Blair blundert in ulster

Voor de dramatische blunder die de frisse regering van Tony Blair zondag in Noord-Ierland beging, is geen excuus te bedenken. Mevrouw Mo Mowlam, minister voor Noord-Ierland, heeft gehandeld alsof ze voor het eerst ter plekke was. Ze bleek tijdens een persconferentie niet te beseffen dat ze voor een politieke ruïne stond. En premier Tony Blair begreep het evenmin. Hij zou, zei hij, het vredesoverleg in Ulster onverminderd voortzetten.

De waarheid is dat het einde van het IRA-geweld verder weg lijkt dan ooit. De katholieken hadden op het nieuwe Labour hun hoop gevestigd. Blair kon vrij handelen, was niet afhankelijk van protestantse stemmen in het Lagerhuis. Wat vorig jaar gebeurde, zou zich dus niet herhalen. Toen wilde het gezag de mars van de oranjemannen door een katholieke straat in Portadown verbieden. Maar het gezag bezweek voor protestants geweld. De orangisten met hun bolhoeden, hun sjerpen en hun trommels marcheerden wèl.
Voor de katholieken is zo'n mars door hun straat telkens weer een onderstreping van hun vernedering, de jaarlijkse constatering dat ze, in de ogen van de protestanten, tweederangs burgers zijn.
Dit jaar hadden de katholieken laten weten dat ze een oranjemars door hun wijk niet nog eens zouden tolereren. Ze zouden de orangisten met geweld tegenhouden.
Elke burgemeester in Nederland zou een dergelijke dreigende verstoring van de openbare orde hebben afgedaan met een verbod tot demonstreren. En Blair en Mowlam hadden die bevoegdheid ook. Maar wat deed Mo Mowlam? Ze liet in ultimo de beslissing over aan de commandant van de RUC, de Royal Ulster Constabulary. Want die was, zei Mowlam, deskundig!
De RUC! De politie van Ulster. Vanouds een protestants bolwerk, zonder enig katholiek kader.
De protestantse commandant van de RUC mocht dus beslissen. Hij had de steun gekregen van het leger. Dat omsingelde de katholieke straat. Dusdanig dat de bewoners niet van of naar hun huis konden en niet naar hun kerk.
En natuurlijk liet de commandant van de RUC de mars toen doorgaan. Hij moest, zei hij, kiezen uit twee kwaden. Geweld van de nationalisten, de katholieken. Of geweld van de unionisten, de protestanten. Hij koos, zei hij, voor het kleinste kwaad.
Het geweld barstte uiteraard los, alleen veel erger dan verwacht. Bussen en een trein werden gekaapt. Er werd met scherp geschoten. Dozijnen auto’s werden in brand gestoken. Ruiten ingegooid. Barricades opgericht. Ulster 1969-1997. Het conflict lag weer ouderwets op straat. Maar dat was niet eens het ergste. Het ergste was dat Blair en Mowlam in één dag het krediet dat ze bij de nationalisten hadden, verspeelden. Voor nationalistisch Ulster was de zaak duidelijk: Labour was net zo op de hand van de protestanten (en dus vóór de onderdrukking) als de regering-Major. Het was tijd, zeiden de leiders van Sinn Feín, de politieke vleugel van de IRA, voor de opstand. De nationalisten moesten de straat op gaan.
En dat deden ze.
Ulster is terug bij af.