LOF DER ARISTOCRATIE  

Blauw bloed, rood pluche

Adellijke families zijn in Groot-Brittannië nog altijd invloedrijk. Het erfelijke element in de politiek is niet uit de tijd, integendeel: het bevordert stabiliteit en langetermijndenken.

DE SCHOTSE GROOTGRONDBEZITTER Walter Francis John Montagu-Douglas-Scott (1923-2007), beter bekend als de Negende Hertog van Buccleuch, dan wel de Elfde Hertog van Queensberry, wekte in progressieve kringen altijd de nodige jaloezie op. Bij de parlementsverkiezingen van 1997 vroeg Labour-politicus Jack Straw zich af hoe de hertog ooit vanuit het Hogerhuis ‘de gewone man’ kon vertegenwoordigen. De hertog antwoordde dat hij de toekomstige minister van Binnenlandse Zaken nog iets zou kunnen leren over het leven met een grote ‘L’.
Anders dan Straw, wiens carrière zich geheel heeft afgespeeld binnen het besloten domein van de partijpolitiek, kon de aristocraat terugzien op een rijk leven. Nadat hij tijdens de Tweede Wereldoorlog als matroos had gediend op een torpedobootjager was hij in vredestijd druk in de weer bij liefdadigheidsinstellingen, in het politiek bestuur en met het stoken van whisky. Het beheer van zijn landgoed vergeleek hij met het leiden van een chocoladefabriek of een winkelketen. Hij had meer contact met de duizend bewoners op zijn 280.000 acres (1100 km2) tellende landgoed dan Straw met zijn achterban in Blackburn.
De hertog belichaamde het ideaalbeeld van de Britse aristocraat. Anders dan de Russische en Franse edelen, met wie het slecht zou aflopen, is noblesse oblige binnen de Britse adellijke families doorgaans serieus genomen. In Democracy in America noemde Alexis de Toqueville de Britse aristocratie de meest liberale en verlichte elite die ooit heeft bestaan. Natuurlijk liepen er apolitieke dandy’s rond, waarop Oscar Wilde zijn Lord Goring uit An Ideal Husband baseerde, maar veel graven, markiezen en hertogen waren actief in de politiek, de kunstwereld, de wijsbegeerte, de liefdadigheid en op de slagvelden.
Een illustratie daarvan is aan te treffen in het amodieuze boek In Defense of Aristocracy van de journalist Peregrine Worsthorne. Het ontbreken van een lidwoord voor ‘aristocratie’ toont reeds aan dat dit geen lofzang is op de aristocratie zelf, maar op de aristocratische levenshouding. Worsthorne legt de nadruk op de beschavende werking die generaties aristocraten hebben gehad op het land, door als een soort patriciërs the common good te laten prevaleren boven het eigenbelang. Onder een aristocratisch bestuur ging het steeds beter met het land, schrijft hij. ‘Belangrijker, de aristocratische heerschappij in Engeland was onvergelijkbaar met het soort despotische macht die de moderne wetenschap levert aan Hobbes’ Leviathan.’ In plaats daarvan vormde zich volgens Worsthorne een beschaafde bestuurslaag, verfijnd door gebruiken en tradities, geworteld in de geschiedenis in plaats van in de rauwe rationaliteit en waar de macht werd gehanteerd door edelen die uitgroeiden tot gentlemen.
Het fenomeen ‘adel verplicht’ trof Worsthorne aan in zijn eigen familie, en dan met name bij zijn stiefvader Montagu Norman, de bankpresident tijdens het interbellum en de Tweede Wereldoorlog. Deze telg uit een bankiersdynastie was ervan overtuigd dat de gegoede klasse vaderlandsliefde vóór haar eigen vermogen dient te plaatsen, dat rijkdom goed leiderschap met zich meebrengt. Hij verafschuwde directeuren die slechts geïnteresseerd waren in salarissen en bonussen, lieden die in het hedendaagse Engeland ‘fat cats’ worden genoemd. Voor Montagu, wiens adellijke vrouw een achternichtje van Winston Churchill was, ging het publieke belang boven alles. Terwijl veel bankiers in de City naar hun kantoor werden gereden, nam hij de metro. Toen de jonge Peregrine zijn stiefvader op een dag vroeg wat het belangrijkste onderdeel van zijn beroep was, luidde het antwoord: ‘Het voorkomen dat honden poepen op de legendarische straten die volgens onnadenkende mensen met goud geplaveid zijn.’ Met andere woorden: zijn werk was niet alleen financieel-technisch van aard, maar maakte deel uit van goed burgerschap. De visie van de aristocraat reikt verder dan die van een bureaucraat, voor wie er tussen negen en vijf louter regels en procedures bestaan waar met geen mogelijkheid van af te wijken valt.
Nadat hij in 1944 zijn functie had neergelegd, kreeg Montagu de titel Eerste Baron Norman. De creatie van zulke titels, al dan niet overdraagbaar op de oudste zoon, is noemenswaardig. Het zorgde ervoor, zo merkte de historicus Thomas Macaulay op (later: Eerste Baron Macaulay), dat de Britse aristocratie de meest democratische ter wereld is. Tegelijkertijd is de Britse democratie de meest aristocratische. Dat komt dan weer door de aanwezigheid van The House of Lords. Van oudsher is het Hogerhuis het domein van het blauwe bloed, de bezittende klasse. Iemand die een adellijke titel bezat mocht niet plaatsnemen in het Lagerhuis zonder afstand te doen van zijn titulatuur. Zo moest de Veertiende Graaf Home gewoon Alec Douglas-Home worden om in 1963 de functie van premier te kunnen aanvaarden en bewoog de Tweede Burggraaf van Stansgate hemel en aarde om als Tony Benn plaats te mogen nemen in het Lagerhuis, waar de pijprokende idealist zich zou manifesteren als een Rode Burggraaf. Voor aristocraten met grote politieke ambities is deze stap logisch, omdat het Lagerhuis het primaire politieke strijdtoneel is voor gekozen parlementsleden die zich hebben voorgenomen het leven van de burgers te verbeteren. Het feodale Hogerhuis is daarentegen een stuk minder spannend. ‘I am dead: dead, but in the Elysian fields’, verklaarde Benjamin Disraeli toen hij als Eerste Graaf van Beaconsfield het rode tapijt betrad.

In de echokamer staan de langetermijnbelangen van het land centraal. Een peer als Michael William Coplestone Dillon Onslow, oftewel de Zevende Graaf van Onslow, spreekt er niet alleen namens zichzelf maar ook namens de parochie Onslow in het graafschap Shropshire én namens zijn voorvaderen, onder wie Arthur Onslow, die in de eerste helft van de achttiende eeuw indruk maakte als een integere parlementsvoorzitter in een corrupt tijdperk. Het was mede aan deze oude Onslow te danken dat de beloften van de Glorious Revolution werden nagekomen, zoals het waarborgen van de onafhankelijkheid van de volksvertegenwoordigers. In England: An Elegy omschreef de conservatieve filosoof Roger Scruton het erfelijkheidsprincipe, een term van zijn geestelijk vader Edmund Burke, als een van de weinige beproefde manieren om langetermijndenken in het hart van de politiek te krijgen. De stabiliteit wordt volgens Scruton gewaarborgd door mensen die daar bij toeval – geboorte onder een gelukkig gesternte – zijn beland en niet door een hang naar geld of macht.
Deze opvatting werd allerminst gedeeld door New Labour. Deze partij vond het Hogerhuis niet het waardigste onderdeel van de staatsinrichting, zoals Walter Bagehot het noemde in The English Constitution, maar een ondemocratische hinderpaal, een bezwaar dat men overigens nooit maakt richting ‘Brussel’. In 1999 werden honderden, niet zelden verarmde edelen uit het Huis gezet, en dat terwijl ze door hun maatschappelijke hoedanigheden – van schrijver, vishandelaar, rugbyinternational, autojournalist, postkantoorbeambte tot, zoals de Zevende Markies van Bath, beheerder van een safaripark bij een landgoed in Wiltshire – vaak meer ervaringskennis en levenswijsheid bezaten dan zij die van de universiteit direct of via een denktank in de politiek waren beland. Er mochten bij de gratie Gods 92 erfelijke leden blijven zitten, nadat ze zichzelf in een toespraak van ten hoogste 75 woorden hadden mogen aanprijzen. Omdat het populistische begrip People’s Princess na de dood van de heilige Diana zo verdienstelijk had gewerkt, werd het Hogerhuis nu volgestopt met People’s Peers, wat achteraf gezien vooral donateurs van de regeringspartij blijken te zijn geweest.
Deze alternatieve volksvertegenwoordigers, veelbelovend als Working Peers aangeduid, blijken het veel te druk te hebben met zakelijke beslommeringen om urenlange debatten bij te wonen. Zij gebruiken hun lidmaatschap voor het indrukwekkende briefpapier en om historische zalen af te huren voor bedrijfsfeestjes. De ervaring leert dat behalve tot het (tijdelijke) adeldom verheven ex-politici het met name de erfelijke leden zijn die hun rol als controleur van de wetgevende macht waarmaken. Dat gebeurde bijvoorbeeld tijdens langdurige, principiële debatten over de vossenjacht, medische ethiek, religieuze haatzaaierij, identiteitskaarten en de terrorismewetten. Telkens bleek dat de ‘amateuristische’ Lords zich beter hadden ingelezen en meer historisch bewustzijn bezaten dan de professionele leden van de gekozen volksvertegenwoordiging, voor wie toch vooral de krantenkoppen tellen. Het Hogerhuis fungeert volgens sommige waarnemers zelfs als een buffer tussen democratie en dictatuur.
Tussen de twee groepen is langzamerhand een fundamenteel verschil ontstaan. De telgen van de aristocratische families in het Hogerhuis zien hun taak als een roeping, waarvoor ze op een aanwezigheidspremie na, die doorgaans opgaat aan een smakelijke lunch in een herenclub in Pall Mall, geen geld krijgen. Dit zijn de ‘Grand Rentiers’ van Max Weber, de ouderwetse regenten die geboren zijn voor de politiek. Zij controleren het haastwerk van de ambitieuze en de terecht in toenemende mate geminachte beroepspolitici die de politiek als een lonende kantoorbaan beschouwen, en die onbekend zijn met de spreuk: ‘Eer komt hen toe die er niet naar op zoek zijn’, op het familiewapen van de Achtste Markies van Donegall.
De sympathie van het volk gaat ironisch genoeg steeds meer uit naar de actieve, ongekozen leden van het Hogerhuis, wat misschien nog het fraaist werd verwoord door de politieke commentator Simon Carr in de progressieve Independent: ‘De Lords zijn onverdedigbaar, maar verdedigen moeten we ze.’