‘Hij had het ophouden van mensen in gedachten,/ een laatste zweem van harmonie/ die, na de aanslag op de ziel,// hen weer de stem gaf die in vroeger dagen/ aan de dingen en het licht toeviel’, zo staat er in het voorlaatste gedicht van Goya als hond, de tiende bundel van Stefan Hertmans. Het zijn regels die zo op het eerste gezicht dat verlangen naar een ongeschonden spiegelbeeld formuleren. Sterker nog: wie het werk van Hertmans kent, leest in deze regels een haast autobiografische beschrijving van zijn ontwikkeling als dichter. Hertmans is van meet af aan een dichter die de abstracte mens- en wereldbeelden afzwoer uit naam van iets wat voorbij de taal, de abstracties lag. Het ging hem om ‘de ruimte van het volledig leven’, om Lucebert nog maar eens aan te halen, en dat leidde bij Hertmans tot een poëzie die het zocht in het zwijgen, die poogde buiten de taal te komen. ‘Een ander spreken, los van woorden,/ kwam hem toen de lippen openbreken.// Hij verzweeg’, zo vervolgt het gedicht dan ook. Maar het eindigt met de regels: ‘Toen vielen hem de laatste beelden in:// die van beginnen -/ een man die zich over het/ altijd wijkend water neeg.’
‘Klein requiem’ heet dit gedicht, en dat is veelzeggend. Hier wordt afscheid genomen van een dichterschap dat in het teken stond van de afrekening met elk idealistisch, harmonisch wereldbeeld, maar dat in die afrekening zelf uiteindelijk nog ‘een laatste zweem van harmonie’ ontdekte. Ook dat wordt nu losgelaten. Niet voor het eerst trouwens. Al in eerdere bundels had het mikken op het zwijgen plaatsge maakt voor een poëzie waarin de taal toch weer ‘gewoon’ als spiegel werd gebruikt - maar dan als een spiegel die geen herkenbaar spiegelbeeld meer toont, hoogstens, als op een schilderij van Magritte, het eigen achterhoofd laat zien, dat wat je van jezelf niet kunt en niet wilt zien, ook omdat het schrik aanjaagt.
Je kunt zeggen dat er in Hertmans’ werk (niet alleen in zijn poëzie) iets narcistisch zit - een gerichtheid op het eigen, maar tegelijkertijd dus ook volkomen onmogelijke ‘ik’. Ook Goya als hond bevat weer een aantal gedichten waarbij je het gevoel hebt deelgenoot te worden van een haast te grote intimiteit en huiselijkheid, gedichten die maar net, maar dat dan weer zeer beslist, de sentimentaliteit ontlopen die ook mindere dichters wel eens verleidt tot verzen over de eigen geliefde, kinderen, ouders en achtertuin, en die daar vooral zelf erg door zijn aangedaan. En in Goya als hond is dat gevoel nog sterker dan in zijn vroegere werk, want waar in eerdere bundels die intimiteit als het ware werd geprojecteerd op historische figuren en onderwerpen (zijn poëzie wemelt van de verwijzingen naar filosofen, schilders en andere dichters), daar doet hij het in latere bundels bijna zonder, al ontbreekt het nooit helemaal.
Dit zijn gedichten waarin het krampt, die koortsig zijn, die vol wonden zitten, vol wrikkende gewrichten, scherven en ademnood; het leven ‘kotst uit het beeld naar voren’. En de dichter ‘blaft naar de verschijning van zijn eigen Zelf - / iets wat zijn hand heeft aangericht,/ onttrokken aan het vroegere naïeve vergezicht’, zoals het over de schilder Goya heet in het prachtige titelgedicht naar aanleiding van het schilderij Een hond tegen de stroom vechtend. ‘Stemmen komen uit lichamen/ gedachten uit een lijf’. De stem spreekt hier tegen de reddende, zelfbevestigende gedachten die ze zelf oproept en die zich halsstarrig met die stem blijven mengen. Het lichaam spreekt tegen het lijf en omgekeerd. In die confrontatie bereikt Hertmans in deze bundel een maar zelden geziene intensiteit, waarin het intieme, haast particuliere, zich met een ‘niet versagen in de eigen stilte’ zowel handhaaft als onmogelijk wordt.