Blaffen of snuiten

Met Isle of Man, indertijd een absurd, ruw en lelijk schilderij, deed Kurt Schwitters een poging om aan elke sierlijke schoonheid te ontkomen.

Het wonderlijke werkstuk Isle of Man van Kurt Schwitters heeft die titel gekregen omdat het op dat eiland gemaakt is, in 1941, toen de schilder daar als verdachte vreemdeling in een interneringskamp was neergezet - een Duitser die al begin 1937 zijn stad Hannover verlaten had, eerst naar Noorwegen en toen de moffen ook daar zouden binnenvallen verder naar Engeland, in juni 1940. Geïnterneerd bleef hij anderhalf jaar. Zijn hoop was naar Amerika te gaan maar vanwege de oorlog kwam daar niets van terecht. Hij bleef toen eerst in Londen en daarna, van zomer 1945 tot aan zijn dood, begin 1948, in het Lake District. De laatste tien jaar van zijn leven was hij dus im Exil.
Maar over die moeizame en armoedige omstandigheden wil ik het niet hebben. Wel over het feit dat Isle of Man niet alleen een pover maar ook een heel dwars schilderij is. Het is droge korzelige olieverf op linoleum dat ook gedeeltelijk weer met papier beplakt is. Het is dus een tastenderwijs en met armoedige materialen in elkaar gezet ding. De strak gebogen, bizarre elliptische vormen van het abstracte beeld lijken dwars omdat ze geremd en stroef zijn getekend. Elke zwierigheid die in dat soort buigzame morfologie makkelijk kan gaan optreden (denk aan Mirò, bijvoorbeeld, of aan de bloemrijke papiers collés van Matisse) wordt onderdrukt. Daarbij is het werk ook nog eens schraal geverfd. Het is dus niet mooi. Van een ander schilderij uit 1941, Um den Kern der Sache, is de oppervlakte veel verfijnder geschilderd. Misschien is dat werk, waarvan trouwens ook de compositie er veel uitgewogener uitziet, al weer in Londen ontstaan. Daar had Schwitters zeker iets meer rust en ook toegang tot betere materialen. Toch is die compositie van om elkaar gelegde en elkaar onderbrekende ovale fragmenten (allemaal strak en droog van kleur) ook nog aardig stug - maar minder kantig en hard dan Isle of Man.
In een brief van 14 november 1946 aan zijn kunstenaarsvriend Raoul Hausmann in Parijs haalt Schwitters een paar herinneringen op aan een Hollandse Dada-tournee, eind 1922. Theo van Doesburg, die ook van de partij was, las het artistieke programma voor waarin gezegd werd dat een dadaïst altijd dat zou doen wat niet verwacht werd. Op dat moment stond ik op, midden tussen het publiek, en blafte heel hard. Dat was in Den Haag. Daarna in Haarlem dachten de mensen dat hij weer zou gaan blaffen. Maar dit keer snoot ik mijn neus. De kranten schreven dat ik niet blafte maar gewoon mijn neus snoot. In die jaren maakte Kurt Schwitters al die dadaïstische collages en reliëfs die hij, als overtuigde individualist, een eigen soortnaam gaf: Merz. Dat woordfragment had hij, geloof ik, gevonden bij het knippen en scheuren van drukwerk (voor de collages). Het was kort en het betekende eigenlijk niets, maar hij vond het goed passen bij zijn artistieke eigengereidheid.
Voor Schwitters was een reliëf de vervanging van het schilderij. Omdat het in elkaar wordt gezet uit stukken gevonden materiaal (hout, textiel, scherven - wat dan ook) die door passen en meten hun onverwachte plek in de samenvoeging vinden, en die elkaar daarbij ook in de weg kunnen zitten, kan een reliëf ontkomen aan de routine van de schilderende hand. Een reliëf ontstaat als het ware schoksgewijs en kan daardoor een dwarser en verrassender beeld opleveren dan schilderijen die uit een vloeiende stijl en een eigen handschrift voortkomen. Daarom gaan schilderijen van eenzelfde kunstenaar makkelijk op elkaar lijken. Natuurlijk is dit ook maar relatief. Ook in de reliëfs van Schwitters is, met name in de drukke abruptheid van het geconstrueerde oppervlak, een bepaalde aanpak te herkennen die je stijl zou kunnen noemen. De ambitie het onverwachte te ontdekken was er wel degelijk: daarom is het oeuvre van deze moeilijk vatbare meester (die ook nog veel schreef en geluidstructuren maakte) enorm ongedurig en vol experimenten.
Daarom is de vormgeving van de twee schilderijen ook zo nonchalant en stuurs. Ze lijken in niets op wat toen gemaakt werd. Na wat er na 1941 echter nog allemaal in de moderne kunst is gebeurd, is de dwarsheid van Schwitters minder voelbaar geworden. Maar vooral Isle of Man was indertijd een absurd, ruw en lelijk schilderij - echt een poging, denk ik, om aan elke sierlijke schoonheid te ontkomen. Als je niet oppast, gaat de avant-garde aan goede smaak te gronde. In dat verband moest hij in het bijzonder niets hebben van de kameleontische Picasso. In een andere brief aan Hausmann, december 1946, waarin Schwitters over artistieke taaiheid spreekt, heet het: Bij de gangster Picasso vraag je je toch af welke kunstenaar hij vandaag de dag nu weer kopieert. Dat wil echter ook zeggen dat hij zich aan het eind van zijn leven miskend voelde en misschien wel verongelijkt - omdat de grote kunstwereld maar niet wilde begrijpen dat het ene schilderij moet blaffen, terwijl het andere de neus moet snuiten.