De Britse samenleving onder druk

Blair. Wat nu?

Hoe moet het nu verder met Engeland? Tony Blair probeert met enkele technocratische lapmiddelen de verwarring te verminderen.

Met de veiligheid van Tony Blair zit het wel goed. Downing Street was ten tijde van Mar garet Thatcher al afgesloten met gietijzeren hekken en nu staan er ter hoogte van dit geprivatiseerde straatje hekken op de stoep van de Whitehall. Om de veiligheid te vergroten wordt de hele politieke wijk van Londen, tot en met de London Eye, binnenkort verboden terrein voor demonstranten. Daarnaast liggen er plannen om een ondergrondse tunnel aan te leggen naar Downing Street. Tot slot zal de premier de 250 meter van zijn ambtswoning naar het parlement in de nabije toekomst niet meer per voet of taxi afleggen, maar per kogelvrije Jaguar.

Anders is het gesteld met de veiligheid van de Britse bevolking, de inwoners van Londen voorop. Waar de aanslagen van 7 juli zorgden voor een hype rond de devil-may-care-houding van de bloodyminded Britten, compleet met alle referenties naar de geest van Duinkerken, de thatcheriaanse «show-must-go-on»-reactie na de aanslag op het Grand Hotel in Brighton en het Cool Britannia uit de wittebroodsweken van New Labour, daar zorgden de bijna- aanslagen voor de eerste sporen van angst. «I’m wondering. Is this my life now?» vroeg een vrouwelijke metropassagier zich af.

Ook op de sofa van Downing Street moet onrust hebben geheerst. Na de eerste aanslag zei een adviseur: «Als het een eenmalige gebeurtenis is, zijn we veilig, maar als er andere incidenten komen, hebben we een groot probleem.» Na 7 juli volgde een inspirerende rede van Blair – het typerende verschil met Winston Churchill was dat hij zijn toespraak niet voor de volksvertegen woordiging hield, maar voor de marmeren open haard van 10 Downing Street – maar veertien dagen later kwam hij niet verder dan, kort samengevat: blijf kalm. Hijzelf gaf het goede voorbeeld door ’s avonds gastheer te zijn bij een tuinfeest achter zijn ambtswoning.

Tony Blair heeft zich de laatste jaren ontpopt als een crisismanager, maar een penibele situatie als deze heeft hij nog niet eerder meegemaakt. Hij heeft er alles aan gedaan om de aanslagen – «incidents» geheten – van hun politieke lading te ontdoen. Ze zouden weinig te maken hebben met de islam en niets met de Britse deelname aan de oorlog in Irak. Volgens Blair waren het niets minder en niets meer dan criminele daden, gepleegd door barbaarse onderdanen van Hare Majesteit. De vraag is of deze positie houdbaar is. Afgelopen zondag verklaarde de minister van Buitenlandse Zaken Jack Straw – die in de jaren zeventig licht gewond raakte bij een IRA-aanslag op de Old Bailey – dat «Irak» misschien toch wel een rode lap voor Angry Young Muslims vormt, iets waar tweederde van de bevolking van overtuigd is en waar ook diverse angstaanjagende websites van jihadistische terreurorganisaties een bewijs voor vormen. De zoekgeraakte massavernietigingswapens, zo is de teneur, doken op in de Victoriaanse rijtjeshuizen in West-York shire. Kort na de aanslagen lekte toevallig het plan uit om de Britse aanwezigheid in Irak eindelijk af te bouwen, en bij het ministerie van Defensie groeien nu de twijfels over het sturen van extra troepen naar het zuiden van Afghanistan, zoals Blair van plan is.

Het Britse terrorismebeleid krijgt ondertussen steeds meer kritiek van bondgenoten. Op de dag van de bijna-aanslagen meldde de Australische premier John Howard, te gast bij Blair, dat het Verenigd Koninkrijk 21ste-eeuws terrorisme probeert te bestrijden met een negentiende-eeuws juridisch systeem. De Pakistaanse president Pervez Musharraf reageerde kribbig op beschuldigingen van Britse zijde dat de «madrassas» in zijn land academies zijn voor hemelbestormende terroristen, zoals de jongemannen uit Leeds en Luton. De generaal zei er alles aan te doen om terrorisme te bestrijden, eraan toevoegend dat hij van Blair hetzelfde verwacht: «Groot- Brittannië biedt onderdak aan radicale organisaties als Hizb ut-Tahrir en Al-Muhajiroun die straffeloos kunnen opereren. Ze preken haat en geweld.»

Ook Blairs neoconservatieve vrienden klagen over de zachtaardige aanpak van haatzaaiers en terroristen in het Verenigd Koninkrijk, getuige een «Brief uit Londonistan» die onlangs in hun tijdschrift The Weekly Standard werd gepubliceerd. Het Europese voor zitterschap van de Britten gaat hier momenteel ongemerkt voorbij, al stak de Franse minister van Buitenlandse Zaken Dominique de Villepin Blair een hart onder de riem door te stellen dat er nu grotere zorgen zijn dan een gemeenschappelijk landbouwbeleid en de Britse compensatie op de Europese begroting. De Conservatieve oppositie is te druk met de strijd om een nieuwe leider, al borrelde daar wel een plan op om een minister van Homeland Security in te stellen.

Die functie is thans toebedeeld aan minister van Binnenlandse Zaken Charles Clarke, die in de kranten steevast met een slecht passende politiehelm wordt afgebeeld. Het is een gezellige bullebak met een hoog ambtenaargehalte uit de new-labouriaanse enclave Islington, maar geen autoritaire leider zoals zijn voorganger David Blunkett, wiens harde lijn met terugwerkende kracht waardering geniet. Clarke houdt van fair play en om te laten zien dat hij geen politiek gewin nastreeft zei hij kort na de aanslagen dat identiteitskaarten, waar hij voor is maar de Conservatieven tegen zijn, geen verschil hadden uitgemaakt. Sterker, de politie kon de namen van de zelfmoordcommando’s zo snel prijs gegeven doordat ze onvervalste identiteits documenten bij zich hadden. Denkend vanuit het principe dat de garantie niet te worden opgeblazen ook een vorm van vrijheid is, heeft Clarke al nieuwe wetten in het vooruitzicht gesteld. Het plannen van ter roristische aan slagen, het bijwonen van jihadistische kampen en het verheerlijken van terreur zal in de nabije toekomst worden verboden. Tevens zullen afgeluisterde telefoongesprekken worden toegelaten als bewijs bij rechtszaken, iets wat in Nederland al heel gewoon is. Van kritiek op de geheime diensten, die soms net zo diep slapen als de ter roristische cellen, wil hij niets weten, al bleek één van de vier bommenleggers, Germaine Lindsay, op een signaleringslijst te hebben gestaan.

Een heikel punt blijft de luidruchtige aanwezigheid van radicale geestelijken, die ooit als asielzoeker het Verenigd Koninkrijk zijn binnengekomen en er nu alles aan doen om het groene en plezierige land, zoals het in William Blake’s officieuze volkslied Jerusalem wordt genoemd, te veranderen in een islamitische theocratie, compleet met ayatollahs, jihabs en boekverbrandingen. Het Verdrag van Genève (waar de Conservatieve oppositie uit wil stappen) biedt weliswaar de mogelijkheid asielzoekers terug te sturen wanneer ze een bedreiging vormen voor de staatsveiligheid, maar het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (waar de helft van de Conservatieve oppositie uit wil stappen) blokkeert de mogelijkheid om mensen terug te sturen naar een land waar ze gevaar lopen. Omar Bakri Mohammed, grondlegger van de Al-Muha ji roun, kan bijvoorbeeld niet naar Syrië terug worden gevlogen omdat de «Ayatollah van Tottenham» daar zal worden afgestraft voor terreurdaden. Iets dergelijks geldt voor Yasser El-Sirri, de Egyptische fundamentalist die in zijn vaderland straffen moet uitzitten voor terrorisme en thans in Londen een islamitisch Observation Centre leidt. Als er al een uitzettingsprocedure op gang wordt gezet, kan het nog jaren duren eer er een definitieve uitspraak komt.

Bij Scotland Yard is inmiddels «Wanted: Dead or Alive» tot motto verheven. Deze strijdtactiek leidde reeds na een dag tot de dood van een Braziliaanse elektricien in Zuid-Londen, «the wrong man», op z’n hitchcockiaans. Het roept herinneringen op aan het onbeholpen rechercheren ten tijde van de IRA-aanslagen in de jaren zeventig waar menige blunder werd begaan. Binnen politieke kringen is deze shoot-to-kill-strategie, inmiddels omgespind tot «shoot-to-protect», onomstreden. Slechts op de opiniepagina’s van de kranten zijn er twijfels terug te vinden. In The Times schreef een woedende Tim Hames dat hij de oorlog te gen het terrorisme steunt, net zoals hij de Irak-invasie steunde, maar dat «als al-Qaeda een sfeer heeft gecreëerd waarin de maatschappij zijn schouders ophaalt wanneer een gewone burger vijf kogels in zijn kop krijgt gepompt door de politie, de terroristen reeds een bescheiden overwinning hebben ge boekt».

Het paniekerige optreden van de politie staat momenteel in schril contrast met de relatief onderkoelde houding van de Londenaren, die de Big Ben niet meer kunnen horen slaan door alle sirenes. Sinds het verschijnen van het MacPherson-rapport zes jaar geleden waarin de hoofdstedelijke politiek van institutioneel racisme werd beticht, is het vervolgen van moslimterroristen er overigens niet gemakkelijker op geworden. Het zonder sterke verdenking staande houden van een gekleurde burger gaat niet zonder het invullen van een formulier met veertig vragen. Het stop-and-search-werk keert nu terug, waarbij waarschijnlijk niet zozeer iemands uiterlijk als wel het wel of niet dragen van een rugzak de leidraad zal zijn. Het opvallende van het politieonderzoek is het beroep dat op burgers, vooral zij met camera’s op de mobiele telefoon en, niet te vergeten, de moslimgemeenschap wordt gedaan. Fungeerde Crimewatch, het Britse Opsporing verzocht, vroeger als een middel om een vastgelopen onderzoek vlot te trekken, daar vormt informatie van burgers nu het begin. Iedereen is nu detective.

Een sociaal-politieke kopzorg voor Blair is de toekomst van de multiculturele samenleving, een historisch lot van de natie, in de woorden van de filosoof John Gray. De laatste jaren is de Britse regering obsessief bezig geweest met het stimuleren van de culturele diversiteit. Er mocht geen dominante cultuur meer zijn, er werden op staatskosten speciale «geloofscholen» opgericht en zelfs een enquête over het parkeerbeleid in een Zuid-Londense buurt ging voor eenderde over de culturele achtergrond van de respondent, en dat in zeventien talen. Britten maakten plaats voor Britse Pakistani, Britse Ieren en Britse Grieks-Cyprioten. De Union Flag, de bijbel en het kinderliedje Baa, Baa, Black Sheep kwamen onder toenemende druk. Onlangs nog wilde een Labour-raadslid in Wolverhampton Edward Elgars Land of Hope and Glory bij de Proms vervangen door I’m Sailing van Rod Stewart. Zowel de Engelsen met hun kruis van George als Pakistani met hun maansikkel geraakten in een identiteitscrisis. De bommenleggers van 7 juli waren op het eerste gezicht het toonbeeld van geïntegreerde jongeren die cricket en zoute patat met een azijnsmaak waardeerden en nota bene woonden in Yorkshire, het Texas van Engeland. Achteraf gezien bleken ze de Britse way of life te verafschuwen.

Hoe nu verder? Naast het introduceren van vergunningen voor achterkamertjesmoskee en en het aankondigen van cursussen maatschappijleer voor imams heeft Blair een task force in het leven geroepen bestaande uit het moslimestablishment – een lord hier, een ridder van het Britse rijk daar. Het doel is de moslimgemeenschap, die ondanks alle diversity outreach workers moeilijk begaanbaar terrein binnen de open samenleving is gebleven, te bereiken om liberale stromingen binnen de islam te stimuleren. Zouden ze helpen, deze technocratische lapmiddelen? Jonge Britse moslims kijken met eenzelfde wantrouwen naar de traditionele gezags dragers als hun blanke vrienden. Misschien kan Blair de verwarring rond identiteit verminderen door te benadrukken dat de open samenleving een Brits karakter heeft, zo Brits als de inmiddels spreekwoordelijke onverzettelijkheid der Londenaren.