Blaasvoetbal

Een jaar geleden werd mij gevraagd om een discussie te komen voeren over voetbal. De reden voor deze uitnodiging was dat ik op een uitgeverij werk die weleens sportboeken uitgeeft, en dat ik de telefoon opnam toen men belde. Een redacteur van het damesblad Cosmo, dat eens per jaar een aflevering uitgeeft ‘speciaal voor de Cosmo-man’ - waarschijnlijk in de hoop dat die Cosmo-man, wie hij ook moge zijn, na één aflevering niet meer zonder het blad zal kunnen - legde mij uit dat het debat zou gaan tussen voor- en tegenstanders van voetbal.

Het was de bedoeling dat ik het standpunt zou verdedigen dat sport net zo cultureel verantwoord was als, zeg, literatuur.
Ik wist vrij zeker dat ik dat standpunt niet zou kiezen als ik de vrije keus had gehad, maar een ander standpunt was helaas niet mogelijk, zei de redacteur.
‘Kijk, Maarten Spanjer komt, en dat is iemand die wel van voetbal houdt…’
'Logische keus’, zei ik.
'En dan hebben we Anil Ramdas, die haat voetbal, of sport in het algemeen, dat weet ik niet meer…’
'Maakt niet uit, haten is haten’, zei ik.
'Nou precies, dus dan moet jij een beetje de middenman zijn. De spil zal ik maar zeggen. Maar je moet meer vóór zijn dan tegen, dat is belangrijk. Dus we kunnen op je rekenen?’
De locatie die de Cosmo-man-redactie had uitgezocht was een toepasselijke: wij werden verwacht in het grote, nagelnieuwe kantoorgebouw in de Bijlmer waar de directie van de Amsterdam Arena zetelt, met een grandioos uitzicht op het Arena-bouwwerk zelf.
Een van mijn opponenten was er al: Maarten Spanjers jongensachtige charme was op de gang al te horen. Toen ik binnenkwam, stond hij te ginnegappen met twee meisjes, van wie er een voor de Cosmo werkte en de ander… precies weet ik het niet meer, maar ze deed iets met mensen.
De redacteur die mij gebeld had, verwelkomde mij en maakte zijn verontschuldigingen dat er geen thee was.
Een paar minuten later kwam ook Anil Ramdas binnen. Hij gaf iedereen een stevig handje, waarbij hij Maarten Spanjer en mijzelf van hoofd tot voeten opnam, onze bepantsering en vuurkracht inschattend. Daarna zette hij zich aan tafel, groef zijn hakken in het linoleum en begon zijn verdedigingslinie te formeren. Hij beproefde enkele striemende handgebaren, bouwde een walletje van suikerklontjes en formuleerde met vastberaden lippen alvast een paar puntige meninkjes, die straks venijnig aan zouden komen.
Ik benijdde hem; hij had zich duidelijk al een vaste mening gevormd, iets waar het mij ten enenmale aan ontbrak.
Maarten Spanjer zette zich ook aan tafel. Hij had een plakboek meegenomen dat hij als jongetje had bijgehouden, met knipsels over Cruijff in zijn gloriejaren.
'Kijk, hier scoort hij tegen Feyenoord’, zei hij. Zijn gezicht glom van trots, alsof het zijn eigen goal was geweest. Anil Ramdas schudde meewarig het hoofd.
Ik bedacht dat ik nooit een plakboek van mijn favoriete schrijvers had bijgehouden, en dat ik nog nooit iets had geschreven dat me het gevoel gaf dat ik had gescoord. Dat is het beroerde van schrijven: het heeft niet de duidelijkheid van winnen of verliezen. Je speelt wel mee, je rent je het leplazerus, maar je komt nooit met 1-0 voor. Je staat in je eentje op dat immense veld, en nergens is een scheidsrechter die fluit voor de rust.