H.J.A. Hofland

Blair, burgemeester in oorlogstijd

De eerste minister zit in het vliegtuig, asgrauw van vermoeidheid. De dag tevoren hebben in het Lagerhuis 122 partijgenoten hem laten weten dat ze zijn oorlogspolitiek niet willen. «De grootste revolte in honderd jaar», schrijven de kranten. Nog schor van zijn strijd in het Lagerhuis — gewonnen dankzij de hulp van de Conservatieven — is hij alweer op weg, deze keer naar Madrid, voor een laat diner met premier Aznar. Hij heeft kou gevat, ook dat nog. En nu heeft hij een interview met Jackie Ashley van The Guardian.

Feitelijk nieuws komt er niet uit. Ze schrijft een portret van een man in het stadium van de moed der wanhoop. Tony Blair, begonnen als vernieuwer van het socialisme, mede-uitvinder van de Derde Weg en trouwste kameraad van Bill Clinton tot in het diepst van de Monica-crisis, wordt door de grillen van het lot de laatste bondgenoot van George W. Bush, met Aznar en Berlusconi als zijn Europese vrienden. Blair is terechtgekomen op de zee van plagen. Dat hij daar zal ondergaan, is niet denkbeeldig meer; hij kan niet meer terug. Ashley heeft een beetje medelijden met de uitgeputte staatsman; uit haar verhaal spreken moederlijke gevoelens.

Blair is rusteloos bezig op alle fronten. Hij probeert Bush en zijn gezelschap te remmen; de VN en de Veiligheidsraad voor irrelevantie te behoeden; voor Chirac en Schröder verstaanbaar te blijven; Saddam aan zijn verstand te brengen dat hij weg moet; Labour ervan te overtuigen dat hij alles voor de vrede, de bestwil van het Verenigd Koninkrijk en de hele wereld doet. Terwijl de hele «internationale gemeenschap» hartstochtelijk verder polariseert, probeert hij de boel bij elkaar te houden. Het is de bescheidenste formule voor het nobelste idealisme. Maar hoe harder hij werkt, hoe verder de doelen zich verwijderen. Hij krijgt verkeerde vrienden. De goeden geloven hem niet meer. Hij vereenzaamt. «Met terugwerkende kracht heb ik een betere kijk gekregen op het burgemeesterschap in oorlogstijd,» zei Hans Steketee, Londen-correspondent van NRC Handelsblad.

Terwijl hij zijn ingewikkelde spel ontplooide, heeft Blair zich tweemaal vergist. In het begin heeft hij de wil tot oorlog van Bush onderschat. En nu, maanden later, is hij verrast door de snel groeiende weerstand tegen deze oorlog, in eigen land en in de rest van de wereld. Hij blijft hopen op de tweede resolutie van de Veiligheidsraad die de oorlog zijn legitimiteit zou verlenen. Maar als die niet komt? Dan hebben de dertigduizend Britse soldaten in Koeweit hun politieke betekenis verloren. Dan moet hij het spel van Bush tot het einde meespelen; meevechten dus.

In Blair kristalliseert zich het grote probleem van deze oorlog: dat van de geloofwaardigheid. Hij kan, zegt hij, niet alles openbaar maken, maar wat de geheime dienst hem over Saddam vertelt, is verschrikkelijk. Als de Amerikanen zelf niet het initiatief tot zijn verwijdering hadden genomen, was hij persoonlijk naar Washington gegaan om hen daartoe te pressen. «Er zit niets anders op.» We moeten hem op zijn woord geloven, of we doen dat niet. Dat is ons probleem. Hij draagt zijn verantwoordelijkheid. De geschiedenis zal over hem oordelen.

Dat Saddam een niets ontziende dictator is, ja, daarover is het laatste woord al lang geleden gezegd. Maar geloven dat hij de Hitler van het Midden-Oosten is? Dat met zijn verwijdering het zaakje op een oor na gevild zal zijn? Dat in de herwonnen pais en vree de wederopbouw van Irak tot een democratische staat van het voorziene leien dakje zal gaan, tot voorbeeld van de rest van de regio? Dat de wereld zich met een zucht van verlichting tot de Pax Americana zal bekeren? Misschien nog in de volgende ambtstermijn van George W. Bush?

De geloofwaardigheid van Blair strandt niet op zijn bedoelingen, en evenmin op zijn volharding, geduld, moed of de politieke behendigheid waarmee hij tot dusver de oorlog heeft weten te voorkomen. Er is een nieuwe fase aangebroken: die van het naoorlogse Amerikaanse optimisme. Dat deze fase al is begonnen nog voor de eerste bom is gevallen, is op zichzelf al typerend. We worden hier geconfronteerd met het optimis me van de hegemoon, waarin elke kritiek, alle twijfel en tegenspraak tot machteloos gesputter van domme knechten wordt gedegradeerd. Het optimisme van de bulldozer. En Blair heeft ook de volgende stap gezet: hij heeft zich tot advocaat van dit Bush-optimisme gemaakt. Hij had geen keus meer.

De geloofwaardigheid was al een probleem. Waarom geen voortgezet containment, zoals Amerikanen en Britten dat al twaalf jaar hebben volgehouden? Waarom juist nu deze oorlog, waardoor de wereld de kans loopt dat overal broeiend onheil explodeert, in plaats van dat het met volhardend, maar traag verlopend blussen wordt bedwongen? Op die vraag is in Washington noch Londen een overtuigend antwoord gegeven. Was dat wel het geval geweest, dan hadden de westerse bondgenootschappen en de internationale organisaties zich niet in een zo deplorabele staat bevonden.

Aan dit gebrek aan geloofwaardigheid wordt nu de poging tot vernedering toegevoegd. Gelooft u ons niet, met onze gebrekkige argumentaties? Des te slechter voor u! Wij zullen niet alleen Saddam verwijderen, maar in de loop van deze operatie ook u, halfhartigen, appeasers en euroweenees mores leren. Eerst Saddam, en daarna komen Chirac, Schröder, Verhofstadt en de rest van het Europese zooitje vanzelf aan de beurt. Ach, hij zal het ongetwijfeld niet hebben gewild, maar door zijn nieuwe rol, impliciet het Amerikaanse neoconservatisme vertolkend, komt Blair in de club van Wolfowitz en Rumsfeld terecht.

Deze oorlog kan, na verwijdering van Saddam, op vele manieren aflopen. Zeker zullen in Irak wapens worden gevonden die in gruwelijkheid alle verwachtingen overtreffen, en misschien zelfs de geheime correspondentie tussen Saddam en Osama. En dan komt de wonderbaarlijke bekering van het hele Midden-Oosten tot de «moderniteit» — of een chaos die nog jaren gaat duren; alle tussenoplossingen voorbehouden. Maar nu al kan een resultaat niet meer ongedaan worden gemaakt. Dat is de polarisatie van het Westen, en daarop volgend de interne westelijke afrekening. Het Kanaal en de Noordzee worden breder dan de Atlantische Oceaan. Als de socialist Blair het overleeft, heeft hij dat aan het compassionate conservatism van vriend Bush te danken. Zo zal hij het niet hebben gewild.

En Balkenende? Die redt zich.