A.H.J. DAUTZENBERG VOGELS MET ZWARTE POTEN KUN JE NIET VRETEN

Bittere humor

A.H.J. Dautzenberg, Vogels met zwarte poten kun je niet vreten, 19,95

Van alle openingszinnen in A.H.J. Dautzenbergs verhalenbundel Vogels met zwarte poten kun je niet vreten, is deze wellicht de meest memorabele: ‘Dat zijn vader zulke mooie billen heeft, is hem nooit eerder opgevallen.’ Zo begint het verhaal Gluckauf!, een krankzinnige vertelling over ene Ralf, een introverte en in zijn dichterlijke aspiraties geknotte jongen die binnen het bestek van negentien pagina’s niet alleen een erotische obsessie voor zijn vaders bilpartij ontwikkelt, maar ook tot twee keer toe een lichamelijke metamorfose doormaakt, eerst tot vrouw - inclusief naamverandering: Monique - en uiteindelijk tot een keffend hondje. Ondertussen heeft Ralf ook een ontmoeting met een mysterieuze mijnwerker die gekomen is om Ralfs maatschappelijke onaangepastheid met het mijnwerkersbestaan te verbinden: 'Je mist de sociale vermogens om in het licht te werken, dat lijkt mij duidelijk. Duisternis, daarin ben je pas jezelf. Tussen gelijkgestemden.’ De ruimtes tussen deze extremen worden opgevuld met een stekelig portret van een disfunctioneel gezin - moeder probeert haar kanker en ander onheil te bezweren met loos gebabbel, vader is een kleinburgerlijke en angstige sul.

Dergelijk doorgeslagen absurdisme kenmerkt deze prettig anarchistische bundel. Een jongen krijgt voor Kerst twee kleine, glimmende negertjes die ter zijn vermaak een worstelpartij zonder eind uitvechten. Een vrouw wordt op een dag wakker en ontdekt tot haar grote verbazing dat uit haar rug een kraan is gegroeid, waaruit daadwerkelijk water stroomt. Geen nood, de kraan kan dienst doen in een door droogte geteisterd land, en dus trekt de dame in kwestie samen met haar lief naar Mauritanië, waar hun nobele intenties een gewelddadige respons oproepen. In een andere proeve van Dautzenbergs ongebreidelde fantasie lezen we over ene Henri, die op zijn dertigste eindelijk de amour fou leert kennen - voor een gele puincontainer: 'De puincontainer blijft hem aanstaren, op een uiterst geheimzinnige manier. Misschien moet hij maar eens kennis gaan maken.’

In zijn nawoord brengt Dautzenberg een saluut aan enkele literaire grootheden die maatgevend zijn geweest voor de bundel. En inderdaad, de verhalen bulken van het reviaans katholicisme, het kafkaëske surrealisme en het hermansiaanse sadisme. Ook de meester van het gore en bloederige detail, Bret Easton Ellis, doet zijn invloed in deze bundel gelden. In een verhaal als Eerst de rituelen of No Limit krijgt de martelzucht ruim baan in schilderingen die ongeschikt leesvoer zijn voor de teerhartige ziel. Met veel van deze auteurs deelt Dautzenberg ook een fascinatie voor perversies, wat duidelijk naar voren komt in maagomkerende verhalen als Jurgen en Droom (steekwoorden: poepseks, Majoor Bosshardt).

Een andere thematische constante in de bundel is het kantoorbestaan. In deze strafhiërarchische biotopen, waar geen druppel poëzie te bekennen is, eindigen personages raaskallend in het park, of worden tijdens een plaspauze ontvoerd door eskimo’s. Het klinkt als een melige grap, maar Dautzenberg weet deze onnavolgbare wendingen aannemelijk te maken door het uitermate verstikkende beeld dat hij van het bestaan in vergaderruimtes weet te schetsen: uit zo'n wereld kan weinig anders voortkomen dan radicale gekte.

Humor van het rauwe, bittere soort is Dautzenbergs belangrijkste stijlmiddel. Het zal niet naar ieders smaak zijn, maar vast staat toch wel dat er een zekere onverstoorbaarheid voor nodig is om in een verhaal over een publieke steniging in Somalië het volgende op te merken: 'Het verbaast me dat we er gewoon naartoe kunnen lopen - entree hebben we ook al niet hoeven betalen. Waarschijnlijk zijn de culturele activiteiten in Somalië gesubsidieerd, al dan niet met ontwikkelingsgelden.’ Uit de overdreven uitvergroting van andermans leed klinkt toch stiekem een afkeurende moraal.

De bundel telt ook een klein aantal ingetogen verhalen. Ze puilen niet uit van de rariteiten, maar behouden wel een onmiskenbare Dautzenberg-bite. Exemplarisch hiervoor is het verhaal Bingo!, een sloom voortkabbelend verslag van een bingoavond in een bejaardentehuis dat een korte, maar hevige deining kent als de ene bejaarde tegen de andere bejaarde opmerkt: 'Als u een breezer voor mij bestelt, mag u mij straks neuken.’ Jevgenia is ook een - in de context van deze verhalenbundel - verstild verhaal, ditmaal over een weemoedig Pools meisje, Jevgenia, een jonge verdwijningskunstenaar: 'Ze sluit haar ogen, haalt diep adem, concentreert zich en krimpt, krimpt, krimpt… totdat ze in het nisje past.’

Maar de obscuurste verhalen in deze bundel zijn niet die die met fysieke of geestelijke abnormaliteiten zijn volgestopt; het zijn de hermetische woordkathedralen die naar niets anders lijken te verwijzen dan naar zichzelf. Een verhaal als Vasteloavend gebruikt het Venlose volksfeest als een opstapje naar quasipoëtische rimram: 'De door panikerende hormonen op hol geslagen elektronen houden mij gevangen in een tralie van vruchtbaar licht.’ Ook het verhaal Een veelpleger dus bestaat grotendeels uit onzinnige kletspraat. Dit klinkt als een obligaat kritiekpuntje in een verder juichende bespreking, maar dat is het niet, want het opmerkelijke is dat deze stroperige verhalen weinig afbreuk lijken te doen aan de bundel. Het versterkt eerder de eigenzinnigheid ervan. Dautzenberg wil ons al zijn grimmig poëticaal kunnen tonen, daar hoort het tarten van ons geduld ook bij. Het is brutaal, verfrissend brutaal.