Een broeierig verhaal

Blank zweet op Jamaica

’s Ochtends neemt uw vrouw mij vanaf haar ligbed langs het zwembad in zich op. ’s Avonds kom ik haar weer tegen.

HOE DE NACHT ook is verlopen, ik heb altijd dezelfde routine. Ik scheer me en douche kort. Altijd met koud water, een gewoonte die ik uit mijn kindertijd met me meedraag. Daarna zoek ik zorgvuldig mijn kleren uit. De broeken die ik op dit moment graag draag zijn van koel katoen, in kleuren als taupe of beige. Ze zijn van een Amerikaanse ontwerper en worden geïmporteerd via Miami. Hij is mijn nieuwste obsessie. Mijn overhemden zijn op maat gemaakt door de oude kleermaker die nog voor mijn vader pakken innam. Ze worden met militaire precisie gestreken door de wasvrouw. Ik draag schoenen, geen sandalen. Het enige sieraad dat ik draag is mijn horloge. Meer heb ik niet nodig. Mijn huid is glad en heeft de zon tussen haar poriën gevangen. Ik laat mijn haar elke twee weken knippen, maar verf het grijs bij mijn slapen niet bij. Het staat me nu eenmaal goed.
Om acht uur ’s ochtends drink ik koffie in de bar van het Four Seasons Hotel. Ik onderhoud goede contacten met dit hotel, net als met het resort dat aan het einde van de weg ligt. De manager begroet me als altijd even hartelijk. We praten over zaken en nemen de laatste roddels door, terwijl iemand van het personeel een eenvoudig ontbijt van toast met marmelade voor me neerzet. Om ons heen start de dag langzaam op; de vloer van de bar wordt aangeveegd, het koper op de deuren nog eens opgepoetst. We kijken uit op het zwembad waarlangs de eerste gasten zich neervlijen op smetteloos witte ligbedden. ‘Wit op wit’, ginnegapt het personeel buiten gehoorsafstand. De muziekboxen waarmee het terrein omzoomd is, zwijgen in deze vroegte nog. Het enige geluid is het ruisen van de wind door nauwkeurig aangelegd groen, en de zee in de verte. Het is een van mijn favoriete momenten van de dag.
Na het ontbijt lees ik de krant door aan een tafel op het terras. Ik draag een boekje bij me voor aantekeningen, want niet zelden doe ik ideeën op aan de hand van het nieuws. Ik lees, ik schrijf wat, ik kijk naar de hotelgasten, groet degenen die ik eerder heb gezien. Het duurt nooit lang voordat iemand zich bij me voegt. Het is niet altijd een vrouw, vaak genoeg spreken mannen me aan, en vragen of ze erbij mogen komen zitten. Mannen als u, zijn dat. Zij wijzen me dan op de schoonheid van onze zee. Die is onwaarschijnlijk blauw, dat weet ik. Toch knik ik, als altijd, toegeeflijk. U denkt dat ik uw inzicht nodig heb om mijn wereld opmerkzaam te zijn. Ik gun u die overtuiging.
Terwijl wij praten, neemt uw vrouw me nauwkeurig op, denkende dat ik te veel opga in ons onderhoudende gesprek om het te merken. Een belangrijk onderdeel van het spel is toestaan dat je wordt bekeken. Dat begrijpen vrouwen van nature. Ik laat me bekijken, en laat nooit merken een ongehoorde interesse te hebben. Het is immers uw vrouw.

ALS U NIET BEGRIJPT WAAROM mannen als ik zo’n aantrekkingskracht hebben op uw vrouwen nodig ik u uit om vooral verder te lezen. Of, en dat is misschien een nog beter idee, u kijkt toe hoe uw vrouw mijn woorden tot zich neemt. Zet haar neer op de bank, in uw huis, ver weg van mijn eiland, en zie hoe ze haar lippen bevochtigt met het puntje van haar tong. U was vergeten hoe roze haar tong was. Van een pijnlijk zachte, zoetroze kleur. Ziet u, ik vergat dit niet.
Ze schuift een beetje heen en weer, schielijk haast. Alsof ze de gedachten die zich al lezend aan haar opdringen, probeert te ontwijken. Legde u nu een vinger tegen haar hals, dan voelde u het onder haar huid kloppen, een kleine obsceniteit waar u verrukt op dient te reageren.
Wat is die blos op haar huid? Is het uw aanraking? Of zijn het mijn woorden? Hoe dan ook, doe er uw voordeel mee. Want hoe ik ook tracht tot haar door te dringen, haar bezitten doe ik niet. Want alleen u, blanke mannen, bezit uw vrouwen. Ik ben enkel haar donkere fantasie, ik doe haar trillen in haar gedachten.

NA DE KRANT, het is tien uur, half elf, rijd ik naar het restaurant. Vanaf dat moment werk ik. Ik kan niet zeggen dat ik er altijd van geniet, daarvoor kleeft er te veel verplichting aan de handelingen die ik verricht, maar ik doe het nooit met tegenzin. Eten doe ik pas laat, als de keuken voor de klanten gesloten is. Daarna ga ik door naar de bar, waar de sfeer ondertussen al warm en veelbelovend is. Ik kan van mijn managers op aan, dus ook al verplicht ik mezelf elke avond aanwezig te zijn, ik hoef ze niet vaak te corrigeren of te controleren, dus doe ik ook hier wat ik deed toen ik de dag begon. Mensen kijken. Gasten die ’s ochtends aan het zwembad lagen, weten vaak hun weg ook naar mijn bar te vinden.

SOMS IS ER DAN ZO’N VROUW ALS DE UWE. Een die ’s ochtends van achter haar donkere zonnebril naar me keek. Aan haar blik, die ik nu wél beantwoord, kan ik zien dat ze weet wie ik ben. Een vrouw als zij laat zich niet makkelijk verleiden. Ze heeft navraag gedaan, misschien bij de handdoekjongen, of bij mijn vriend, de manager. Ze wilde weten wat ik doe in het hotel, of daarbuiten. Ze wilde weten, eigenlijk, of ze me kon vertrouwen in het avontuur dat ze wilde aangaan. ‘Hij heeft twee restaurants’, was het antwoord. ‘En een bar.’ Ze keek ervan op, schrok misschien een beetje van haar eigen verbazing, een verwachting die ze zonder aanleiding had en die niet was ingelost. Haar informant vertelde nog meer. Mijn zaken staan hoog aangeschreven op het eiland. Ik bied kwaliteit. De prijzen liggen hoog. Het publiek is jong, succesvol en bovengemiddeld mooi.
Ze knikt goedkeurend. Ze heeft nu een excuus om bij me langs te gaan; zonder een bezoek aan mijn cocktailbar is een vakantie op dit eiland niet compleet. Dus trekt ze het mooiste jurkje aan dat ze bij zich heeft, dankbaar dat ze naast haar slippers ook een paar pumps heeft ingepakt. Ze heeft zich ingesmeerd met een dure aftersun en beseft nu al dat aan de geur ervan altijd een herinnering aan mij, en mijn eiland, gebonden zal zijn. Als ze in de spiegel kijkt, ziet ze dat haar bikini witte strepen heeft getrokken tegen de gebronsde huid van haar borst. Het verstoort de perfectie die ze wil uitstralen, en ze is er een moment door uit het veld geslagen. Het zal ’s avonds nog een paar keer door haar gedachten gaan, haar onzeker maken. Maar het is precies dat barstje in haar zelfvertrouwen dat ik aantrekkelijk aan haar zal vinden. Onderweg naar de bar bedenkt ze dat ik er misschien zelf niet zal zijn. Als ze er bijna is, moet ze een beetje lachen om het vlinderachtige gevoel in haar maag. Ze herkent het, en begroet het als een oude vriend die ze niet had verwacht ooit nog tegen te komen. Als ze niet beter wist, zou ze denken dat ze verliefd was.

IK BEGON mijn carrière met een klein restaurant in een drukke, toeristische straat in het centrum. Al snel werd duidelijk dat ik me moest onderscheiden als ik kans wilde maken om te overleven. Ik ontsloeg de kok en trok een veelbelovende jonge vrouw aan. Ze had een frisse kijk op wat culinair mogelijk was. Bovendien was ze bloedmooi. Met het geld dat mijn vader had gespaard om me naar een goede universiteit te sturen, liet ik het restaurant verbouwen en brak ik de muur naar de keuken open. Mijn mooie, getalenteerde kokkin stond zo elke avond voor het oog van de gasten te koken. Haar schoonheid staat aan de basis van mijn succes. Vijf jaar later liet ik me uitkopen door een rijke Amerikaan met een crush. Met dat geld begon ik een nieuw restaurant, daarna een tweede en uiteindelijk een bar. De cocktails die hier geserveerd worden, zijn duur maar goed. Ik stuur het barpersoneel naar Cuba om de kunst van het mixen onder de knie te krijgen. Ze zijn jong en mooi, net als de kokkin met wie ik begon. Dat ik zelf ouder begin te worden, deert me niet. Zoals ik al zei, mijn grijze haren staan me goed.
Het verbaast veel mensen dat ik geen vaste plek in mijn bar heb. Geen viphoekje van waaruit ik op anderen kan neerkijken. Ik zit waar er plek is. Ik ga op in het publiek. Bovendien weet iedereen wie ik ben. Hun respect heb ik al verdiend, dat hoeft een gereserveerde tafel niet af te dwingen. Mijn onzichtbaarheid werkt ook in mijn voordeel als de vrouw die speciaal voor mij komt in de bar staat. Zij zoekt, terwijl ik haar al gezien had toen ze binnenkwam. Ze trekt haar jurkje recht, bestelt een drankje, kijkt nonchalant om zich heen. Als ze me dan eindelijk ziet, lach ik ten teken dat ik haar heb herkend. Meer niet. Er gaat nog wat tijd voorbij. Ik word gegroet door een paar vaste klanten. We maken grappen, er wordt gelachen. Heerlijk, zoals de nacht vordert en we een klein universum zijn. We zijn vrolijk, zorgeloos, mooi en eeuwig jong. Als zij dan eindelijk voor me staat, haar hoofd een tikje schuin, de ogen een beetje toegeknepen: ‘… van het hotel, vanmorgen. Toch?’ Het gespeelde ik-weet-het-niet-zeker dat erbij hoort. Dan weet ik hoe wij gaan eindigen.

U DENKT DAT WIJ op uw vrouwen jagen. Dat wij alles doen wat in ons vermogen ligt om de aandacht van die vrouwen te winnen. Maar zie hoe anders de praktijk even zo vaak is.
Ik laat haar haar best doen. Dit is mijn terrein. Hier spelen andere machten dan die zij kent. Ze vertelt me dat ze de volgende dag teruggaat. En hoe koud het op dat moment in haar land zal zijn. Ze vindt mijn eiland mooi, nee, prachtig. Weet zeker dat ze binnenkort terugkomt voor een tweede bezoek. Ze merkt dat mijn aandacht verslapt. De weemoed van bezoekers die beseffen slechts enkele nachten verwijderd te zijn van hun dagelijkse sleur. Het is onaantrekkelijk en saai bovendien.
Er komt een andere vrouw. Ze voelt instinctief dat dit niet zomaar een vrouw is, niet een van de velen die me komen begroeten. Ze kijkt naar haar. Ik denk dat ik weet wat ze ziet. De diepbruine, egale huid. De warmte die van haar af slaat. De warmte die haar heupen doet wiegen, het zwart van haar ogen dat mysteries doet vermoeden.
Ik geloof dat het afgunst is die uw vrouw in mijn armen drijft.
Wanneer ze met me mee loopt naar buiten, waar de nacht warm en vochtig is, flarden muziek uit passerende auto’s, beseft ze dat waar ze voor kwam, nu staat te gebeuren. Ik hou het portier van mijn auto voor haar open. Ze aarzelt, stapt toch in. Onderweg zwijgen we. De stilte die inzet als we de stad uit rijden, werkt hypnotiserend. Als ik de motor af zet, blijft ze zitten. Ze zegt tegen haar handen, slap in haar schoot: ‘Ik doe dit anders nooit.’ Ik grinnik om het cliché. ‘Ik bedoel’, hervat ze: ‘Ik heb dit nooit gedaan. Met iemand als jij.’ ‘Een onbekende, bedoel je.’ Ze knikt.
Als ik naar haar toe buig, lees ik angst in haar ogen. Ik proef het nog steeds als ik haar kus. En later, in bed, zal ik het blijven proeven. Het is een angst die in al uw vrouwen is aangeboren. Maar ook in u. U vreest mij. U vreest de gedachte van mij met uw vrouw. Geen fantasie wordt meer genoten dan de gevreesde.

ZE VRIJT NAMELIJK anders met een man als ik. Zoals u haar kent, zo is ze niet met mij. Aan de duisternis alleen durft zij zich te geven. Haar lichaam licht op tegen de donkere lakens, ze verdwijnt waar ik ben. De ultieme overgave. Zoals ik haar had, zo krijgt u haar nimmer. ‘Je voelt anders’, fluistert ze. Ze is voorzichtig. Wil niet dat ik denk dat ze met me mee is gegaan uit een zucht naar het exotische. ‘Zacht’, antwoord ik. Mijn huid is zachter dan ze gewend is van een man. Háár huid is zacht, omdat ze een vrouw is. ‘Nee’, kreunt ze. ‘Hard.’
Haar accent windt me op. Ik wil dat ze tegen me praat. ‘Wat wil je dat ik zeg’, vraagt ze, verward door mijn verzoek. ‘Zeg me wat je denkt.’ Ik duw mijn heupen dichter tegen haar aan, dring verder in haar binnen. Ze knijpt haar ogen gepijnigd dicht. Fluistert diepste geheimen en verlangens tegen mijn borst. Het duurt niet lang voordat de aanzet van haar haar vochtig is. Haar huid, haar handpalmen, haar dijen – alles is nat. De vochtige nacht kruipt door het open raam naar binnen. We zijn even warm als de lucht.
‘Ik heb het heet’, klaagt ze als ze naast me ligt. Haar sigaret verlicht een seconde haar gezicht. Opgezwollen door ons wrijven. Ik pak haar kin beet en draai haar naar me toe. ‘Hartstocht gedijt niet in airconditioning.’ Ik duw haar zacht naar beneden, tot haar hoofd op mijn buik rust. ‘Het is waar’, grijnst ze.

DE ZON KUST mijn eiland vroeg wakker. De abrupte stilte van de krekels kondigt haar komst aan. Ik bel een taxi en laat haar naar het hotel terugbrengen. We wachten buiten op de veranda tot hij er is. Ik vertel haar de namen van de vogels die een voor een hun lied inzetten. Dan stapt ze in de taxi. Ik kijk haar na tot ze in de bocht verdwijnt.
Ze zal mij niet makkelijk vergeten. Daarvoor lijk ik te weinig op de andere mannen met wie zij heeft gevreeën. Misschien denkt ze nog wel eens aan mij terug, als haar leven weer in alle dagelijksheid begint. Ik koester het idee dat ze bloost, wanneer ze dat doet. En dat als ze een ander tropisch land bezoekt, in de toekomst, met haar kinderen, met haar man, met u, ze zich een moment laat bevangen door de groene, vochtige warmte. En zich mij herinnert, zoals ik in haar was, haar bezat zoals ze nooit bezeten was. Dat ze naar haar roomblanke kinderen kijkt, en zich betrapt voelt als u haar blik vangt.

HOE ONZE NACHT ook is verlopen, de dag die erop volgt zal voor mij altijd hetzelfde zijn. Ik wil niet zeggen dat ik haar zal vergeten. Maar het duurt nooit lang voordat ook zij opgaat in de mist van vrouwen die mijn eiland bezoeken. En ik zal me niet weten te herinneren of het geluid dat ze maakte, dat mij zo opwond, of dat echt van haar kwam, of van een andere vrouw. Een andere vrouw met dezelfde kleur. Dezelfde geur van aftersun en blank zweet.

Karin Amatmoekrim schreef de romans Wanneer wij samen zijn, Het knipperleven en het meest recentelijk Titus. Haar boeken verschijnen bij uitgeverij Prometheus