Bla

Laatst lunchte ik ergens waar men de moeite had genomen de genderaanduidingen op de wc-deuren te voorzien van een twist. Op de mannendeur stond ‘bla’, op die van de vrouwen ‘blablablablabla’.

Ik bleef hierover een poosje nadenken terwijl ik zat te plassen. Zwijgende mannen, kakelende vrouwen. Zoals bij al dit soort constructies, lag de sympathie overduidelijk bij de eerste categorie. Gekwebbel is niets meer dan een overschot aan woorden, het werkelijke spreken is een vorm van zwijgen die geen woorden nodig heeft. Het is een oude troop, the strong, silent type, Indiana Jones en de Marlboro-man, Don Draper, Clint Eastwood in welke rol dan ook. Gedateerd. Wie het anno 2019 over ‘toxic masculinity’ heeft, refereert aan een ander soort man, eentje die onophoudelijk praat, verklaart, uitlegt zonder dat zijn toehoorder daarom heeft gevraagd. De mansplainer – de term werd een paar jaar geleden gemunt door schrijver Rebecca Solnit, en overal ter wereld slaakten vrouwen zuchten van verlichting omdat er eindelijk een woord bestond voor dat gedrag – zou door the strong, silent type waarschijnlijk worden weggezet als pussy.

Giftige mannelijkheid heeft een evolutie doorgemaakt van superieur zwijgen naar superieur spreken. De mansplainer is ontegenzeggelijk meer van de elite dan de zwijgende cowboy; het zijn voornamelijk hoogopgeleide vrouwen met carrières die aanstoot aan hem nemen, in omgevingen waar kennis en taal hoog in het vaandel staan.

De nieuwe roman van Ben Lerner, Leerjaren in Topeka, begint met een sterk staaltje mansplainen (kunnen we ook weer af van het woord, nu het eenmaal is geïntroduceerd?). Zijn hoofdpersoon, Adam Gordon, een tiener, vaart met zijn vriendinnetje op een meer. Met zijn rug naar haar toe houdt hij een lang betoog over het een of ander. Wanneer hij zich eindelijk omdraait, is ze verdwenen, in het water gedoken en, naar blijkt, terug naar huis gezwommen. Als hij haar op de drempel van haar huis treft, vertelt ze hem een verhaal over haar stiefvader, die aan tafel altijd ‘lange klotediscussies’ begon (‘maar niet heus, want we discussieerden helemaal niet; hij zat gewoon tegen ons aan te praten’). Op een avond, vertelt ze, liet ze zich langzaam van haar stoel glijden, verdween onder tafel, tijgerde de eetkamer uit. Vanuit de keuken sloeg ze hem gade, net zo lang tot hij eindelijk opkeek en tot zijn verbazing en woede merkte dat hij in het luchtledige zat te praten. ‘Adam’, schrijft Lerner, ‘zou er twintig jaar over doen om de analogie tussen haar ontsnapping van de stoel en die uit de boot te zien.’

Giftige mannelijkheid heeft een evolutie doorgemaakt van superieur zwijgen naar superieur spreken

De hele roman gaat over taal, over wie spreekt en hoe, en vooral ook over vormen van spreken die vergif zijn. De vijftienjarige Adam Gordon is een fervent debater, en neemt deel aan allerlei debattoernooien op scholen uit de omgeving. Hij is bedreven in de techniek van het ‘spreiden’: in zo’n razend tempo zoveel argumenten te berde brengen dat de woorden nauwelijks nog verstaanbaar zijn en de tegenpartij geen kans heeft overal op te reageren. Zijn ouders zijn als psychoanalytici beide beroepspraters en geloven in taal als redmiddel – een dodelijke veronderstelling.

Lerner is geïnteresseerd in de manieren waarop taal ontspoort, haar therapeutische en zelfs haar semantische dimensies verliest, gewelddadig wordt en andere vormen van geweld uitlokt. De roman is, in de formulering op de achterflap, ‘het wordingsverhaal van ons huidige politieke moment’.

Inderdaad schrijft Lerner op zijn kenmerkende, hyperzelfbewuste wijze over alle onderwerpen die de huidige feministische, antiracistische, antipopulistische debatten definiëren. Met de kennis van nu kijkt zijn verteller, een volwassen Adam, neer op de jonge Adam, en voorziet de gebeurtenissen van zijn eigen woke commentaar. Bijvoorbeeld wanneer Adam en zijn vrienden beginnen te freestylen op huisfeestjes van klasgenoten: ‘In veel opzichten was dit wel de meest beschamende pose, de allerduidelijkste manifestatie van een crisis van de witte masculiniteit en zijn representationele regimes, een groepje geprivilegieerde witte jongens die de dominante clichés van het genre die op hen volstrekt niet van toepassing waren aritmisch recycleerden.’

De correctie die hier plaatsvindt – witte jongens die freestylen? Foei, appropriation! – is grotesk. En zo wemelt het van gelijkaardige observaties, die de morele superioriteit van de volwassen verteller bestendigen en de jonge Adam buitenspel zetten. Veilig bevindt de volwassene zich aan de overkant van zijn eigen geschiedenis, waarover hij zelfverzekerd vertelt met de onwrikbare woorden die hem in de loop van zijn leven en emancipatie zijn aangereikt. Het levert een pedant verhaal op over pedante verhalen, en misschien is dat ook de bedoeling. Maar gaandeweg begon ik steeds meer te verlangen naar een beetje minder woorden, een beetje minder zelfbewustzijn, een man met een sigaret in zijn mondhoek.