De prikkledraadfoto was nep, maar het mag niet gezegd

Bizarre smaad

ITN’s ‘prikkeldraadbeeld’ uit Bosnië — dat de hele wereld over ging — is wel degelijk te beschouwen als vervalsing. Het Britse tijdschrift LM, dat net als De Groene een artikel plaatste waarin dat werd aangetoond, verloor echter een smaadproces dat ITN aanspande en is nu failliet. ‘De rechter zei dat LM de feiten correct had weergegeven, maar dat dat niet terzake deed.’

‘HET DUURDE een paar dagen voordat ik het wilde geloven: de foto uit Bosnië die waarschijnlijk de grootste bekendheid heeft gekregen, is een vervalsing.’ Aldus opende medewerker Thomas Deichmann zijn artikel op 22 januari 1997 in De Groene Amsterdammer, waarin hij de bekende opname van Bosnische moslims achter prikkeldraad ontmaskerde als een vervalsing. Dat wil zeggen: hij onthulde de manier waarop die opname tot stand was gekomen en de onheuse wijze waarop hij door de makers (een filmploeg van de Britse maatschappij ITN) en andere grote media werd misbruikt om de Servische kampen in Bosnië te vergelijken met de nazi-kampen.


Op welk punt de waarheid overging in verdichtsel was niet precies vast te stellen. Dat zal wel voor altijd onmogelijk zijn, want met uitzondering van Deichmann zelf hebben de betrokkenen herhaaldelijk hun versie van de gebeurtenissen aangepast. Maar Deichmann heeft bewezen dat er een overgang was: dat het betreffende kamp, Trnopolje, een doorgangskamp was en geen concentratiekamp; dat niet de gefilmde mannen achter prikkeldraad stonden, maar de filmploeg van ITN. Fikret Alic, wiens uitgemergelde bovenlijf het symbool van Servische wandaden en zelfs van de hele Balkanoorlog werd, zag er al voor het uitbreken van de gewelddadigheden beroerd uit. De vraag of de betrokken journalisten ten koste van alles op zoek waren naar sensatiebeelden, kunnen alleen zij beantwoorden.



DE ITN-PLOEG, bestaande uit de journalisten Penny Marshall en Ian Williams en hun cameraman, werd begeleid door reporter Ed Vulliamy van The Guardian. Zij waren door de Servische leider Radovan Karadzic persoonlijk uitgenodigd om de Servische kampen te bezoeken en hadden een vrijgeleide gekregen. Er circuleerden hardnekkige geruchten dat de Serviërs er verkrachtings- en vernietigingskampen op nahielden. Karadzic dacht misschien dat zijn uitnodiging de beste methode was om die geruchten te ontzenuwen. Het tegendeel bleek het geval. Marshall schreef later in een dagbladartikel dat haar meerderen opdracht hadden gegeven geen beelden naar het hoofdkwartier terug te sturen voordat zij bewijzen van het bestaan van zulke kampen hadden gevonden.


Hoe dan ook, op de dag van de bewuste opname, 5 augustus 1992, was Trnopolje geen concentratiekamp. Het was een verzamelplaats voor Bosnische moslims afkomstig uit andere kampen of verjaagd uit hun huizen in de omgeving van Trnopolje. De Britse Liberaal-Democratische leider Paddy Ashdown, die het kamp enkele dagen na de ITN-ploeg bezocht, beschreef in een artikel in The Independent (13 augustus 1992) hoe het kamp functioneerde: ‘Ze hebben zich hier verzameld omdat ze toch ergens naartoe moeten. Hun huizen zijn verbrand en hun levens bedreigd. Moslimextremisten zetten de mannen onder druk om zich aan te sluiten bij de guerrilla’s, dus zijn ze hierheen gekomen voor hun veiligheid. Maar in de laatste nachten is het kamp overvallen door Servische extremisten die hen slaan, beroven van het laatste beetje wat ze hebben en, naar wordt beweerd, hun vrouwen verkrachten. Het gaat nu weer iets beter.’


Deichmann toonde aan dat er geen prikkeldraad rondom het kamp stond, maar wel rondom een naburig terreintje met een schuur en een transformatorhuisje. Dat terreintje maakte geen deel uit van het kamp, het was verwaarloosd en er zat een gat in de omheining. De ITN-ploeg verschafte zich toegang tot het stukje grond en filmde vanachter het prikkeldraad groepjes verzamelde mannen. De vermagerde Alic werd naar voren gehaald. Zijn beeltenis ging de hele wereld over, de toon werd al in de eerste dagen gezet. De Daily Mirror kopte enige dagen later, naast de bewuste foto: ‘Het plaatje dat de wereld beschaamt.’



HET ARTIKEL viel midden in een ontluikende controverse in redactiekamers en journalistenbars, zowel op de Balkan als in het veilige Westen. Journalisten als Deichmann, Brock, Merlino en Ophüls hebben, ieder op hun eigen manier, de discussie aangejaagd. Die discussie ging over de vraag wat de rol van journalisten in oorlogs- en crisisgebieden moet zijn. Moeten we in een conflict partij kiezen op grond van persoonlijke overtuiging, bijvoorbeeld uit betrokkenheid bij de onderliggende partij? Dat kan betekenen dat de goede zaak een vervalsing waard is, misschien wel twee, of eigenlijk talloze vervalsingen. Moeten we niet eerder partij kiezen voor de slachtoffers van alle partijen, ongeacht nationaliteit of veronderstelde schuld? Of moet een journalist in alle omstandigheden allereerst de waarheid boven tafel brengen, ongeacht de politieke en menselijke gevolgen? En zo ja, is dat geen vlucht in de abstractie, of erger nog, een uiting van onverschilligheid of beroepscynisme?


ITN achtte die discussie ongewenst en nam een historische stap: voor het eerst klaagde een groot medium een ander medium aan. ITN beschuldigde het Britse blad Living Marxism (LM), dat Deichmanns artikel kort na De Groene had afgedrukt, van smaad en beriep zich daarbij op de beruchte Britse smaadwetgeving (libel law). Na een langdurige en voor LM onbetaalbare procedure zijn het blad, hoofdredacteur Mick Hume en eigenares Helene Guldberg vorige week veroordeeld tot een boete plus schadevergoeding van meer dan twee miljoen gulden. Ze zijn nu zakelijk en persoonlijk failliet, de website van LM is uit de lucht gehaald.


ITN liet onmiddellijk een verklaring uitgaan met de strekking dat Deichmanns artikel in de rechtszaal was weerlegd. Vulliamy schreef in The Guardian een schuimbekkend artikel tegen Deichmann, LM, Hume en al degenen die hen hadden gesteund, ongeacht om welke reden. Zijn stuk wemelt van de onbewezen terzijdes en verdachtmakingen, alsof de smaadwet waarop hij zich in de rechtszaal had beroepen alleen gold voor LM, niet voor Ed Vulliamy of The Guardian.


In Nederland meldden dagbladen het nieuws zonder kennis te nemen van de toedracht, de getuigenverklaringen of de rechterlijke uitspraak. ‘Toch concentratiekamp’, kopte Het Parool, terwijl de vraag naar de aard van het kamp niet eens in de rechtszaal aan de orde werd gesteld. De Volkskrant verwarde Trnopolje met Omarska, een ander Servisch kamp, maar wist wel te melden dat ‘het communistische LM geen onverdachte bron’ was. Deichmann was dat eigenlijk ook niet, aangezien hij ‘als getuige-deskundige was opgetreden bij het oorlogstribunaal’. De balkanisering van de publieke opinie is ook hier nog in volle gang.



WAT WAS NU de werkelijke toedracht? Deichmanns stelling aangaande het prikkeldraad rondom het kamp Trnopolje werd in de rechtszaal wederom bewezen, mede dankzij vertoning van filmbeelden die hij bij zijn oorspronkelijke onderzoek had gebruikt. Een filmband van ITN die meer uitsluitsel had kunnen geven, bleek spoorloos uit het ITN-archief ‘verdwenen’. De getuigen van ITN bleken allemaal opvallende geheugenlacunes te hebben. De rechter bevestigde daarentegen de juistheid van Deichmanns bevindingen, hetgeen leidde tot bizarre taferelen. BBC-commentator Nick Hyham concludeerde na afloop: ‘De rechter zei dat LM de feiten correct had weergegeven, maar dat dat niet terzake deed.’


Waarom is LM dan toch veroordeeld? De reden is even eenvoudig als — vanuit journalistiek oogpunt — bespottelijk. LM is veroordeeld omdat het artikel niet aantoont dat er kwaadaardige opzet in het spel was toen de ITN-ploeg de omstreden opnamen maakte en toen de maatschappij deze vervolgens in een wereldwijde campagne gebruikte. In de woorden van rechter Morland: ‘Juryleden, u bent misschien van mening dat het in een democratische samenleving van vitaal belang is dat journalisten onverschrokken verslaggevers zijn. U bent misschien van mening dat het van het allergrootste belang is dat zij nauwkeurige en eerlijke verslaggevers zijn. Het is terecht dat één journalist, als hij meent dat een andere journalist onnauwkeurig, oneerlijk en misleidend te werk is gegaan, dat ook zegt. Maar de hamvraag in deze zaak is, of de beklaagden hebben bewezen dat Marshall en Williams opzettelijk — ik benadruk dat woord “opzettelijk” — misleidende televisiebeelden hebben samengesteld.’