Blauw hart

Mijn goede vriendin M botste laatst met haar geliefde, knalblauwe Peugeot 106 op een andere auto. Niemand raakte gewond, maar haar auto – als je het in geld zou uitdrukken een tamelijk waardeloos object – werd weggesleept en afgeschreven.

Verdriet, verdoving, ontkenning, woede en berusting liepen in de dagen erna als de vijf op hol geslagen fasen van rouw kris kras door elkaar. Misschien, zei ze, ben ik aan de dood ontsnapt. Ze had zich altijd voorgesteld in die auto te zullen sterven, en nu was de auto zonder haar gestorven. Even speelde ze met de gedachte hem tegen alle adviezen in tóch te laten repareren. ‘Nee!’ riepen wij, haar vrienden, in koor. Niet dat we bijgelovig waren, maar we herkenden een teken als het zich in hoofdletters aan ons presenteerde.

Het ging natuurlijk niet echt om die auto zelf, maar om wat hij symboliseerde, en dat was, kort gezegd, een tijdperk van vrijheid. Overal bracht hij ons naartoe, vooral wanneer we ons verloren voelden. O, hoe vaak we ons verloren voelden! Lange ritten maakten we, en korte, meestal naar de kust. Zij als bestuurder, ik als eeuwige bijrijder zonder rijbewijs. We praatten over onze harten, dat wil zeggen, over alles, maar dan wel vanuit onze eigen zeer subjectieve, aan codetaal grenzende beleving. Ik was jaloers wanneer anderen ritten met de Peugeot maakten, hem claimden zoals ik hem claimde (omgekeerd werd M altijd een beetje kribbig als ik te lang geen ritje met hem had gemaakt, of als ik niet genoeg blijken van affectie gaf). Al rijdend strandden we op Texel en in Normandië, de auto leek de bewegwijzering zelf, een houvast dat tegelijkertijd een excuus was om het houvast op te schorten. We waren vrij, en met al onze zorgen zo onbezorgd.

De laatste rit met de Peugeot maakte ik op de dag dat ik dertig werd. Het was een onverwacht stralende zondag waarop niets was gepland maar alles verliep zoals het hoorde te verlopen. We eindigden aan zee, zagen de zon in het water zakken, sprongen in het ijskoude water, et cetera. Bij thuiskomst klopten we hem nog even op zijn flank, zoals we altijd deden, dankjewel Blauwe Parel, sterk dier. Een paar dagen later was de auto ter ziele. M stuurde me een foto van de losgelaten bumper en een scheve voorkap, een dood paard, dood en blauw, de lijkstijfheid was al begonnen zijn intrede te doen.

Dankjewel Blauwe Parel, sterk dier. Een paar dagen later was hij ter ziele

Het is bijna onmogelijk om geen verband te leggen tussen de twee gebeurtenissen. De ene gebeurtenis, het dertig worden, had ik al een heel jaar zien aankomen, in die zin dat ik aan alles voelde dat er een decennium op zijn einde liep. Al maanden was ik aan het recapituleren. Tegels die al jaren lagen te rusten in de zon draaide ik om, en natuurlijk kwamen er allerlei pissebedden onder vandaan gekropen. Ik las Freud en Melanie Klein en Winnicott therapeutisch in plaats van theoretisch. Toen iemand laatst in een paneldiscussie declameerde dat vrouwen geen kunstenaar hoeven zijn omdat ze al iets kunnen maken wat mannen niet kunnen, namelijk kinderen, dacht ik daar plotseling heel serieus over na. Langzaam drong het tot me door dat mensen me geen twintig meer schatten, of 25. Dat mijn puberteit ruim een half leven geleden is. Dat ik even oud ben als mijn docenten van vroeger, en ouder dan mijn vader toen hij mij voor het eerst op zijn arm hield.

Steeds vaker zie ik voor me hoe ik over een jaar of twintig terugkijk op nu. Mijn herinneringen zullen zijn gedoopt in een goudgele gloed, zoveel is zeker. Alles zal achteraf ongecompliceerd lijken, ik zal op mezelf terugkijken als iemand die toen moeiteloos door het leven gleed, in een kleine blauwe auto, Action Bronson te luid over de goedkope speakers. Opportunity be knocking, you gotta let the motherfucker in.

Ik weet nu dat die herinneringen voor een groot deel fictie zullen zijn, en ik weet ook dat ik tegen die tijd zal menen dat dit niet zo is. Zelfs als ik nu een brief zou schrijven aan de vrouw van vijftig die ik op een dag ben (‘gister was ik nog dertig!’ zal ik uitroepen) zou die oudere versie menen dat ze zichzelf beter kent dan ik, nu – de brief zou daarvan zelfs het beste bewijs vormen.

Dit weekend begraven we de Blauwe Parel in besloten kring. We zullen bier drinken en elkaar verhalen vertellen, en zo begint het stollen van onze geheugens, en op een dag ben ook ik dood en stijf en blauw, en tot die dag zal ik mezelf onophoudelijk en vol overgave van alles blijven wijsmaken.