Interview Sir Edward Heath

«Blair graaft zijn eigen graf»

Mister Europe noemen zijn collega’s hem smalend. Maar dat scheldwoord is voor de Britse oud-premier Sir Edward Heath een eretitel. Op zijn 83ste is «Father Ted» nog steeds every inch a sharp man.

In zijn goed bewaakte ambtswoning in de schaduw van Westminster hangen foto’s van Sir Edward Heath met de groten der aarde — onder wie Henry Kissinger, Jimmy Carter, Willy Brandt en Pompidou — als een politiek testament aan de muur. Sir Edward offert al vijftig jaar lang alles op voor de politiek, zelfs zijn privé-leven want hij is nooit getrouwd.

Bent u een eenzaam man?

Sir Edward Heath: «Absoluut niet. Maar het politieke werk is zo tijd- en energieopslorpend dat het moeilijk te verzoenen is met het familieleven. Dat ik alleen door het leven ga, was nooit een bewuste keuze. Het uitbouwen van een familieleven is er gewoon nooit van gekomen. Ik heb geen reden om te klagen: de politiek heeft me als compensatie vele trouwe vrienden gebracht. Intimi op wie ik altijd en in alle omstandigheden kan terugvallen. Ik vind niet dat ik een zielige, oude man ben.

Ik heb nergens spijt van, integendeel, ik heb altijd genoten van het leven dat ik leid. Ik vergelijk een politieke loopbaan als de mijne graag met een rit in een achtbaan: het is een opeenvolging van ups en downs, van onverwachte kronkels en bochten, waarin je voortdurend je grenzen moet verleggen. Dat maakt de politiek zo verslavend.»

U heeft nog steeds veel invloed: toen Richard Branson in 1998 met een ballon rond de wereld voer, kreeg hij ondanks bemiddeling van de Britse regering geen toestemming om over China te vliegen. U regelde de zaak met één telefoontje.

«Ik heb altijd een internationaal blikveld gehad en bouwde in de loop der jaren vele waardevolle contacten op in het buitenland. Ik was 27 keer de gast van de Chinese regering. Daardoor kende ik uiteraard de gewoonten en gevoeligheden van de Chinezen maar al te goed, en was het onderhandelen eenvoudig. Voor Richard deed ik dat wat graag omdat hij me in 1990 had geholpen bij een diplomatieke missie in Irak, waar ik bij het uitbreken van de Golfoorlog onderhandelde met Saddam Hoessein om enkele gevangen Britten vrij te krijgen. Richard Branson had ons een van zijn vliegtuigen ter beschikking gesteld om onze onfortuinlijke landgenoten te repatriëren.»

Onderhandelen met een gevreesd man als Saddam Hoessein, dat was een gedurfde onderneming, op uw 74ste.

«Ik ben een pacifist in hart en ziel en vond dat ik elke gelegenheid te baat moest nemen om op een diplomatieke manier de lont uit het kruitvat te halen. En omdat ik al sinds de jaren zestig goede contacten had in het Midden-Oosten, kreeg ik bij het uitbreken van het conflict in de Golf vele brieven van Britten die er gegijzeld zaten, met het verzoek om hun vrijlating te komen bepleiten. Dus reisde ik, samen met mijn dokter en enkele assistenten, af naar Irak. Ik werd door een gepantserde limousine opgehaald aan het hotel — alleen ik mocht mee — en naar Saddams paleis gevoerd. De andere leden van mijn delegatie vroegen zich toen af of ze me ooit nog levend zouden terugzien, vertelden ze me later. Ik werd op het paleis verwelkomd door Tariq Aziz, de minister van Buitenlandse Zaken. Hij stelde me voor aan de president en trok zich vervolgens terug. Saddam en ik hadden een eerste gesprek op zijn bureau, waarbij alleen twee tolken aanwezig waren. Dat gesprek duurde maar liefst twee uur en een kwartier, waarbij Saddam me uitvoerig de geschiedenis van zijn land uit de doeken deed. Ik luisterde geduldig en vertelde hem vervolgens meteen hoe de zaken ervoor stonden — dat een invasie van Koeweit gelijk stond aan oorlog — en wat we kwamen doen. Hij gaf zonder aarzelen meteen toestemming om de Britten te evacueren. Voor alle duidelijkheid, ik heb geen sympathie voor de man; de manier waarop hij z'n volk misbruikt kan er bij mij niet in. Maar een gek is hij zeker niet. Hoessein is een erg zelfverzekerd, charismatisch en intelligent man. Hij gaf ook blijk van goed inzicht in de politieke en economische situatie in de wereld en was erg geïnteresseerd in de ontwikkelingen in Rusland, Europa en de Verenigde Staten. Ik ben in 1993, na de Golfoorlog, nog teruggekeerd om enkele Britse gevangenen die werden beschuldigd van sabotage vrij te krijgen, met succes. Wat via de gebruikelijke diplomatieke kanalen en de Verenigde Naties niet was gelukt. Waarom het mij wel lukte? Saddam vertelde mij dat hij van de westerse politici alleen voormalig bondskanselier Willy Brandt en mij vertrouwde, ‹omdat jullie de enigen zijn die me steeds de waarheid vertellen›.»

Edward Heath werd in 1916 geboren als de oudste zoon van een schrijnwerker in het Britse kustdorpje Broadstairs, op een boogscheut van Dover. In de opvoeding die hij van zijn ouders kreeg, stonden een diep christelijke overtuiging, een sociale ingesteldheid en muziek centraal. In 1935 werd Heath geaccepteerd aan de prestigieuze universiteit van Oxford, waar hij economie, politieke wetenschappen en filosofie ging studeren. Het was aan de universiteit dat zijn passie voor politiek en beleid de kop opstak en dat Edward Heath lid werd van de Conservatieve Partij. Hij was vastbesloten om na het behalen van zijn diploma een politieke carrière op te bouwen. In 1939 studeerde hij af, maar hij moest zijn politieke ambities aan de kant zetten vanwege de nakende oorlog. Heath ging onder de wapens en verbleef in 1945 met de Britse en Amerikaanse bevrijdingstroepen een tijdje in Antwerpen en Eindhoven. Nadat de Duitsers waren verslagen, keerde hij terug naar huis, waar hij een job in de ambtenarij aanvaardde — bij het ministerie van Burgerluchtvaart — om de kost te verdienen tot hij een zitje in het parlement zou veroveren. Dat gebeurde in 1950 en was het startschot van een bloeiende carrière. Heath schopte het tot minister van Arbeid in 1959, belandde vervolgens op Buitenlandse Zaken, werd in 1965 verkozen tot partijvoorzitter (tot 1974) en veroverde met een grote verkiezingsoverwinning in 1970 Downing Street 10. Als eerste minister slaagde hij erin om Groot-Brittannië — ondanks felle weerstand binnen zijn eigen partij en bij Labour — de Europese Gemeenschap binnen te loodsen.

Aan zijn premierschap kwam een abrupt einde in 1974, toen zijn kabinet ten val werd gebracht door stakende mijnwerkers. Maar dat betekende allerminst dat zijn loopbaan in een sukkelstraatje was beland: zowel in het Britse parlement als in diplomatieke kringen en binnen zijn partij is hij vandaag, op zijn 83ste, nog steeds een van de zwaargewichten, die met zijn vlijmscherpe standpunten en onovertroffen dossierkennis regelmatig hoogoplopende discussies uitlokt.

In een wandrek staan tussen boeken die zijn passie voor zeilen en voetbal verraden — de oud-premier was tot zijn 67ste wedstrijdzeiler (hij won de befaamde Admiral’s Cup) en is een vurig supporter van Arsenal — enkele exemplaren van zijn onlangs verschenen autobiografie The Course of My Life, een turf van 763 bladzijden

U vierde in februari uw vijftigste verjaardag als parlementariër in the House of Commons. U schreef toen in The Sunday Times: «Ik heb heimwee naar the House of Fun, de Britse politiek is de jongste jaren minder plezierig geworden.» Hoe komt dat?

«Het parlementaire werk schenkt me inderdaad steeds minder voldoening. Het heeft zijn scherpe kantjes verloren. Met pijn in het hart zie ik hoe het Lagerhuis langzaam maar zeker leegloopt en dat de typisch Britse debatcultuur afbrokkelt. Dat proces kwam enkele jaren geleden op gang met de intrede van de televisie in het parlement. Elk parlementslid kan daardoor de debatten rechtstreeks volgen vanuit zijn kantoor in de stad. En dus nemen heel wat volksvertegenwoordigers niet eens de moeite meer om de zittingen bij te wonen. Het klinkt wellicht nostalgisch, maar vroeger was het beter. Toen waren politici nog bezield door een echte ideologie en werd er in het parlement tenminste nog aandachtig geluisterd naar de politieke tegenstanders om hen vervolgens kritisch aan te pakken. Dat zien we nog zelden. Het gevolg: de burgers raken ook gedesinteresseerd. Spreek op straat tien mensen aan en je zult zien dat geen van hen op de hoogte is van de dossiers die in het Lagerhuis worden besproken. De kiezer heeft een volledig vertekend beeld van de politiek. Al wat ze van het beleid onthouden, zijn enkele spectaculaire quotes van de premier, liefst over de werkloosheid of de sociale zekerheid, die de voorpagina’s van de kranten of de tv-journaals halen. Uitspraken die ze klakkeloos voor de waarheid aannemen. Haast niemand verdiept zich nog in de achtergronden, in de oorzaken en gevolgen. No one gives a damn. Ik vind dat een gevaarlijke ontwikkeling die op termijn niet alleen ons politieke systeem, maar onze hele samenleving ondergraaft.»

De Britse premier Tony Blair wordt erg gewaardeerd door zijn Europese collega’s. Vindt u hem een goede eerste minister?

«Ik ben niet zo onder de indruk van Blair. Ik stoor me mateloos aan de arrogantie waarmee New Labour het land regeert. Onze ministers horen hun beleidsplannen eerst toe te lichten en te verdedigen in het Lagerhuis. Maar premier Blair en zijn kabinet doen precies het omgekeerde: zij lichten liever eerst de pers in en walsen vervolgens over het parlement heen. In tal van dossiers trachten zij hun zin door te drijven of eigen mannetjes te benoemen. Tony Blair graaft zijn eigen graf. Hij neemt een loopje met onze democratie. Waar is hij bang voor? Voor zichzelf misschien? Labour heeft in het parlement zo'n ruime meerderheid dat het voor de twee an dere grote partijen, de Conservatieven en de Liberale Democraten, sowieso bijna onmogelijk is om een rol te spelen in de besluitvorming. (Fel) Ik voorspel u dat dit niet zal blijven duren. Zelfs de Labour-parlementariërs, die Blairs capriolen tot nu toe zonder veel morren hebben geaccepteerd, vinden dat ze het beleid meer moeten kunnen bepalen.»

Exact 25 jaar geleden spraken de Britten zich — op uw aangeven — in een referendum uit voor het lidmaatschap van de toenmalige EEG. De jongste jaren tonen uw landgenoten en enkele Labour-kopstukken opnieuw sterke twijfels bij een verdere Europese integratie en de monetaire unie. Wat vindt u van die euroscepsis?

«Ik heb van meet af aan benadrukt dat de Europese Unie economisch pas sterk staat wanneer de lidstaten op één munt overschakelen. Ik betreur het dan ook dat sommige Britse politici — zelfs sommigen uit mijn partij, met de voorzitter op kop — zich zo halsstarrig verzetten tegen de afschaffing van het pond sterling. Ze schermen daarbij met een recente opiniepeiling waarin zeventig procent van de Britten zich heeft uitgesproken voor de handhaving van onze munt. Maar ze vergeten dat de bevolking niet echt tegen de euro is gekant: de meerderheid van de ondervraagden zegt in dezelfde enquête ervan overtuigd te zijn dat de single currency onvermijdelijk is en stelt zich daarbij neer te zullen leggen. De bevolking heeft het moeilijk met de omschakeling naar de euro, om sentimentele redenen. Zoals u weet zijn de Britten van oudsher een nationalistisch volk en dat de koningin op onze munten en bankbiljetten is afgebeeld, symboliseert die trots. Maar dat mag voor een politicus geen argument zijn om deze belangrijke stap voorwaarts tegen te houden. Onze economie zal alleen maar baat hebben bij de invoering van de euro. Wat me bij een andere drogreden brengt waarom sommige politici niet meewillen: de omrekening van ponden naar euro en vice versa zou de consument zogezegd te zwaar vallen en dus slecht zijn voor de economie. Klinkklare onzin. Hetzelfde argument werd in 1968 gebruikt toen we de shilling afschaften en de decimale pence invoerden. Die omschakeling verliep vlekkeloos.»

Uw collega’s in Westminster hebben nog meer angst voor de politieke eenmaking dan voor de economische integratie. Toen de Duitse minister Joschka Fischer enige tijd geleden een pleidooi hield voor een federaal Europa met een grondwet, een parlement en een regering, reageerden tal van Britse politici alsof ze de duivel hadden gehoord.

«Het afstaan van bevoegdheden aan Brussel of Straatsburg is voor velen inderdaad een nachtmerrie. Ten onrechte. Ze doen alsof wij ons lot volledig in handen zullen leggen van de andere lidstaten en dat is nonsens. Als de politieke unie een feit is, zullen de regeringen van de lidstaten niet minder te zeggen hebben, ze zullen bevoegdheden met elkaar delen. Dat een dergelijke synergie niet machteloos maar machtiger maakt, bewijst de Navo al jaren. Bovendien: de overheveling van bevoegdheden zal niet van vandaag op morgen gebeuren, en tegelijkertijd zullen regionale besturen steeds meer autonomie en verantwoordelijkheid krijgen. Meer democratie dus, wie kan daar tegen zijn? Ik begrijp niet dat men zoveel moeite heeft met het positieve project dat de eenmaking van Europa is. De filosofie achter de oprichting van de unie is het ontwikkelen van een gezamenlijke strategie voor gezamenlijke problemen als werkloosheid en inflatie. De toenemende globalisering van de economie en de politiek confronteren ons steeds meer met internationale problemen: denk maar aan de milieuvervuiling, conflictbeheersing, de liberalisering van de handel, de economische en politieke vluchtelingen en zelfs de criminaliteit. Die problemen maken internationale samenwerkingsverbanden meer dan ooit noodzakelijk. Dat politici die ontwikkeling negeren, is pervers. Hier in Groot-Brittannië is veel onvrede vanwege de grote stroom asielzoekers en vluchtelingen. Dat grootschalige probleem kunnen we alleen maar oplossen met een gezamenlijk asiel- en vluchtelingenbeleid.

We hebben trouwens al met schade en schande moeten ontdekken dat we in ons eentje niet meer tegen echte moeilijkheden opgewassen zijn, namelijk in de jaren volgend op de oliecrisis van 1973 toen de Europese samenwerking op een laag pitje werd gezet. Dat was dramatisch! Laten we die fout alsjeblieft geen tweede keer maken. Onze regering staat nu voor een cruciale beslissing. Ik hoop dat ze zich daarbij niet zal laten leiden door eurofobische vooroordelen, maar dat ze in het belang van de natie snel kiest voor de monetaire unie. Want de andere Europese landen zullen met de verdere eenmaking en integratie niet wachten tot de Britten er eindelijk zin in hebben. En ik verzeker u: als we de boot missen, zullen we over enkele jaren niet alleen economisch maar ook politiek helemaal uitgeteld zijn.»