Universiteiten kunnen een stuk kleurrijker

Black Minds Matter

De dominante witheid van de Universiteit van Amsterdam staat onder druk. Een speciaal opgerichte commissie presenteerde vorige week haar rapport over diversiteit en inclusiviteit aan de UvA. ‘Om als universiteit te excelleren heb je diversiteit nodig.’

Medium opening 2020161016 diversiteit 2

Vlak voor de officiële opening van het huidige academisch jaar hing er buiten de Aula van de Universiteit van Amsterdam (UvA) onder de wachtende genodigden een gemoedelijke sfeer. Het contrast met de vorige jaaropening was duidelijk zichtbaar, toen studenten nog aan de poort van de Oude Lutherse Kerk actie voerden tegen het rendementsdenken, het kernwoord van de protesten rondom het Maagdenhuis in 2015. Dit jaar geen boze menigte die de ingang versperde. Wel studenten die flyers uitdeelden met daarop een uitnodiging van de Diversiteitscommissie van de UvA, die van het college van bestuur een mandaat kreeg om onderzoek te doen naar diversiteit op de UvA.

Want ook dát was een erfenis van het Maagdenhuis: een groeiend besef dat de universiteit in veel opzichten een wit bolwerk is. Zowel wat betreft studentensamenstelling als wat betreft het curriculum. En terwijl het debat over rendementsdenken op een laag pitje is komen te staan, gaat de discussie over diversiteit in academia volop door. Op de site van Folia, het huisblad van de UvA, maar ook in de Volkskrant en op sociale media ontstond de afgelopen weken discussie over de ongelijkheid binnen de universiteit. Over de oorzaken van die ongelijkheid en de wijze waarop die bestreden moet worden lopen de meningen sterk uiteen.

Het is opmerkelijk dat het diversiteitsvraagstuk pas zo laat aan bod is gekomen op de UvA. In de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk is diversiteit al geruime tijd veel normaler, de studentenpopulatie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam is al jaren opvallend gekleurd en op verschillende universiteiten zijn er zogeheten diversiteitsofficieren aangesteld. Op de UvA lijkt de doorstroom echter te stokken.

De jaaropening was daarvan een treffend voorbeeld. Een bijna geheel witte zaal luisterde aandachtig naar de verschillende toespraken die het belang van toegankelijkheid, diversiteit en internationalisering behandelden. De pluriformiteit waarvan werd uitgegaan was in de zaal zelf ver te zoeken. In een gesproken column illustreerde journalist en oud-redacteur van De Groene Amsterdammer Hassan Bahara vanuit zijn eigen ervaring de impact van een homogene omgeving als de universiteit op een student met een andere achtergrond. De bijna onoverbrugbare cultuurkloof is een reden waarom gekleurde studenten vroegtijdig afhaken. Een verkwisting van talent, aldus Bahara.

Dat de UvA een wit bastion is, is nog meer bevreemdend als je bedenkt dat Amsterdam een stad is waar meer dan helft van de jongeren een migrantenachtergrond heeft. Voor de meeste studenten en het universiteitspersoneel is de dominante witheid binnen de academische gemeenschap een vanzelfsprekendheid, studenten met een migrantenachtergrond ervaren daar echter op verschillende niveaus de gevolgen van. ‘Op het lyceum viel me al op dat ik vaak de enige gekleurde jongen was en op de universiteit was dat nog opvallender in een collegezaal met tweehonderd man’, zegt Mitchell Esajas, toen nog student aan de Vrije Universiteit, nu studieadviseur aan de UvA. Esajas is ook medeoprichter en voorzitter van de nuc, New Urban Collective, een studentenvereniging die het gebrek aan diversiteit in het hoger onderwijs op de kaart zette.

Op de Roeterseilandcampus ontmoet ik Esajas samen met Jessica de Abreu, bestuurslid van de nuc. ‘Ik heb een soortgelijk verhaal’, vult De Abreu aan. ‘Op de basisschool werd er ondanks een hoge cito-score aan mij getwijfeld. Uiteindelijk mocht ik het vwo doen, wat overwegend een witte opleiding was. Toen ik een bètaprofiel koos was ik zelfs de enige gekleurde leerling.’ De ervaringen van De Abreu op de middelbare school trokken zich door naar de universiteit. ‘“Kun je het wel aan? Hoor je wel hier?” kreeg ik steevast te horen. Ik dacht dat de micro-agressies op de universiteit zouden ophouden. Niet dus.’

Het woord micro-agressie duikt in het gesprek vaker op. Daarmee worden subtiele beledigingen bedoeld die vaak onbewust plaatsvinden, maar wel als kwetsend worden ervaren door studenten met een biculturele achtergrond. In 2014 lieten deze studenten met de actie ‘I, Too, Am UvA’ en ‘I, Too, Am VU’ zien welke opmerkingen zij zoal naar het hoofd geslingerd kregen: ‘Maar waar kom je écht vandaan?’, ‘Wat spreek je goed Nederlands’, ‘Maar jij bent anders’.

De ervaringen van de studenten in Amsterdam staan niet op zichzelf. De ontwikkelingen rond het diversiteitsvraagstuk aan de UvA worden ook buiten de hoofdstad nauwlettend in de gaten gehouden. ‘Onze studentenpopulatie kent een van de meest diverse samenstellingen van alle Nederlandse universiteiten’, aldus Hanneke Takkenberg, sinds vorig jaar chief diversity officer aan de Erasmus Universiteit. ‘Maar toch voelen veel studenten met een biculturele achtergrond zich buitengesloten.’ Isabel Hoving, diversity officer aan de Universiteit Leiden, constateert ook dat studenten met een migrantenachtergrond moeilijk aarden aan de universiteit: ‘De universiteit speelt onvoldoende in op de demografische verandering in de samenleving.’ De Erasmus Universiteit en Universiteit Leiden vormen daarom samen met de VU een taskforce die het studiesucces onder biculturele studenten moet vergroten.

De Diversiteitscommissie op de UvA, geleid door emeritus hoogleraar culturele antropologie Gloria Wekker, heeft zichzelf een vergelijkbaar doel gesteld: de cultuurkloof tussen de universiteit en studenten met een niet-westerse achtergrond verkleinen. De vijfkoppige commissie deed het afgelopen half jaar onderzoek naar hoe het gesteld is met diversiteit en inclusiviteit aan de UvA. De presentatie van het eindrapport vorige week kon op zoveel aandacht rekenen dat een deel van de belangstellenden de overvolle Doelenzaal van de Universiteitsbibliotheek om veiligheidsredenen moest verlaten. Via een livestream kon de presentatie ook buiten de zaal gevolgd worden. Aan de hand van zes aandachtspunten werd de noodzaak van een diverse universiteit vastgesteld.

‘“Hoor je wel hier?” kreeg ik steevast te horen. Ik dacht dat de micro-agressies op de universiteit zouden ophouden. Niet dus’

Zo introduceert de commissie nieuwe taal, zoals diversity literacy (door de commissie vertaald als ‘diversiteitsvaardigheid’), een term uit 2010 bedacht door de Zuid-Afrikaanse socioloog Melissa Steyn die betoogt dat iedereen op de universiteit kritisch moet kunnen nadenken over diversiteit binnen de eigen instelling, vooral als het gaat om sociale ongelijkheid, identiteit en verschil. Daar is een gedeelde taal binnen de academische gemeenschap voor nodig die het mogelijk maakt om een kritische zelfreflectie en bewustwording over diversiteit te ontwikkelen. Tijdens de bijeenkomst werd er gewezen op de voc-platen aan de wand van de Doelenzaal, wat bij sommige studenten gevoelig zou liggen vanwege het koloniale verleden. ‘Dit soort platen hoeven niet verwijderd te worden’, legt Wekker uit. ‘Maar er moet wel over gepraat en gediscussieerd worden.’

Medium 20161016 diversiteit 1

Het gaat de commissie niet alleen om taal. Er moeten in de praktijk een aantal veranderingen plaatsvinden en de commissie stelt daarvoor in haar eindverslag een aantal concrete maatregelen voor. Het actief rekruteren van leerlingen met een minderhedenachtergrond op middelbare scholen, het blijven aanbieden van schakeltrajecten voor doorstroomstudenten van het hbo, en als de UvA op die manier niet vanzelf diverser wordt zou op de langere termijn moeten worden nagedacht over een diversiteitsquotum om de ondervertegenwoordiging van niet-westerse studenten en personeel te doorbreken.

Maar er is ook kritiek. Nog voor het eindverslag werd gepresenteerd ontstond er al weerstand tegen de plannen van de commissie. Tijdens speciaal georganiseerde inspraaksessies, geleid door Wekker, mochten studenten in september meepraten over de voorlopige bevindingen en voorstellen. Verliep de eerste sessie nog zonder noemenswaardige kritiek vanuit het aanwezige publiek, tijdens de tweede en derde sessie waren er veel vragen en opmerkingen over de plannen. ‘Hoeveel heeft dit geintje gekost en kon het geld niet beter besteed worden aan het aanstellen van goede docenten?’ vroeg een student lichtelijk geïrriteerd aan Wekker tijdens een van de bijeenkomsten. Wekker probeerde de jongeman geduldig uit te leggen waarom de commissie het mandaat heeft gekregen voor het onderzoek, maar de student in het lichtblauwe colbert had zijn woordje al klaar: ‘Geldverspilling. Hier doe ik niet aan mee. Veel succes met je slachtofferrol.’

Een ander wierp de vraag op of een diversiteitsquotum wel zin heeft gezien het feit dat de meeste faculteiten geen selectie aan de poort hanteren. Het afdwingen van diversiteit zou kunnen leiden tot middelmatigheid en dat kan niet de bedoeling zijn van het hoger onderwijs, aldus de studente.

Voor de New Urban Collective draait het niet alleen om diversiteit van studenten en personeel. Diversiteit in kennis is volgens Mitchell Esajas en Jessica de Abreu net zo belangrijk. ‘Nog altijd domineert een heteronormatief paradigma in het onderwijs en de wetenschap en dat uit zich in een eenzijdige en kritiekloze benadering van de geschiedenis’, aldus Esajas. ‘De westerse kennisproductie die daaruit voortvloeit wordt als universeel en neutraal bestempeld, terwijl andere perspectieven en visies buitengesloten worden.’

De Abreu wijst op nog een probleem binnen de wetenschap: ‘Het gevaar is dat die dominantie, wat als objectief en neutraal wordt beschouwd, niet bevraagd mag worden. Bestaande machtsstructuren worden zo in stand gehouden.’ Esajas laat op zijn laptop een aantal racistische uitspraken zien van verschillende Verlichtingsfilosofen. Maar moeten Rousseau en Voltaire dan uit de canon geschrapt worden? Esajas: ‘Nee, het gaat erom dat hun ideeën in een bredere context getrokken worden en dat ook de schaduwzijden van hun gedachtegoed bekend worden. En dat die denkbeelden later gebruikt werden in het rechtvaardigen van kolonialisme.’

Dit punt beperkt zich niet alleen tot het eigen land. In de Verenigde Staten, Engeland en Zuid-Afrika zijn al langer bewegingen actief die een ideologische strijd zijn aangegaan met universiteiten die in hun ogen nog altijd koloniale instituten vormen. Een aantal voorbeelden: de Rhodes Must Fall-beweging in Zuid-Afrika, die de universiteit wil zuiveren van koloniale invloeden; de Britse campagne ‘Why is my curriculum white?’ die de eurocentrische inhoud van curricula bekritiseert, gevolgd door ‘Why isn’t my professor black?’, een actie die het gebrek aan diversiteit onder universiteitspersoneel aan de kaak stelde. De universiteit lijkt een cruciaal strijdveld te zijn geworden voor de aanpak van racisme. ‘De situatie op de universiteit kun je niet lostrekken van de buitenwereld, van wat er gebeurt in de samenleving. Niet alleen landelijk, maar ook internationaal’, zegt De Abreu. Esajas: ‘Wij van de nuc hebben geregeld activiteiten georganiseerd waarin maatschappelijke onderwerpen besproken werden. Denk aan het Zwarte-Pietendebat en etnisch profileren.’

Het is dit soort activisme waar filosoof en publicist Sebastien Valkenberg in een uitgebreid opiniestuk in de Volkskrant tegen ageerde. De universiteit gaat volgens Valkenberg ten onder aan politiek activisme, beïnvloed door radicale ideeën van onder anderen Malcolm X. Diversiteit als nieuwe politiek correcte norm. Ook historicus, theoloog en arabist Gert Jan Geling verweet in een stuk op Joop.nl, de opiniesite van de Vara, de Diversiteitscommissie het debat te politiseren en sprak zelfs over ‘diversiteitsfundamentalisme’.

‘Als het om diversiteit gaat in Nederland gaat het vaak bijna alleen maar over gender. Etniciteit wordt zelden aangehaald’

De weerstand tegen de voorstellen van de commissie nam de afgelopen tijd dan ook vaak de vorm aan van een aanval op de persoon Gloria Wekker, die eerder dit jaar met haar spraakmakende boek Witte onschuld de aandacht in het racismedebat op zich vestigde. In haar boek laat Wekker onder meer zien hoe het koloniale verleden haar sporen nalaat in het huidige Nederland, óók op de universiteit; het reeds genoemde eurocentrische onderwijscurriculum en de koloniale verwijzingen in verschillende universiteitsruimtes zijn daar voorbeelden van. De ontstane polemiek is sindsdien moeiteloos naar de universiteit overgeslagen.

Op die manier sneeuwt de dieperliggende reden waarom een diverse universiteit belangrijk is al gauw onder. Critici richten zich vooral op het pleidooi meer studenten en docenten van kleur de academie in te halen. Maar diversiteit gaat niet louter om een numerieke representatie van minderheidsgroepen in het hoger onderwijs. Er zijn goede inhoudelijke redenen om te werken aan het bevorderen van diversiteit. ‘Om als universiteit te excelleren heb je diversiteit nodig’, herhaalde Wekker tijdens de feedbacksessies. Nederland verkleurt en vraagt in de toekomst om beleidsmakers die met diversiteit om kunnen gaan en dat kan alleen als de academische gemeenschap diverser wordt.

Wekker verwees daarbij naar een artikel in Nature uit 2014, waarin onderzoekers Freeman en Huang laten zien dat wetenschappelijke artikelen met auteurs met diverse culturele achtergronden in betere wetenschappelijke tijdschriften verschijnen en vaker geciteerd worden dan artikelen die door homogeen samengestelde teams geschreven zijn. Ook diversiteitsofficier Hanneke Takkenberg ondersteunt Wekkers visie: ‘Het is bewezen dat diversiteit de kwaliteit van onderzoek verbetert, ja ook in technische studies waar de link met diversiteit ogenschijnlijk ver te zoeken is. Een concreet voorbeeld: door het doen van onderzoek naar gender in relatie tot sanitaire voorzieningen kunnen onveilige situaties voor vrouwen vermeden worden.’

De kritiek op het diversiteitsbeleid van de UvA (of beter gezegd: het gebrek daaraan) raakt ook aan de verheffingsfunctie van de universiteit. Nog steeds geldt in het hoger onderwijs het ideaal van meritocratie, waarin talent beloond wordt. Het diversiteitsdebat in het hoger onderwijs wordt hevig beïnvloed door hoe er naar de huidige maatschappij wordt gekeken. Aan de ene kant heerst het idee dat we in een postraciale samenleving leven, een samenleving waarin afkomst en huidskleur er steeds minder toe doen als het gaat om het behalen van maatschappelijk succes. Het meritocratisch ideaal is bij uitstek inclusief, al moeten landgenoten met exotische voornamen zich volgens onze eigen premier ‘invechten’. Aan de andere kant wordt benadrukt dat de werkelijkheid weerbarstiger is en dat bijna op elk vlak een scheve verhouding bestaat tussen witte Nederlanders en Nederlanders met een niet-westerse achtergrond. Of het nu gaat om de arbeidsmarkt, de woningmarkt of het onderwijs: Nederlanders met een migrantenachtergrond hebben structureel te maken met diepe ongelijkheid.

Desondanks ligt het benoemen van diversiteit aan de universiteit gevoelig, aldus Aminata Cairo, werkzaam als beleidsmedewerker diversiteit aan de Universiteit Leiden. ‘In Nederland blijft etnische diversiteit een ongemakkelijk onderwerp. Als het om diversiteit gaat in Nederland gaat het vaak bijna alleen maar over gender. Etniciteit wordt zelden aangehaald en is daardoor lastiger aan te kaarten. Sterker nog, op universiteiten wordt etniciteit niet geregistreerd. Je kunt wel aan de informatie komen, maar dan via een omweg. In de Verenigde Staten daarentegen zie je dat etniciteit wél expliciet wordt bijgehouden om zo een effectief diversiteitsbeleid op te stellen.’ Cairo deed ervaring op tijdens haar verblijf in de Verenigde Staten, waar zij op verscheidene universiteiten carrière maakte. ‘Nederland loopt wat dat betreft hopeloos achter.’

Net als in de jaren zestig lijken de universiteiten wereldwijd zich nu op een kantelmoment te bevinden. Lange tijd stroomden intelligente kinderen uit de lagere klassen zelden door naar het hoger onderwijs. Deze verspilling van talent werd tegengegaan door in de jaren zestig de universiteit open te stellen. Het onderwijs werd een emancipatiemachine, steeds meer kinderen kregen de kans om door te leren en door te stromen. Niet afkomst maar intelligentie bepaalde je plek in de samenleving, precies volgens het meritocratische ideaal. Maar die meritocratische benadering schiet blijkbaar te kort om ook studenten met een niet-Nederlandse achtergrond in voldoende mate naar de universiteit te halen.

Zo blijkt uit het laatste grote onderzoek van de Onderwijsinspectie naar diversiteit in het hoger onderwijs uit 2009 dat het aandeel niet-westerse allochtone studenten elk jaar structureel zo’n vier procent achterblijft bij de demografische ontwikkeling. Daarnaast vlakt de toename van studenten met een niet-westerse achtergrond in het hoger onderwijs de laatste jaren af. Verder hapert het ook in de doorstroom: niet-westerse studenten haken vaker af en doen langer over hun studie dan hun witte studiegenoten, in beide gevallen een verschil van gemiddeld zeven procent.

Volgens Isabel Hoving laten deze cijfers zien dat er aan het meritocratische ideaal in de praktijk niet wordt voldaan: ‘De universiteiten richten zich nog altijd op een kleine groep die onbedoeld bevoordeeld wordt. Dat is historisch zo gegroeid en gebeurt nu nog steeds. Wij universiteiten slagen niet in onze taak grote groepen mensen goed op te leiden. Heel veel groepen die op de universiteit horen worden buitengesloten. En daarmee doen we heel veel mensen te kort en niet alleen ten aanzien van de maatschappij maar ook de wetenschap. En dat is zonde.’

Met deze gedachten in het achterhoofd stelt de Diversiteitscommissie op de UvA een paardenmiddel voor als de zachtere maatregelen zoals cursussen en ander taalgebruik onvoldoende blijken. Is een quotum dan de juiste oplossing voor het probleem? De diversity officers van andere universiteiten kunnen wel begrip opbrengen voor dit plan. ‘Een quotum heeft in Nederland een negatieve connotatie en het bezwaar daartegen is altijd voorspelbaar, namelijk dat dit zal leiden tot kwaliteitsverschil. Maar het is bewezen dat quota vaak juist de kwaliteit bevorderen, zoals de vrouwenquota. Zo heeft Zweeds onderzoek uitgewezen dat excellente vrouwen er in dat geval in kwamen en middelmatige mannen eruit vlogen’, zegt Hoving. Hanneke Takkenberg: ‘Een diversiteitsquotum werkt aan de ene kant stigmatiserend. Aan de andere kant zien we dat het instellen van bijvoorbeeld een vrouwenquotum effectief is, zoals in Scandinavische landen. Maar een quotum als dwangmiddel van buitenaf roept al gauw weerstand op. Het werkt alleen als het integraal wordt toegepast in combinatie met andere maatregelen.’

Aminata Cairo wijst op nog een dieperliggend probleem: ‘Het ideaal is natuurlijk dat afkomst niet telt, maar in de realiteit speelt dat dus wel een rol. In Amerika is het zo dat minderheden op de lagere school vaak uitblinken, maar als die school in een kansarme omgeving staat, dan blijkt het niveau bij de overgang naar de middelbare school vaak te laag. Er is dus geen sprake van gelijkwaardigheid maar van een systematische achterstand.’ In Nederland is het verband tussen postcode en opleidingsniveau niet expliciet onderzocht, maar de constatering van de Onderwijsinspectie dat de kansenongelijkheid groeit voedt het vermoeden dat de buurt waar kinderen wonen ook een factor moet zijn.

Dit werpt de vraag op of de universiteiten iets wezenlijks kunnen veranderen aan de ongelijkheid binnen het hoger onderwijs, alle goede bedoelingen ten spijt. Achterstanden beginnen namelijk niet op de hogeschool of de universiteit maar al op de basisschool, waar jongens en meisjes met een migrantenachtergrond routinematig voorgesorteerd worden naar een lager opleidingsniveau, zelfs met hoge cito-scores. Om dit in een later stadium op grote schaal te compenseren en recht te trekken is dan ook zware opdracht.

Anders gezegd: verheffing en inclusie is geen opdracht die is voorbehouden aan de universiteiten, maar is een taak van het onderwijs als geheel. De diversiteitsdiscussie bevat daarvoor een belangrijke les: meritocratie bestaat niet vanzelf, die heeft steunberen nodig. Welke dat zijn, daarover kan discussie bestaan, en de Diversiteitscommissie doet daar een belangrijke aanzet toe. Maar wie simpelweg volhoudt dat talent vanzelf wel boven komt drijven, heeft te lang niet door het raam van de ivoren toren naar de Nederlandse samenleving gekeken.