H.J.A. Hofland

Blair, oorlogsinvalide

Tony Blair is de bokser die in de laatste minuten van de twaalfde ronde wankelend de regen van slagen probeert af te weren en dan tussen de spleetjes van zijn bijna dichtgeslagen ogen de scheidsrechter ziet, die al ongeduldig de arm heeft geheven om hem, onder vreugdegehuil van het publiek, uit te tellen. Sportief volk, die Britten. «Never kick a man when he is down.» Het ogenblik om dat te doen is aangebroken als hij onherstelbaar door zijn knieën begint te zakken. Als u dit leest weten we of hij k.o. is gegaan of levensgevaarlijk op punten heeft verloren. Voor zijn politieke toekomst maakt het niet veel uit.

Voor de neergang van de staatsman worden drie oorzaken aangewezen: de oorlog met zijn complicaties en dan vooral de denkbeeldige massavernietigingswapens; de voorgestelde verhoging van de collegegelden aan Engelse universiteiten (niet die in Schotland en Wales), en het feit dat steeds meer kiezers hebben besloten dat zijn gezicht en gedrag hun de keel uithangen. Ze willen weer eens iets nieuws zien. Het is dus de vraag of de kiezers er anders over zouden denken als in Irak vervaarlijke arsenalen waren opgegraven en Blair de universi teiten met rust had gelaten.

Blair heeft één onvergeeflijke fout gemaakt. Hij heeft de weerstand tegen de oorlog onderschat en gerekend op een rechtvaardiging die niet bestond. Herinneren we ons de toestand van een jaar geleden. De oorlog naderde, maar (dachten we tegen beter weten in) was nog niet onvermijdelijk. Als toen iemand de oorlog kon voorkomen, zou Blair het moeten zijn: de vriend en bondgenoot van George W. Bush én Europeaan. Met zijn heilig geloof in Saddam Hoesseins mvw’s en door het sturen van dertigduizend soldaten had hij toegang tot het Witte Huis gekocht. In de laatste weken voor de shock and awe probeerde hij de ruziezoekende bond genoten te vriend te houden en de oorlog net zo lang uit te stellen tot die niet meer nodig zou zijn. Dat dacht ik toen over Tony Blair. Niet het poedeltje van Bush, maar een zelfstandige staatsman.

Maar iedereen liet hem, met of zonder plichtplegingen, in de steek. Chirac, Schröder, Kofi Annan, Poetin en ten slotte Rumsfeld, die zich liet ontvallen dat de Amerikanen het zonder die dertigduizend Britten ook wel hadden geklaard. Alleen zijn Spaanse en Italiaanse collega’s Aznar en Berlusconi bleven hem trouw. «With friends like this, who needs enemies?» zeggen ze dan. Toen is, achteraf gezien, Blairs neergang begonnen.

De oorlog ving aan. Bijna een jaar lang hebben de beste deskundigen zich suf gezocht naar die mvw’s. Zelfs minister Powell liet in het openbaar weten dat die mvw’s er niet zijn. Dat deed hij een paar dagen voordat zijn trouwe Britse vriend, deze week, voor zijn leven moet vechten. Of Powell het expres doet!

(Mij heeft het trouwens verbaasd dat er geen massa vernietigingswapens zijn gevonden. Als je een oorlog rechtvaardigt die de wereld overhoop haalt, neem je geen risico’s en maak je je eigen casus belli. Je hebt geheime diensten, special forces. Laat die er voor alle zekerheid een paar in de woestijn begraven. Zo zouden ze het in Hollywood hebben aangepakt. Wag the Dog. Een relatief kleine leugen voor per slot van rekening de bestwil van de hele wereld. Het valt me tegen van de heren.)

Intussen is dan het debat over de hervorming van het hoger onderwijs achter de rug. Meer dan een verdubbeling van het collegegeld, met beurzen voor arme, begaafde studenten die het geld later moeten terug betalen. Rijke ouders betalen de studie van hun slimme kinderen meteen uit eigen zak. De voorgestelde verhoging komt neer op verdrievoudiging, tot tegen de zesduizend euro per jaar, gemiddeld, want er zijn nog allerlei differentiaties, te ingewikkeld om uit te leggen.

De universiteiten verkeren in slechte toestand, en ze moeten meer geld hebben. Tony Blair probeert langs een omweg de vrije markt op te gaan; de meerderheid van zijn partij beschouwt het als een breuk met het principe van de gelijkheid van kansen. Hier opent zich een moeras van casuïstiek. Uit de verte gezien is alleen van belang dat het Blair geen goed doet.

Rest het bezwaar dat het publiek in meerderheid genoeg heeft van zijn stem, gezicht, haardos, het merk dat Blair heet. Daaruit volgt de vraag: is een politicus een verbruiksartikel, ongeveer zoals de carrosserie van een auto het onvergankelij ke oerprincipe van vier wielen, een motor, stuur en remmen tot een verbruiksartikel maakt? Peter Preston, columnist van The Guardian, noemt hem een meester, een vechter, een redenaar die zijn collega’s in het Westen ver achter zich laat. Hij denkt dat Blair zijn moeilijke week zal overleven maar dat hem dit niet zal helpen, omdat het publiek een andere smoel wil zien.

Daar ben ik niet zo zeker van. Blairs noodlot is dat hij George W. Bush als tijdgenoot heeft getroffen en dat aan Irak voor een Britse premier hoe dan ook geen eer te behalen valt. Het meedoen heeft hem zelf in intriges verstrikt en het Ver enigd Koninkrijk tot knecht gemaakt. Door niet mee te doen had hij zich aan de sputterende zijlijn geplaatst. Iedere keuze was de verkeerde. En in zo’n situatie helpt het niet dat je au fond een mooie, slimme jongen bent. Het publiek wil pas een ander gezicht zien als degene die het draagt niet meer doet wat het publiek wil. En dit publiek wilde geen slachtoffer, maar een overwinnaar. In dit geval een eis aan iemand die hoe dan ook gedoemd was te verliezen. Als beloning krijgt hij medelijden.