Bitjes en batjes

Ziekte, zelfs zoiets onschuldigs als een stevige verkoudheid, vervult mij met een redeloze woede, waardoor ik de Youp van ’t Hek van mijn eigen leven word. Maar op de grootste mesthoop kan wel eens een roos groeien.

Het verkoudheidsvirus had nauwe griepverwanten, waardoor ik mij twee dagen achtereen grimmig achter de werktafel zette (‘Waarom blijf je niet liggen, schat?’ ‘Omdat de meeste mensen in bed doodgaan!’) om halverwege de middag als een geslagen hond terug te kruipen naar de slaapkamer. Te ellendig om te lezen, de afstandbediening van de tv in de ene hand en die van de decoder in de andere, ten prooi aan koortsige associatie-arabesken. Waarom wordt de nieuwe Peugeot 208 aangeprezen met Knockin’ on Heaven’s Door? Is het goed voor je haar om er cafeïne in te smeren? Waarom willen mensen mijn Facebook-vriend worden als ze niets dan hun, mij onbekende, naam prijs­geven? Is het gisteren of vandaag?

Herinneringen aan 1965, ziek en geen afleiding dan een boek (over een zeventiende-eeuwse jongen die op een piratenschip belandt) en behang met afbeeldingen van de allereerste auto’s: de Benz uit 1885, de Panhard, de Daimler, de Peugeot (die weer!). En koortsdromen over angstaanjagend opgezwollen fauteuils die traag schommelend op mij af komen.

Nee, toen waren we gelukkig.

‘Weet je’, zeg ik een paar dagen later tegen H. ‘Het heeft geen zin, verkoudheid.’

‘Ja, zo heeft het hele leven geen zin.’

‘Dat heeft het ook niet! Tegen de tijd dat je er iets van begint te snappen is het voorbij. Het is een idioot proces. Alsof je een huis bouwt en als het er eenmaal staat sloop je het. Intelligent design? Ik dacht het niet!’

Waarmee maar weer eens is aangetoond dat ziekte, zelfs zoiets onschuldigs als een stevige verkoudheid, mij met een redeloze woede vervult waardoor ik de Youp van ’t Hek van mijn eigen leven word.

Maar zelfs op de grootste mesthoop groeit wel eens een roos en zo doe ik dan toch nog een ontdekking.

Digitenne zuigt.

We hebben het een jaar, overtuigd door beloftes van enorm gemak, want draadloos en ­on-screen televisiegids en digitaal. ‘Goedkoop digitaal tv kijken in top kwaliteit!’ zegt kpn, op een website waar de spelfout nog fier zichzelf mag zijn. Misschien dat er daarom ook alleen maar positieve gebruikservaringen worden getoond van mensen die, net als kpn, bezig zijn de grenzen van de grammatica te verkennen.

Top kwaliteit.

In 1965, als ik niet ijlend naar mijn auto­behang lag te staren, was er op één net Swiebertje en ik kan mij niet herinneren dat het analoge signaal zo slecht was. We hebben met de digitenne-ontvanger geschoven en gedraaid, gevloekt en gesmeekt, maar televisie kijken is iets geworden met een hoog toevalligheids­gehalte. bbc-documentaires over de geschiedenis van Wales veranderen in Perzische pixeltapijten, tijdens het wereldkampioenschap snooker gaat het beeld op zwart als Shaun Murphy zich over drie banden uit een benarde positie piekert, en van zender wisselen is iets waarbij je het hele gezin van fris en knabbels kunt voorzien. Dit is geen televisie. Dit is video interruptus.

Digitenne is Digital Video Broadcasting Terrestial. Een gecomprimeerde stroom digitale informatie wordt vanaf zendmasten verzonden, opgevangen en gedecomprimeerd. Het inmiddels afgeschafte analoge signaal gebruikte net zo veel bandbreedte als zes digitale signalen. Daarom kunnen we meer zenders ontvangen met minder bandbreedte. De decoder is in staat tot een zekere mate van foutcorrectie, dus een gemist bitje hoeft geen probleem te zijn.

Maar er worden veel bitjes gemist. Als het regent. Als er een brommer voorbij komt. Als ik een boterham met kaas smeer. Als de ont in de verturving is.

Het is een ongelukkig toeval dat ik Oliver Sacks’ Hallucinations lees, waardoor behoorlijk wat verschillende werkelijkheden door elkaar lopen: de pixelguirlandes van digitenne, Sacks’ beschrijvingen van zijn nogal heftige drugs­gebruik in de jaren zestig en ten slotte bijna vergeten herinneringen aan dertig jaar geleden, toen ik ’s nachts een toneelstuk schreef, overdag werkte en nauwelijks sliep en op een bepaald moment de muur in de woonkamer zag bloeden. Zo heb je geen televisie meer nodig.

Ook wie niet ijlt heeft binnenkort geen televisie meer nodig, trouwens. Lamlendig achter mijn werktafel gezeten hoorde ik Sander Dekker, de nieuwe staats van Cultuur, de zoveelste hervorming van het omroepbestel aankondigen: ‘Ik wil niet naar allemaal ingewikkelde programma’s waar alleen maar een heel klein publiek naar kijkt.’

Het motto is: ‘Elke kijker telt.’

Ik leef al jaren in de veronderstelling dat ik helemaal niet tel. Misschien omdat Sander Dekker en ik met elkaar van mening verschillen over de interpretatie van het woord ‘ingewikkeld’. Per slot van rekening is hij een fan van Boer zoekt vrouw, een programma dat mij na dertig seconden bijna 112 deed bellen wegens levensbedreigende verveling.

Maar laat ik eerlijk zijn: de publieke omroep is al heel lang niet meer mijn intellectuele ‘watering hole’. De enige twee omroepen die nog voldoende enthousiasme in me weten op te wekken om de aan-knop in te drukken zijn meteen de twee meest onwaarschijnlijke: de Boeddhistische Omroep Stichting en Omrop Fryslân. Beide vanwege hun mooie, zorgvuldige, ­ongehaaste documentaires.

Alles bij elkaar denk ik dat de kans groot is dat ik over een jaar, als de ont definitief in de verturving is geslagen, in een boeddhistische leefgemeenschap in Tietjersteradiel woon.