De poreuze grenzen van Kosovo

‘Biznis is biznis’

Iedere nacht rijden smokkelaars over de bergen van het Servische Novi Pazar naar Kosovo. Olie, drugs en vrouwen gaan illegaal de grens over, maar ook tomaten, kippenbouten en chocola. Op pad met Osman en Safet. ‘Voordat je het weet ligt je kop eraf.’

‘Kijk, hier is een vrachtwagen naar beneden gestort.’ Osman tikt tegen het raam en trapt op de rem. ‘Die chauffeur heeft het niet overleefd, natuurlijk.’ Hij stapt uit en tuurt het ravijn in. ‘Hmm, je ziet er niks meer van. De brokstukken zijn inmiddels helemaal overgroeid.’ Safet is ook uitgestapt, maar die hoeft het niet per se te zien. Hij leunt tegen het portier van de oude Mercedes en speelt wat met z’n mobiele telefoon. ‘Laten we verder gaan’, mompelt hij. Osman gaat weer achter het stuur zitten, maar trapt tweehonderd meter verderop opnieuw op de rem. Een plakkaat langs de kant van de weg. ‘Milentijevic Miloica 1934-1994’ staat erin gegraveerd, onder een kruis en een foto van een man met een enorme bril. ‘Ook met z’n auto naar beneden gedonderd’, zegt Osman. Safet schudt z’n hoofd.

De thermometer in de auto geeft 48 graden aan. Safet draait aan de volumeknop van de radio. Traditionele Balkan-muziek klinkt nu nog harder uit de boxen. ‘Vind je dit een hobbelige weg?’ vraagt hij terwijl hij zich omdraait en nog een slok van zijn Pils Plus neemt. ‘Dit is nog niet eens het begin! Dat zul je straks wel merken, als we echt in de bergen zijn.’ Zojuist heeft Osman het verkeersbord met Kosovoska Mitrovica, rechtsaf, genegeerd. Het stadje Mitrovica in Kosovo is het einddoel, maar Osman rijdt rechtdoor, langs een ziekenhuis, een voetbalveld en een Servisch-orthodoxe kerk. Vlak na een verlaten militaire basis aan de onverharde weg begint de radio te kraken. ‘Kijk nu maar eens op je mobiele telefoon’, gebiedt Safet. Hij haalt z’n eigen oude Nokia uit z’n broekzak. ‘Geen bereik’, constateert hij. ‘Ik zei het toch. Vanaf hier zijn we afgesloten van de buitenwereld.’

Iedere bocht, ieder gat in de weg kennen Osman (29) en Safet (32) van de sluiproutes tussen Novi Pazar en Kosovo. Al jaren rijden ze door de bergen, iedere nacht. Thuis of in een café wachten ze het telefoontje af van hun baas, dat de kust veilig is en de bestellingen zijn gedaan. Zo rond een uur of tien kunnen ze meestal wel vertrekken, het liefst met meerdere wagens tegelijkertijd. Als ze geluk hebben zijn ze om een of twee uur ’s nachts weer thuis. Maar met een beetje pech is er ergens oponthoud, en keren ze pas terug als de zon al weer aan de hemel is verschenen. Als ze überhaupt terugkeren, want de politie treedt steeds harder op tegen smokkelaars. ‘Tegenwoordig zien ze ons niet meer als gewone smokkelaars, maar als onderdeel van de georganiseerde misdaad’, zegt Safet. ‘De straffen voor georganiseerde misdaad zijn veel zwaarder.’

Novi Pazar ligt in het zuiden van Servië en heet niet voor niets ‘Nieuwe Bazaar’. Het is een van de schakels tussen het Midden-Oosten en Europa, en kent een eeuwenoude geschiedenis van handel en bedrijvigheid – legaal en illegaal. Dat laatste vooral in roerige tijden, zoals bij het uiteenvallen van Joegoslavië en de recentere grensconflicten rondom Kosovo. Servische olie wordt dagelijks naar het noorden van Kosovo gesmokkeld, en Albanese vrouwen en Afghaanse drugs gaan juist de andere kant op, veelal in de richting van de Europese Unie. Maar ook simpele levensmiddelen voor de lokale markt, zoals tomaten, kippenbouten en chocola worden in grote hoeveelheden de poreuze grenzen over getransporteerd. Vrachtwagens, minibusjes en personenauto’s scheuren de hele nacht door over de Save Kovacevica, de hoofdstraat van Novi Pazar. In het stadje is het nooit stil.

‘Smokkel is een groot probleem’, erkent Samir Kachapor, directeur van de organisatie voor economische ontwikkeling van de Sandzak-regio, waar Novi Pazar onder valt. ‘We zijn de minst ontwikkelde regio in Servië, de werkloosheid is enorm. Mensen gaan op zoek naar alternatieve bronnen van inkomsten.’ Hij wijst uit het raam van zijn kantoor naar de bergen die het stadje omringen. ‘Kosovo is heel dichtbij, hemelsbreed nog geen vijf kilometer hiervandaan. Maar je doet er zeker anderhalf uur over, als je in één keer door kunt rijden tenminste.’ De afgelopen jaren is het aantal vrachtwagens dat Novi Pazar telt verveelvoudigd. ‘Inmiddels zijn er zo’n drieduizend geregistreerd. En dat op een inwoneraantal van nog geen 125.000.’ Een deel daarvan rijdt netjes over de officiële grensovergangen Kosovo binnen, benadrukt hij. Maar de rest – hoeveel precies is onbekend – neemt ‘alternatieve routes’, zoals de directeur het eufemistisch uitdrukt.

Ooit was Novi Pazar befaamd om zijn spijkerbroeken, die in heel Joegoslavië werden gedragen. ‘We waren het handelscentrum van de regio’, vertelt Kachapor. ‘Niet alleen spijkerbroeken, maar ook sokken, ondergoed, T-shirts, schoenen, alles werd hier gemaakt. Van verre kwamen zakenlieden en particulieren om hier inkopen te doen, op marktdagen lagen de oevers van de Raska-rivier vol kleding. Er was werk voor iedereen.’ Maar de oevers van de rivier liggen er inmiddels verlaten bij. Vanaf de jaren negentig ging het bergafwaarts, toen onder Milosevic veel van de staatsbedrijven werden geprivatiseerd. De meeste gingen niet veel later failliet; werknemers werden massaal ontslagen. ‘Sommige van die werknemers zijn onafhankelijk verder gegaan en hebben eigen merken opgericht. Maar de meesten kozen ervoor bekende merken na te gaan maken, vaak in hun eigen kelders en onder beroerde arbeidsomstandigheden.’ Een tijdje ging dat voortvarend en was Novi Pazar bekend om z’n goedkope namaakproducten. Maar dat is nu ook voorbij. De regels zijn strenger geworden en de concurrentie uit Azië neemt toe.

Kachapor wordt er zo langzamerhand een beetje moedeloos van. Op de markt in het centrum staan nog een paar kraampjes met Tommy Hilfiger-broeken en Armani-T-shirts, en om de hoek van zijn kantoor verkoopt een man onderbroeken vanaf de motorkap van zijn auto. ‘Mensen moeten inzien dat we de strijd om textiel hebben verloren. We produceren nog maar vijf procent van wat we produceerden in het Joegoslavië-tijdperk. Een paar lokale merken zijn sterk, die zouden actief moeten worden op de internationale markt. De rest zou eigenlijk iets anders moeten gaan doen.’ Kachapor heeft zijn hoop vooral gevestigd op de agrarische sector en op het toerisme. Met geld van de Europese Unie is hij dit jaar nog in Nederland geweest, onder meer naar Putten en Tilburg, om te kijken hoe die sectoren zich daar ontwikkelen. ‘We willen graag bij de Europese Unie horen, maar ik heb wel gezien dat we dan nog veel moeten veranderen.’ Zowel de landbouw als het toerisme is in Novi Pazar vooralsnog totaal verwaarloosd, terwijl het aantal geregistreerde vrachtwagens jaarlijks blijft toenemen.

Op de bergweg richting Kosovo bonkt de oude Mercedes ondertussen alle kanten op. ‘Een fourwheeldrive zou hier natuurlijk beter zijn’, zegt Osman, terwijl hij met één hand aan het stuur de grootste gaten probeert te ontwijken. Zijn andere hand gebruikt hij afwisselend voor een blik bier of een sigaret, of om te schakelen tussen de eerste en tweede versnelling. ‘Maar een fourwheeldrive heb ik nou eenmaal niet. In de winter is het nog veel erger. Mijn auto is wel eens kapot gegaan omdat er iets in de motor was bevroren. Daar sta je dan met min twintig, midden in de nacht. Pikkedonker, geen bereik op je telefoon en niemand te bekennen. Pas de volgende ochtend kwamen vrienden me zoeken. Ik was zelf ook bijna bevroren.’ Osman is niet de enige die wel eens vast komt te zitten in de bergen. ‘De meeste grote vrachtwagens gaan via een andere smokkelroute naar Kosovo, die grotendeels geasfalteerd is. Maar de kans op politiecontrole is daar groter. Er zijn chauffeurs die dat risico niet willen lopen en dezelfde weggetjes nemen als wij. Ook als het vriest en de sneeuw is samengeperst tot een dikke laag ijs. Levensgevaarlijk.’

‘Wie geen rijbewijs C heeft, is geen echte Bosnjak’, wordt in Novi Pazar wel eens gegrapt, omdat welhaast iedereen op z’n minst een minibus lijkt te kunnen besturen. Bosnjak is de benaming voor de dominante bevolkingsgroep in de Sandzak-regio, die zowel Slavisch is als moslim. Een uitzonderlijke combinatie in een regio waar de meeste mensen ofwel Slavisch en christelijk zijn (Servië), ofwel moslim en Albanees (Kosovo). Daarmee bekleden de Bosnjaks een bijzondere positie: ze worden door beide partijen niet volledig geaccepteerd, maar evenmin als voornaamste vijand beschouwd. Een positie die goed van pas komt bij de handel. ‘Als Bosnjak kunnen we het Albanese deel van Kosovo binnenrijden zonder bekogeld te worden met stenen’, zegt Samir Kachapor van de organisatie voor economische ontwikkeling. ‘Dat hoef je als Serviër niet te proberen. Hetzelfde geldt andersom. Zodra mensen aan je nummerplaat zien dat je uit Novi Pazar komt, zullen ze je met rust laten. Wij zijn dus de enigen die ongestoord aan beide kanten van de grens kunnen rond­rijden.’

Toch zijn de Bosnjaks niet de enigen die van de smokkel profiteren. Sinds de Kosovo-oorlog in 1999 en het grensconflict dat daarna ontstond en nog altijd voortduurt, heeft zich een heel netwerk ontwikkeld van Serviërs en Albanezen die in het openbaar weliswaar op gespannen voet met elkaar staan, maar in het geniep intensief handel drijven. ‘Kosovo produceert zelf haast niks, dus veel van wat er te koop is komt oorspronkelijk uit Servië’, vertelt Kachapor. Levensmiddelen in de supermarkt hebben vaak nog Servische opschriften, terwijl die taal verder uit het openbare leven is verbannen. Maar het gaat volgens Kachapor nog veel verder: ‘Albanezen rijden op Servische brandstof en gebruiken voor hun nieuwe huizen daken uit Vojvodina en bakstenen uit Novi Pazar.’ Indirect helpen de Serviërs dus aan de opbouw van de door hen zo gehate en niet erkende ‘Republika e Kosovës’. In Novi Pazar halen de meeste mensen daar hun schouders over op. ‘Biznis is biznis.’

Over een deel van deze export uit Servië worden keurig invoerrechten betaald, maar de rest verdwijnt al gauw in het zwarte circuit. Deze illegale handel is zowel de Kosovaarse als de Servische regering een doorn in het oog, omdat zo op grote schaal belasting wordt ontdoken en de smokkelbazen de controle over de grensposten en aanpalende gebieden steeds meer lijken over te nemen. Precies een jaar geleden braken hevige onlusten uit toen de Kosovaarse regering politietroepen stuurde in een poging de orde in het noorden van Kosovo – waar de Serviërs nog steeds een meerderheid vormen – te herstellen. Lokale dorpsbewoners wierpen barricades op en staken een grenskantoor in brand; bij een hinderlaag kwam een Kosovaarse agent om het leven, vele anderen raakten gewond. Officieel protesteerden de Serviërs tegen de komst van de Kosovaarse grenspolitie omdat zij vinden dat er helemaal geen grens zou moeten zijn tussen ­Servië en Kosovo. Maar steeds meer geluiden klinken dat de machtige smokkelbazen een grote rol hebben gespeeld bij het oplaaien van het geweld, omdat zij een economisch belang hebben bij het machtsvacuüm en de poreuze grenzen.

Veel kritiek is er op Eulex, de Europese missie in Kosovo die de lokale autoriteiten moet ondersteunen bij het opbouwen van de rechtsstaat. Assistentie bij grenscontrole is een belangrijk onderdeel van de missie, maar in het noorden van Kosovo krijgen de Europeanen nauwelijks voet aan de grond. In 2010 werd de Task Force Mitrovicë/a opgericht met een speciaal mandaat om de smokkel en georganiseerde misdaad in dit deel van Kosovo aan te pakken. Een paar mensen zijn inmiddels aangehouden, en enkele huiszoekingen zijn verricht, maar verdere details blijven ‘in het belang van het onderzoek’ vertrouwelijk, zo staat in een recente communicatie. ‘Een schijnbaar bodemloze put van complexiteit’, zo wordt de situatie in de Mitrovica-regio door de taskforce omschreven, waarna de teamleider – naam en afkomst vertrouwelijk – klaagt dat hij veel te weinig mensen heeft om alle lopende zaken op te lossen.

En zodra het spannend wordt, maken de Europeanen dat ze wegkomen, zo luidt het verwijt van de Kosovo-Albanezen. Op YouTube is te zien hoe donkerblauwe Eulex-terreinwagens vorig jaar met gierende banden wegreden bij een grensovergang in Noord-Kosovo op het moment dat lokale Serviërs de douanepost aanvielen. Zelfs Kfor, de vredesmacht van de Navo, heeft al jaren zichtbaar moeite de zaak onder controle te houden. Bij pogingen de wegversperringen van de lokale bevolking te ontmantelen, ontstaan keer op keer schermutselingen waarbij met rubber kogels en traangas wordt geschoten en ook aan de zijde van de internationale troepen gewonden vallen.

Hoe het precies zit met die barricades van de Serviërs en de macht van smokkelbazen en hun olie-, drugs- en vrouwenhandel weten Osman en Safet niet. En dat willen ze graag zo houden. ‘Als je je daarmee inlaat, wordt het nog een stuk gevaarlijker’, zegt Osman. Hij neemt een laatste slok van zijn Pils Plus en werpt het halveliterblik dan het raam uit, recht het ravijn in. ‘Voordat je het weet ligt je kop eraf.’ Ze houden het liever bij het smokkelen van levensmiddelen als koffie, suiker en vlees voor de lokale buurtwinkels aan beide kanten – en zelfs dat niet, nu er een journalist bij is. ‘We gaan leeg heen en leeg terug, en als de politie ons staande houdt zeggen we dat we alleen maar bezig waren een buitenlander wat van de mooie bergen te laten zien. Ze houden hier niet van journalisten.’

De kans op politiecontrole is volgens Osman sinds de onlusten vorig jaar alleen maar groter geworden. ‘Het is net een kat-en-muisspel: ze kennen onze routes precies en staan ons vaak al op te wachten als we vanuit de bossen de hoofdweg op willen rijden. Ze pakken steeds dezelfden, gewoon om ons op te jagen.’ Vaak lukt het Osman en z’n collega’s wel om de agenten om te kopen. ‘Twintig of dertig euro tussen je rijbewijs schuiven, en dan is het meestal wel geregeld. Maar sommigen vragen ook meer, tot wel tweehonderd euro voor een minibus. En als je pech hebt staat er een paar honderd meter verderop weer een controle. Kun je nog een keer betalen, soms tot drie keer toe. Een nachtmerrie.’ Toch lukt het omkopen niet altijd, vooral niet aan de Servische kant, waar agenten en smokkelaars geregeld uit hetzelfde dorp komen. ‘Als je problemen hebt met hun familie, ben je aan de beurt. Dan zijn ze opeens niet zo flexibel meer en heb je zo een officiële bekeuring aan je broek.’

De meeste smokkelaars uit Novi Pazar hebben inmiddels zo veel bekeuringen gehad dat ze het risico lopen hun rijbewijs kwijt te raken en nooit meer Kosovo in te mogen, of zelfs in de gevangenis te belanden. Zo ook Osman – de tel van het aantal aanhoudingen is hij lang geleden al kwijtgeraakt. Daarom heeft hij Safet nodig. Safet heeft geen auto. Sterker: hij heeft geen rijbewijs. Safet rijdt iedere nacht met Osman of een andere smokkelaar mee om eventuele nieuwe bekeuringen op te vangen. ‘Die kan de politie dan op mijn naam schrijven’, zegt hij. Zijn vader was ook vrachtwagenchauffeur, en in zijn leven heeft Safet zo veel ongelukken gezien dat hij op een zekere dag besloot zelf nooit een auto te besturen. ‘Maar een tijdje terug kwam ik in de financiële problemen. En als je geld nodig hebt, heb je niet meer zo veel te kiezen.’ Dus gaat hij nu mee, als bijrijder. Als de politie een bekeuring op zijn naam zet, verdient Safet in één klap tweehonderd euro. Maar als hij en z’n collega niet worden aangehouden, of ze de agenten hebben kunnen omkopen, krijgt hij slechts een tientje. ‘Voor het meerijden en het helpen met het in- en uitladen van de spullen.’

Boven op een heuvel zet Osman zijn auto stil. ‘Hier staan ze vaak te controleren’, zegt hij, en hij wijst op een blauw, verlaten hutje aan de kant van de weg. Op een tafel staan wat lege plastic flessen en een oude televisie, in de hoek staat een versleten bank. ‘Van veraf kunnen we al zien of er licht brandt, soms moeten we uren wachten tot ze weer weg zijn.’ Meestal laten de smokkelaars vanuit Novi Pazar een lege personenauto vooruit rijden. ‘Als de politie je dan aanhoudt, kun je altijd zeggen dat je op familiebezoek gaat’, zegt Osman. ‘Omdat je niks in je wagen hebt, kunnen ze je niks maken. En vervolgens sein je je collega’s in dat ze even moeten wachten.’ De lokale bevolking uit de schaarse gehuchten langs de route wordt ook wel eens ingeschakeld om te weten te komen of de kust veilig is. ‘Maar dat doen we alleen in noodgevallen’, zegt Osman, ‘want die mensen vragen flink wat geld voor hun inlichtingen.’

Safet haalt z’n telefoon uit z’n broekzak en loopt ermee heen en weer, terwijl hij het apparaat hoog in de lucht houdt. ‘Als het goed is heb ik hier zo weer bereik. Alleen op deze heuveltop, in een straal van nog geen tien meter.’ Vlak bij het politiehutje klinkt een geluid uit zijn telefoon. Een sms. ‘Van m’n vriendin’, zucht hij. Hij leest het bericht en kijkt dan enthousiast op. ‘Hé, kun jij geen vriendin regelen voor Osman, in Nederland? Ze hoeft niet per se heel mooi te zijn, als ze maar wil trouwen.’ Osman schrikt en geeft Safet een duw. Tuurlijk wil hij graag naar Europa, en weet hij ook dat trouwen met een Europese vrouw een van de makkelijkste manieren is om aan een visum te komen. Maar zo onomwonden hoeft Safet dat heus niet voor hem te vragen. Geïrriteerd stapt hij weer achter het stuur. ‘Zelf heb ik een Slowaakse vriendin’, pocht Safet als hij zijn telefoon weer in zijn broekzak stopt. ‘Ontmoet via Facebook. Maar ik word wel een beetje gek van haar, hoor. Ze belt me iedere dag, ik moet precies vertellen wat ik doe en waar ik allemaal geweest ben. Ik weet niet of ik dat volhoud.’

Europa is, naast Turkije en de Verenigde Staten, nog altijd een geliefd toevluchtsoord voor Bosnjaks. Zoals iedereen in Novi Pazar wel iemand kent die in de transportbusiness zit, heeft ook iedereen wel een familielid in Duitsland, Oostenrijk of zelfs Nederland. Velen kregen asiel als vluchteling tijdens de oorlog in voormalig Joegoslavië, anderen trokken later de grens over als arbeidsmigrant – vaak illegaal. De rijkdom die zij vervolgens tentoonspreidden, terug in Novi Pazar, stimuleerde ook anderen om naar Europa te trekken. ‘Acht keer heeft een vriend van mij het geprobeerd’, vertelt Safet. ‘Met de auto reed hij naar de Servisch-­Hongaarse grens, en vanaf daar te voet verder, door de bossen. Alle acht keer mislukt. Waarschijnlijk werd hij verlinkt door de Hongaren die hij juist had betaald om hem te helpen. Maar hij geeft nog niet op.’

Toch is Europa niet meer het walhalla waar velen op hoopten. Sinds de economische crisis zitten de illegale migranten soms werkloos opeengepakt in veel te kleine appartementen. En als ze wel werk hebben, meestal op bouwplaatsen, worden ze zwaar onderbetaald. ‘Laatst kwam een kennis van me hier een paar weken op vakantie’, vertelt Safet. ‘In een dure bmw reed hij Novi Pazar binnen, iedereen was onder de indruk. Later hoorden we via via dat die auto helemaal niet van hem was, hij had hem gewoon gehuurd.’ Toch willen de meeste arbeidsmigranten niet definitief terug naar Novi Pazar. Safet snapt dat wel. ‘Hier is ook geen werk.’

Opeens komt er weer muziek uit de radio, in plaats van gekraak. ‘Radio Leposavic’, zegt Safet. ‘We zijn nu bijna in Kosovo.’ Links in een weiland staat een boer bij zijn koeien. Hij kijkt op als de auto voorbijrijdt. Osman toetert en zwaait, waarna er een krassend geluid klinkt van onder de auto. Osman trapt op de rem, opent zijn portier en gaat met zijn lichaam uit de deuropening hangen om te kijken waar hij overheen is gereden. ‘Een grote kei, verdomme.’ Als hij weer optrekt, ontstaat er een zandverstuiving achter de auto. De boer en zijn koeien verdwijnen in het stof.

‘Wat moeten jullie hier?’ roept een man uit de verte als Osman en Safet vlak over de grens bij een vervallen mijn een sigaretje staan te roken. Hij beent onze kant op. ‘En wie is dat?’ Hij gebaart naar mij. ‘Een journalist’, mompelt Safet. Zijn verhaal over de prachtige bergen op de route is nog nauwelijks begonnen als de man hem onderbreekt. ‘Wij moeten die journalisten niet!’ scheldt hij. ‘Het enige wat zij doen is leugens verspreiden en problemen veroorzaken.’ Hij haalt zijn mobiele telefoon uit z’n broekzak en begint foto’s te nemen van ons, de auto en het nummerbord. ‘Jullie komen uit Novi Pazar? Wegwezen hier!’ Osman en Safet springen in de auto en maken dat ze wegkomen, terug de bergen in.

‘We hadden ook niet uit moeten stappen’, moppert Osman zodra ze de grens weer zijn gepasseerd. ‘En al helemaal niet moeten zeggen dat we een journalist bij ons hadden.’ Safet steekt de laatste Next-sigaret op uit het pakje dat hij voor aanvang van de tocht had gekocht. ‘Die Serviërs zijn een stuk agressiever geworden sinds dat gedoe bij de grensposten’, vindt hij. ‘Dit is zijn terrein, maar ik zou hem wel eens in Novi Pazar tegen willen komen. Dan piept-ie wel anders.’ Chagrijnig kijken ze uit het raam, eigenlijk hadden ze in Kosovo nieuw bier en nieuwe sigaretten willen kopen. Als de radio weer begint te kraken, zet Osman hem definitief uit. Na een tijdje wordt de stilte verbroken door een geluid uit de broekzak van Safet. Een sms van zijn vriendin – het eerste teken uit de bewoonde wereld aan de andere kant van de bergen.

Voor het filmpje van de brandende grenspost in Kosovo en de vluchtende EU-wagens, zie http://bit.ly/sZ3nwq.

Osman en Safet heten in het echt anders