Bittere grotesken

Til Brugman, Schijngehakt. Uitgeverij Vita, 123 blz., f24,50. Marleen Slob, De mensen willen niet rijpen. Uitgeverij Vita, 112 blz., f17,50.
Til Brugman schreef honderden grotesken, maar kon ze aan de straatstenen niet kwijt. Een miskend genie tussen dada en De Stijl - hoog tijd voor een rehabilitatie.

‘PETEMOEI DER letteren’ heet een satire die zich tussen de stapel nooit gepubliceerde grotesken en novellen van Til Brugman bevindt. Het verhaal geeft een meedogenloos beeld van een gewetenloze uitgever die zijn bedrijf op moderne Amerikaanse leest heeft geschoeid. Een naieve beginnende schrijver, die middels een contract zijn ziel en zaligheid aan de uitgeverij heeft uitgeleverd, wil iets uit zijn manuscript voorlezen. 'Bewaar me!’ blaft de uitgever. 'Wat u heeft geschreven, gaat me geen flikker aan. Ik lees u niet, ik druk u. Geen benul heeft u er van hoe wij zaken doen. Amerikaans. Amerikaanser dan Amerikanen. Heilige onnozelheid die dacht dat het op schrijven zus of schrijven zo aankwam!’ Wat die manier van zaken doen inhoudt, ontdekt de schrijver als hij de foto’s met niets verhullende bijschriften in de kranten ziet: 'Onze grootste schrijver neemt zijn bad’, 'bloed ener poestamoeder pulseert in zijn ranke polsen’, 'aan cocaine verslaafd’. Een andere foto toont hoe hij in een 'zijden sjamberloek’ een kolibri met een minuscuul zweepje leert als morgengroet een buiginkje te maken. De schrijver smijt de kranten woedend op de grond en schiet, als blijkt dat zijn boek een nieuwe, schandaleuze strekking heeft gekregen, de uitgever neer. Dat leidt ogenblikkelijk tot een nieuwe mediahype.
De satire is niet aleen met vooruitziende blik geschreven - het inspelen op de niet te stelpen gulzigheid van de media en de geraffineerde positionering van schrijvers zijn niet meer weg te denken uit het huidige boekenvak - maar geeft ook aan dat Til Brugman op gespannen voet met haar uitgevers heeft gestaan. Haar hele leven heeft ze met haar werk van uitgevershuis naar uitgevershuis moeten leuren. Toen ze in 1946, op 58-jarige leeftijd, in Nederland debuteerde met de roman Bodem: Marcus van Boven, Gods knaap, ontstonden er bovendien direct complicaties. Het boek werd door de katholieken wegens de anticlericale strekking in de ban gedaan, de Bezige Bij verbrak het contract met Brugman en de delen die op Bodem volgden bleven ongepubliceerd. Ondanks redelijke tot goede kritieken en de toekenning van de Novelleprijs van de gemeente Amsterdam en de Marianne Philipsprijs voor haar gehele oeuvre, wist ze voor veel van haar boeken geen uitgever te interesseren. De zelfgecreeerde mythe dat een schrijver voor zijn vijftigste niets van enige omvang moet publiceren - 'hoe langer je ’t laat liggen, hoe rijper je werk wordt’ - is dan ook niet van ironie ontbloot. Zeker als je je realiseert dat ze vanaf 1919, lang voordat ze haar werk aan de openbaarheid prijs gaf, als beroep 'letterkundige’ opgaf.
ER ZIJN NATUURLIJK allerlei redenen te bedenken waarom Til Brugman nooit is doorgebroken. De grotesken die ze in de jaren twintig en dertig schreef, waren allicht te experimenteel en te verontrustend. Haar latere romans en novellen waren misschien wel 'te rijp’: de grenzeloos optimistische levensfilosofie die eruit sprak en de nadrukkelijke ethische les die ze erin predikte, pasten niet meer in het naoorlogse literaire klimaat. Daarbij had haar oeuvre geen duidelijke signatuur - ze maakte naast speelse grotesken en zwaarwichtige romans ook klankgedichten, kinderboeken, essays en boekbesprekingen - en vertoonde haar werk, zoals De Groene Amsterdammer na haar dood in 1958 stelde, 'de grote veelzijdigheid, die een waarborg is voor miskenning’.
Evengoed zijn er redenen aan te dragen waarom Til Brugman sinds de jaren tachtig, vooral vanuit feministische hoek, volop belangstelling krijgt. Want ze was een flamboyante, eigengereide en originele persoonlijkheid. Ze was een van de weinige kunstenaressen die, ook al was het wat slaafs slovend op de achtergrond, deel uitmaakte van de internationale avant-garde aan het begin van de eeuw. Ze kende alles en iedereen, van Mondriaan tot Kandinsky, van Theo van Doesburg tot Kurt Schwitters, ze maakte de roemruchte dada-kruistocht door Nederland mee en ze leefde in Berlijn ten tijde van de Weimarrepubliek. Bovendien had ze een liefdesrelatie met de dadaistische kunstenares Hannah Hoch. En ze schreef, zoals gezegd, grotesken, een grillig genre dat in de Nederlandse literatuur zeer spaarzaam vertegenwoordigd is.
Na verschillende overzichtsartikelen in feministische tijdschriften is die belangstelling uitgemond in de publikatie van Schijngehakt, een keuze uit haar grotesken en novellen, in de reeks Erf Goed van feministische uitgeverij Vita, en in een kleine biografie door Marleen Slob. Haar grotesken zijn inderdaad vermakelijk, bitterzoet en bizar.
TIL BRUGMAN WERD in 1888 te Amsterdam geboren. Haar vader, een zachtaardige, erudiete man, was vertegenwoordiger in wijn en buitenlandse spiritualien. Haar moeder was zo fanatiek katholiek dat ze met opzet ketters personeel aannam: dan viel er nog wat te bekeren. Van haar vader erfde Brugman haar 'linguistisch talent’ - net als zij beheerste hij vijftien talen - en literaire begaafdheid; van haar moeder haar, weliswaar weinig katholieke, bekeringsdrift en principiele levenshouding. Want als er een constante in haar werk is aan te treffen, dan is het de sociaal-ethische strekking ervan.
Haar vrienden beschrijven haar als een vitale, felle vrouw, mannelijk in kleding en optreden, met een ongehoord brede kennis en belangstelling. Haar interesses slingerden heen en weer van de huiskat tot de met zijn geloof worstelende mens, van Engelse geschiedenis tot Chinese filosofie, van de nieuwste schilderkunst tot politieke theorie. Daarbij stak ze de ene sigaret na de andere op en reageerde ze heftig op alles. In de postuum uitgegeven bloemlezing Spiegel en lachspiegel karakteriseert Alfred Kossmann Til Brugman als een militante vrouw, 'kordaat in haar meningen, geneigd tot paedagogisch filosoferen, bereid om tot het uiterste te gaan in overtuiging en humor, beheerst door drift tot inzicht en een grillige, satirische fantasie’.
Op haar drieentwintigste werd Brugman het ouderlijk huis uit gezet. Ze woonde eerst in Amsterdam op kamers, later in Den Haag, en verdiende de kost als correspondente vreemde talen. Al in 1908 had zij Mondriaan leren kennen op dansles. Later kwam ze ook met andere kunstenaars rond De Stijl in aanraking, zoals Theo van Doesburg, J. J. P. Oud, Cornelis van Eesteren en Vilmos Huszar. Ze vertaalde artikelen voor De Stijl - uiteraard zonder naamsvermelding - en was vanaf begin jaren twintig commissionair en handelsreiziger voor het werk van Mondriaan, El Lissitzky, Hans Arp en Max Burcharz. Ze was ook de Nederlandse vertegenwoordiger van Kurt Schwitters’ eenmanstijdschrift Merz. En ze liet haar donkere, degelijke Haagse interieur door Huszar veranderen in een koele, geometrisch verantwoorde 'Compositie in Grijs’ - al werden de strakke lijnen van de Rietveldstoelen na verloop van tijd verzacht door kussentjes en werden tafeltjes met gehaakte kleedjes en potplanten bedekt.
MARLEEN SLOB beschrijft in haar biografie hoe de Stijl-principes een grote invloed op Brugman habben gehad. 'Er is een oud en een nieuw kunstbewustzijn. Het oude richt zich op het individueele. Het nieuwe richt zich op het universeele’, zijn de beroemde openingsregels van het eerste Stijl-manifest. Het voltooide kunstwerk moest niet meer herinneren aan de toevallige en particuliere grillen van de schepper. De anti-individualistische kunstopvatting van het constructivisme sloot aan bij Brugmans hang naar verbondenheid en collectieve inzet. En de hoop dat een nieuwe mens en maatschappij ontstaan dank zij de Stijl-kunst en de verworvenheden van techniek en wetenschap, moet Brugmans didactische drang hebben gevoed. Het lijkt me de vraag of Brugman de Stijl-denkbeelden in haar proza ook in praktijk heeft gebracht: de ouderwets opvoedkundige strekking van haar werk heeft weinig met het zuivere formalisme van De Nieuwe Beelding, zoals Mondriaan zijn abstracte kunst noemde, van doen.
De klankgedichten die Til Brugman maakte, berusten wel op de Stijl-principes. Ze leken sterk op de letterklankbeelden van I. K. Bonset, de dichtersnaam van Van Doesburg. Op een enkele publikatie in een avant-gardetijdschrift na, bleven Brugmans klankgedichten in de la. Slob wijt dat aan de vrouwonvriendelijke ideeen van de avantgardisten: het vrouwelijk werd door hen in verband gebracht met het verweekte, sentimentele, troebele en individuele dat moest worden overwonnen door het sterke, reine, geestelijke en universele mannelijke. De vileine passage over Brugman in een brief van Van Doesburg aan Oud is wat dat betreft onthullend: 'In Den Haag woont 'n klein monster, die voorgeeft homosexueel te zijn, maar die zoo vrouwelijk is als 'n pasgeboren baker, het heet Brugman. Het maakt z'n dagbezigheid daarvan, mij met Drek, Merde en geparfumeerde spermatozien in te smeren. Het schrijft mij boekdeelen in de geest van “Baas wat is er van je eieren”-Kif. Haar prulversjes vonden geen plaats in De Stijl (…). Ook dat soort lui vragen mij: wat is tegenwoordig de Stijlgroep.’
Het is niet toevallig dat Van Doesburg zo op haar afgeeft. Ook Hannah Hoch, die Brugman in 1926 via Schwitters ontmoette en met wie ze negen jaar een verhouding zou hebben, wordt kleinerend betiteld als het 'tuchtige Klebebild-Madchen’, het ijverige collage-meisje. Dada-chroniqueur Hans Richter herinnert zich haar voornamelijk als gastvrouw die ondanks nijpend geldgebrek altijd weer belegde broodjes met bier en koffie te voorschijn wist te toveren. Theorie - de avantgardisten predikten de gelijkheid tussen man en vrouw - en praktijk sloten nog allerminst op elkaar aan.
Hoch maakte spottende collages, fotomontages, schilderijen en tekeningen. Voor Brugman had ze een relatie met 'dadasoof’ Raoul Hausmann, de 'houwdegen van de dadapolemiek’, en maakte ze deel uit van het Berlijnse dadaisme. Vanaf 1926 begon Brugman onder invloed van Hoch - zij kende de filosoof Salomo Friedlander, die onder de naam Mynona al rond 1915 grotesken schreef - met het schrijven van 'soties’. In 1935 publiceerde zij bij V. O. Stomps - volgens Ohff in zijn boek over Hoch 'de handlanger van alle miskende genieen’ - Scheingehacktes, twee grotesken met tekeningen va Hannah Hoch. Voor het overige wordt het een eentonig verhaal: Til Brugman schreef honderden grotesken, maar kon ze aan de straatstenen niet kwijt. 'Mijn soties - die durven de uitgevers helemaal niet aan, want behalve verontrustend zijn ze bovendien kort en “wat kort is, gaat niet” zeggen ze’, verklaarde Brugman zelf.
'DE HUMOR VEROVERD op de bitterheid’, zo kenschetste Brugman haar 'soties’. In de diverse theorieen staat het groteske - behalve om een weinig beoefend genre gaat het veelal om een stijlkenmerk - voor een inbreuk op het klassieke ideaal. Het verhevene gaat daar hand in hand met het banale, het realistische met het fantastische. Een groteske geeft een uitvergrote, overdreven, vervormde werkelijkheid, waardoor de aanvaarde opvattingen over de werkelijkheid aan het wankelen worden gebracht. Daarnaast berust de groteske op de ongerijmde vermenging van het komische en het tragische. 'Een groteske kan pas gewaardeerd worden, als de mensen wat beleefd hebben en tot dieper inzicht zijn gekomen, zodat ze niet meer of alleen iets tragisch of iets komisch vatten, maar over kunnen gaan van ’t een in ’t ander’, zei Brugman ooit.
Maarten van Buuren weidt in zijn studie over het groteske in de literatuur, De boekenpoeper, uit over de verhouding van het groteske tot het realisme. De fantastische aspecten van grotesken botsen met de realistische conventies; tegelijk bezitten ze toch realiteit. Ze overtuigen als kwintessens van de werkelijkheid, als zeer geconcentreerde voorstelling van het wezen der dingen. Met de realiteit wordt een hyperbolisch spel gespeeld. Vandaar dat de groteske vaak wordt getypeerd als zowel fantastisch als realistisch.
In de grotesken van Brugman is de realistische inspiratie vaak eenvoudig te traceren, de ethische strekking duidelijk herkenbaar. Haar maatschappijkritiek treft aloude zaken als het burgerlijk familieleven en de kerk; ze hekelt daarnaast nieuwe tendensen als de toenemende lokroep van de reclame, de hoogmoed van de medische wetenschap en de modieuze vlucht die de seksuologie neemt. 'Hemelspeculatie’ bijvoorbeeld drijft de spot met de religieuze windhandel in zaligheid. Een schatrijke dame speculeert niet alleen met wissels en cheques, maar ook met de garantie op bovenaards geluk. Ze wordt lid van alle geloofsrichtingen tegelijk, wat een nogal vermoeiende aangelegenheid blijkt: als ze van Rome moet vasten, moet ze van Mekka feestmalen; moet ze van de pietisten opgewekt zijn, van de geselbroeders moet ze in fanatieke geloofsijver verkeren. 'Nauwelijks was ze op de tinnen van haar nieuwe, door linden omgeven minaret geklauterd, of het luidde alweer voor de een of andere vroegdienst of angelus. Voor het avondmaal diende ze zich eerst met een ingewikkelde lamaistische wervelsprong bezig te houden, tegelijk zonder zich te laten afleiden honderdmaal “ik word zalig, ik word zalig, ik word zalig” te zeggen, hierbij evenwel niet het stilzwijgen der koptische kluizenaars te breken.’ Als de dame sterft en alle religies haar lichaam opeisen is de chaos compleet.
In 'Reclamehypnose’ gaat een man gebukt onder 'het Amerikanisme der kwantiteit’. Als hij zich - 'geestelijk volmaakt gezond’ - in de hoofdstad vestigt, raakt hij volkomen geobsedeerd door de in grote hoeveelheden uitgestalde waar. Hij koopt hele etalages leeg. In 'Liefdeswarenhuis’, dat niet in Schijngehakt is opgenomen, maar ooit werd gepubliceerd in een aan Brugman en Hoch gewijd themanummer van Lust & Gratie, wordt een lachwekkend beeld geschetst van Magnus Hirschfelds Institut fur Sexualwissenschaft. Het Berlijnse instituut dat in 1919 werd opgericht en dat was gespecialiseerd in alle denkbare seksuele varianten, sprak tot ver na zijn gewelddadige ontruiming in 1933 tot de verbeelding. Brugman voert een oude dame op die een eenvoudige rijbroek van een doodgewone cavalerist zoekt, 'gegarandeerd uit de laatste oorlog’, een oude heer die uit is op roze kinderachterwerken van rubber, een gymnasiaste die zich opsluit in magazijn twee waar de Priapapa zich bevinden en een tachtigjarige wees die Oedipuscomplexen van papiermache vraagt. De sterkste spot treft een van de hoge heren van de regering die een po op zijn hoofd wil dragen in plaats van een hoge hoed. Burgman zinspeelt hiermee op het nazisme, want de hoge heer leidt later een inval van het liefdesmagazijn omdat het de mensen stimuleert vrijblijvend in het rond te 'spermatiseren’ in plaats van kinderen te verwekken. Als het magazijn miljoenen celluloid kinderen voor de oorlog belooft, bindt hij in.
SOMMIGE VAN BRUGMANS grotesken bekritiseren de verhouding tussen man en vrouw. Iets wat Hannah Hoch ook deed in fotocollages als 'Starke Manner’, 'Dompteuse’ en 'Marlene’. 'Marlene’ toont bijvoorbeeld twee weergaloze vrouwenbenen die hooggepumpt vanaf een klassieke sokkel de lucht in steken. Twee mannen staren er verblind naar. U begrijpt: Hoch laakt de voyeuristische mannelijke blik. Brugmans 'Hemeliaq’ heeft een vergelijkbare strekking: een daadkrachtige Pygmalion vormt zijn geliefde zo naar zijn ideaalbeeld dat ze uiteindelijk louter mechaniek is. Het loopt uit de hand als hij haar schakelpaneel verkeerd bedient. In 'Tempora leren mores’ wil een oude vrouw haar bejaarde echtgenoot opnieuw bekoren door een drastische verjongingskuur te ondergaan. Ze is zo scheutig met de verjongingszalf dat ze onder zijn ogen van rijpe vrouw tot stralende jonge deerne tot zuigeling tot bevruchte eicel metamorfoseert.
Al is het procede van Brugmans grotesken voorspelbaar - de overdrijving leidt uiteindelijk tot absolute ontsporing - en al kan je ze nu niet meer als verontrustend zien, orgineel en curieus zijn ze nog steeds. Ze rechtvaardigen zonder meer haar rehabilitatie. Van haar andere werk moet echter worden gevreesd dat het onleesbaar is - zelfs haar welwillende biografe geeft toe dat haar uitbundig archaische stijl onverteerbaar is. De proeve daarvan, het verhaal 'Vol van genade’ waar Schijngehakt mee besluit, wordt inderdaad door een wirwar van verouderde stijlbloempjes overwoekerd.