Hillebillie Veen van Nanna Tepper

Bittere schoonheid

Nanne Tepper

De avonturen van Hillebillie Veen

Uitg. Contact, 112 blz., € 9,95

Hoe beschrijf je een wereld die iedereen denkt te kennen? Een roman over cocaïne smokkel in Guatamala, tja, die levert op voorhand niet al te veel problemen, lezers weten toch niet hoe zoiets er in werkelijkheid uitziet, dus zijn ze al snel tevreden met een paar verbluffende en daarom geloofwaardige details en de rest kun je als schrijver rustig bij elkaar fantaseren. Maar zodra je iets wilt schrijven over een reële wereld die iedereen kent of gekend heeft, stapelen de problemen zich op. Hoe bijvoorbeeld te schrijven over een middelbare school in een stadje in Nederland? Hoe te schrijven over een eerste liefde? Een schrijver die dat onderneemt, komt voor een afgrond aan vooroordelen te staan over leraren, leerlingen, ouders, provinciescholen, ambities, verliefdheden en seks. Hoe slaag je erin zo’n roman als een schrijver te schrijven, en dus niet als een socioloog die een maatschappelijk model aan lezers wil opdringen? Hoe maak je er geen psycho- en sociohutspot van, met beelden erin die iedereen al van de soapseries kent, met meningen die men elkaar nazegt in praatprogramma’s en in dag- en weekbladen? Kortom, hoe sla je schoonheid uit stof? Dit is de vraag waar iedere schrijver op een dag voor komt te staan als hij het bekende onder handen neemt.

Nanne Tepper ging de uitdaging aan en produceerde een kleine roman van bittere, bittere schoonheid. Een ambitieuze roman, niet qua omvang, dit werk telt niet meer dan 112 pagina’s, maar wel ambitieus in visie, inhoud en stijl. Hij demonstreerde al in De eeuwige jachtvelden (1995) hoe je een jeugd in een specifieke streek van Nederland, van Groningen om precies te zijn, scherp en wars van dédain kan neerzetten. In De avonturen van Hillebillie Veen beent hij dit beeld van een jeugd verder uit, liefdevol en meedogenloos, zoals het in de ware literatuur past en moet. Tepper volgt het leven van Hille Veen, figurant in De eeuwige jachtvelden, jeugdig bewoner van Veendam, opstandige leerling, «bink», dwarskop, wanhopig minnaar, drager van cowboylaarzen en scherpzinnig waarnemer van het menselijk circus.

Het begint erop te lijken dat Tepper iets onderneemt of begint te ondernemen dat verwant is met wat Faulkner vanaf de jaren dertig van de vorige eeuw voor het zuiden van de Verenigde Staten ondernam: een encyclopedie schrijven van een samenleving aan de rand van wat men het centrum pleegt te noemen. Faulkner zoomde in op figuren uit die samenleving, gaf ze een stem, een verhaal, maakte ze hoofdfiguur in de ene en figurant in de volgende roman. Natuurlijk, Faulkner schreef anders, zijn beeldspraak is anders, de toon en stijl verschillen, maar de inzet en het programma komen overeen: een vergeten wereld oproepen, vasthouden, aankleden, ernaar laten kijken, niet om die te bewonderen, maar om haar niet te vergeten. Zoals ook Mark Twain in De avonturen van Huckleberry Finn, een vergeten wereld, de slavenwereld, oproept; niet om haar te bewonderen, niet uit nostalgie dus, maar om haar te laten zien. Tepper toont zich schatplichtig aan deze grote roman, in de titel en in de «kennisgeving» die hij voor in het boek zet en die beide bijna letterlijk aan Twains boek zijn ontleend. Maar ook in mentaliteit en ambitie.

Tepper is in staat met enkele beelden en in enkele zinnen een complete wereld op te roepen, met figuren die direct voor je staan. Zie bijvoorbeeld de beschrijving van de middelbare school in Veendam: «Ach, hoe herinner ik me die dagen! Een school met vijftienhonderd leerlingen, een vloed van kinderen die in de pauzes het centrum overspoelde, als was Veendam een strand waarop geboortegolven beukten.» De manier ook waarop hij schoolfeesten beschrijft, leraren neerzet, nooit wegwerpend of hooghartig, altijd beeldend en gedurfd. Het kost Tepper gewoonweg moeite zijn zinnen geen bijzondere draai te geven, hij geeft ze altijd net een vertekening die zo’n zin bijzonder maakt, een gedurfd woord of beeld, een kleine verschuiving die deze taal boven het alledaagse vertelwerk uittilt, omdat hij weet dat alleen op deze manier Veendam volledig in het licht kan komen te staan. Schoonheid wordt in stijl beslist, niet in verhalen. Geen mooischrijverij bij Tepper overigens, schrijven dus om het mooie erbij af te likken, maar een grote afwisseling: vaak elegant en lyrisch, maar ook met plompverloren zinnen of dwarse, beeldend tot en met, evocatief en gedurfd, dan weer sardonische en schmierende zinnen. Opdat ook wij Veendam ons te binnen kunnen brengen.

En dan is daar nog Yvonne, briljante puber en schuinsmarcheerster, stuitjesloze neukkont. Hille en Yvonne, een nieuw onvergetelijk koppel in de letteren, Anton Wachter en Ina Damman voorbij. «De zomer kwam, en wij waren een legende», laat Tepper ergens Hille Veen tegelijk ironisch en volkomen gerechtvaardigd noteren. Tepper weet van een verliefdheid, nee, van een brandende, noodzakelijke en wanhopige liefde tussen twee Veendammers iets diep ontroerends te bakken, iets dat wat erotisch stilistisch repertoire en wanhopig verlangen betreft ver uitstijgt boven wat ik in jaren in de Nederlandse literatuur heb gelezen. «Haar kont keek mij aan, haar vingers kneedden het snuitje van haar papegaaienkut, maar mijn blik vergreep zich aan het volmaakte spoor van wervels op haar diepbruine rug dat vroeger was dood gelopen in die maar durende knipoog.»