nog eens te versterken. Haar zonderlinge positie als alleenstaand en kinderloos vergroot het wantrouwen bij haar omgeving, die herhaaldelijk aan haar refereert als ‘that crazy lady’.

Opmerkelijk is dat veel van de kritiek op Silver Linings Playbook, ook die van Brody, zich richt op hoe geloofwaardig of niet de film geestesziekte verbeeldt. Op fora wordt erover gespeculeerd in termen van de diagnostische kenmerken van bipolariteit en de juiste behandeling daarvan. Wanneer er iets serieus en maatschappelijk gevoeligs als psychiatrie aan de orde is, lijkt er ineens veel waarde gehecht te worden aan realisme, boodschap en moraal.

Dat Silver Linings een romantische komedie is, in veel opzichten trouw aan de conventies van dat genre, blijkt dit soort eisen niet af te zwakken. Gawie Keyser vroeg zich vorige week in dit blad bijvoorbeeld af wat er in deze liefdesgeschiedenis overblijft van het tragische verhaal van een gewelddadige man die manisch-depressief is. De film wekt volgens hem de suggestie dat romantische liefde complexe geestelijke aandoeningen kan genezen.

Vreemd is die hang naar een realistische diagnose wel. Klassieke romcom-helden als Annie Hall en Forrest Gump (respectievelijk neurotisch en zwakzinnig) zijn er ook nooit op afgerekend dat hun gekte alleen van de zonnige zijde in beeld werd genomen. Integendeel, van hen hielden we om hun surrealistische charme en onschuld.

Dat Lawrence haar komische personage levensecht en buitengewoon aimabel maakt – is dat niet wat goede romantische komedies oplevert: memorabele types om van te houden? – blijkt niet genoeg. We hebben te maken met ernstige biologische aandoeningen. Daar mag blijkbaar niet mee gespot.

Maar dat het recensenten niet lekker zit, wijst precies op de originaliteit van deze film: David O. Russell brengt elementen bij elkaar die onverenigbaar lijken. Bipolair, het woord zegt het al, is donker en licht, doods en springlevend, huilen en lachen, voer voor drama. De romantische comedy is unipolair. Het gaat om de zilveren rand. Silver Linings Playbook ís geen aanklacht tegen de pillenindustrie (halverwege neemt Pat gewoon zijn medicijnen weer), geen maatschappelijk portret van geestesziekte (lees voor een realistische weergave van manische depressie liever The Marriage Plot van Jeffrey Eugenides of trek Six Feet Under nog eens uit de kast), het is een geslaagde romantische komedie over twee verliefde gekken.

En Tiffany? Absoluut een ongenuanceerde – want romantische – maar onvergetelijke ode aan de nerveuze vrouw. Waanzin vinden we nu eenmaal ook mooi.

De tentoonstelling Nerveuze vrouwen: Twee eeuwen vrouwen en hun psychiaters is tot eind mei te zien in Museum Dr. Guislain te Gent. Silver Linings Playbook draait nu in de bioscoop. De eerste twee seizoenen van Homeland zijn verkrijgbaar op dvd