Profiel Howard Dean

Blauwbloedige flapuit

De mogelijkheid dat Howard Dean de Democratische presidentskandidaat wordt, roept emoties op die variëren van paniek tot euforie. In maart, misschien al in februari, zullen er nog twee kanshebbers over zijn in de strijd om de Democratische nominatie. Ondanks zijn teleurstellende derde plaats in de kiesvergadering van het boerenstaatje Iowa is Dean daar wellicht één van. Hij leidt in de nationale polls, krijgt de meeste steun van zwaargewichten als Al Gore en Bill Bradley en hij heeft het meeste geld.

Dean werd kansloos geacht toen hij eraan begon. Nog vaak vertelt hij hoe de moeder van een vriendin van zijn dochter lachte toen ze over zijn grandioze plannen hoorde. Zelfs hijzelf geloofde er nauwelijks in. Hij hoopte vooral thema’s die hem na aan het hart lagen, zoals «ziekteverzekering voor iedereen» in het centrum van het kies debat te plaatsen.

Nadat Al Gore en Hillary Clinton gepast hadden, waren John Kerry, Dick Gephardt en Joe Lieberman de gedoodverfde favorieten. Drie Congresleiders met ontzettend veel ervaring die Bill Clinton als rolmodel hadden. Clinton won verkiezingen door wat hij «trianguleren» noemde: een positie innemen tussen de Republikeinen en de traditionele Democraten in, waardoor hij meer gematigd leek dan beide en de stemmen oogstte van het centrum. In een kiessysteem met slechts twee kandidaten is dat een succesformule.

Toen president Bush in 2002 het land klaarstoomde voor oorlog tegen Irak trian guleerden Kerry, Gephardt en Lieberman: ze keurden de oorlog goed en bekritiseerden Bush voor zijn gebrek aan diplomatie. De «kansloze» Dean hoefde het zo voorzichtig niet te spelen en nam geen blad voor de mond. De vonken spetterden ervan af als hij Bush en diens oorlogszucht op de korrel nam. Dean klonk emotioneel, kwaad, onbeleefd. Dat beantwoordde precies aan het gevoel van veel Democratische kiezers. Kerry en de anderen hadden onderschat hoe diep de afkeer voor de president en de oorlog in hun partij wel was. Hun pollcijfers zakten, terwijl steeds meer kiezers naar Deans meetings kwamen.

Wat ze daar hoorden beviel hen. Dean klinkt rauwer, minder verpakt en gepassioneerder dan de doorsnee politicus. Vooral jonge mensen, waaronder velen die zich nooit eerder met politiek hadden ingelaten, vonden hem verfrissend. «Dean geeft ze het gevoel dat ze de macht hebben om hun eigen lot te bepalen», schreef Garance Franke-Ruta in The American Prospect. «Dat gevoel van persoonlijke macht en hoop is belangrijker voor ze dan zijn specifieke standpunten.»

Deans campagne onderscheidde zich volgens campagnemanager Joe Trippi ook an derszins van die van zijn rivalen: «Heel onze organisatie is gemodelleerd op internet. Ze is gedecentraliseerd, stimuleert zelfactivi teit en interactie. Onze supporters wachten niet op onze instructies zoals in andere campagnes.»

Je hoeft slechts je postcode in te tikken op Deans website om meteen in contact te komen met een groep Dean-supporters in je buurt. Er zijn er nu meer dan negenhonderd en ze bedenken elke dag nieuwe acties. «Dit is de grootste grassroots-(basis)campagne in de moderne geschiedenis», zegt Deans woordvoerder Jay Carson. Deans interactieve internetcampagne bleek ook een efficiënte manier om fondsen in te zamelen: meer dan tweehonderdduizend mensen gaven geld. Zo haalde Dean al meer geld binnen dan zijn Democratische rivalen samen en sloeg net als Bush een overheidssubsidie voor zijn campagne af, zo dat hij niet gebonden is aan uitgavenlimieten.

Dat maakte indruk in Washington. Veel Democraten die hem eerder links lieten liggen, gingen Dean steunen. Hij was de internetkandidaat en ze geloofden, zoals columnis te Molly Ivins schreef, dat «internet vandaag dezelfde beslissende impact heeft op de politiek als televisie in de strijd tussen Nixon en Kennedy in 1960» (Kennedy won nipt, naar verluidt dankzij zijn telegeniekere imago).

Maar andere Democratische leiders maakten zich zorgen. Was Dean, de rabiate oorlogstegenstander, niet te links om te kunnen winnen? Riskeerde de partij met hem als vaandeldrager geen electorale afstraffing zoals met George McGovern in 1972? Deans standaard antwoord: «De manier om George Bush te verslaan is niet zoals hij te zijn.»

In veel opzichten lijkt Dean nochtans verrassend veel op de huidige president. Net als Bush komt hij uit een familie die al zo lang in het geld zwemt dat ze naar Amerikaanse normen voor «blue blooded» doorgaat. Net als Bush kreeg hij de voornaam van zijn vader, die net als George Bush senior een dominante figuur was in het gezin. Howard Dean senior was een Wall Street-financier en een verstokt Republikein. Howard junior groeide op in Manhattans chique Park Avenue en net als Bush junior bracht hij een groot deel van zijn jeugd door in het familiale buitengoed aan zee en studeerde hij aan een dure privé-school. Evenals Bush ging hij naar de prestigieuze Yale universiteit en verwierf daar, net als Bush, een reputatie van fuifnummer en drinkebroer.

Beiden zorgden er vervolgens voor dat ze tijdens de Vietnam-oorlog ver van het strijdgewoel bleven. Later werd Dean net als Bush gouverneur, en kreeg in zijn staat aanzien als iemand die de Democraten en de Republikeinen bijeenbracht, terwijl ze op nationaal vlak in tegengestelde richting gingen. Beiden hebben een soms opvliegend temperament en rotsvast vertrouwen in hun eigen beslissingen. Beiden zijn hun eigen ergste vijand door op onbewaakte momenten dingen te zeggen waar ze achteraf spijt van krijgen.

Maar hun pad liep uiteen in de woelige sixties. Na zijn middelbare school, voor hij naar de universiteit ging, ging Dean een jaar naar Engeland. Het gaf hem een ander perspectief. «De meeste mensen in Europa waren tegen de Vietnam-oorlog en achteraf bleek dat ze gelijk hadden. Maar destijds verdedigde ik mijn land door dik en dun», herinnert Dean zich. Maar hij begon te twijfelen. Zijn levensstijl veranderde. Hij liet zijn haar groeien, leerde gitaarspelen, rookte cannabis, liftte door Europa, sliep op de grond in het Parijse Gare du Nord en reisde naar Tunesië en Turkije.

Bij zijn terugkeer in de VS in 1967 was hij een ander mens. Dat bleek onder meer toen hij aan Yale vroeg of hij een kamer mocht delen met een zwarte student. Hij wilde aan het enge Wasp (White Anglo-Saxon Protes tant)-wereldje van zijn afkomst ontsnappen: «Ik wilde andere mensen ontmoeten, die een andere kijk op het leven hadden.» Toen een oproep voor de Vietnam-oorlog dreigde, ontsnapte hij aan de dienstplicht dankzij een rugkwaal, die hem niet belette de volgende tien maanden vooral op ski’s door te brengen in Colorado. Daarna werkte hij enige tijd in zijn vaders voetsporen aan Wall Street. Hij deed het niet slecht maar het bevredigde hem niet. Dean wilde iets doen waarmee hij anderen kon helpen en besloot dokter te worden.

Tijdens zijn studie werd hij verliefd op medestudente Judy Steinberg. Hij vroeg haar ten huwelijk, ook al was het zeer ongewoon voor iemand uit zijn milieu om met een joods meisje te trouwen. Zijn ouders waren lid van een country club waar joden en zwarten niet welkom waren. Na hun afstuderen openden Dean en zijn vrouw een gezamenlijke dokterspraktijk in Shelburne, een voorstad van Burlington, de enige stad van omvang in de dunbevolkte plattelandstaat Vermont. Het paar kreeg twee kinderen: een meisje, dat nu ook aan Yale studeert, en een jongen, die dit jaar zijn middelbare school afmaakt.

Via een actiegroep voor een fietspad langs een meer in Burlington belandde Dean in de lokale politiek. In 1983 werd hij lid van het parlement van Vermont en drie jaar later werd hij luitenantgouverneur. Dat is de op één na hoogste positie in de staat, maar die stelt in Vermont niet veel voor. Dean bleef dokter in deeltijd tot de gouverneur in 1991 plotseling overleed. Dean nam het gouverneurschap over en erfde de ondankbare taak om een gigantisch begrotingstekort aan te zuiveren. Hij deed dat, met steun van Republikeinen en ondanks Democratische tegenwerking, door harde bezuinigingen in de sociale sector. Die waren nodig, zei hij, om die programma’s op termijn te redden. Toen de economie weer opleefde, verhoogde Dean uitgaven als ziektezorg. Door zijn toedoen is 91 procent van de bevolking in zijn staat verzekerd tegen ziekte, ver boven het nationale gemiddelde.

Zijn moeilijkste moment kwam toen het opperste gerechtshof van Vermont de ongelijke behandeling van homo’s inzake huwelijken ongrondwettelijk verklaarde. Ondanks harde oppositie en opiniepeilingen die aangaven dat de meerderheid in Vermont tegen was tekende Dean een wet die burgerlijke echtverbintenissen tussen homo’s legaal maakte. Toch werd hij zes maanden later herkozen.

«Het grote verschil tussen Bush en mij is dat hij een ideoloog is en ik een anti-ideologische pragmaticus», zegt Dean. «Mensen met onbuigzame ideologieën die ongevoelig zijn voor feiten zijn slechte regeerders.» Als voorbeeld van zijn pragmatisme verwijst hij naar zijn bereidheid zijn standpunt te veranderen over het uitdelen van injectienaalden aan drugsverslaafden, toen uit wetenschappelijke studies bleek dat dit een effectieve vorm van aidsbestrijding is.

Politici in Vermont bevestigen dat Howard Dean geen ideoloog is. «De meesten zagen hem als een centrist, misschien zelfs als iemand die tussen zijn eigen partij en de onze stond», zegt John Bloomer, een Vermontse Republikein. Sommigen ter linkerzijde vinden Dean zelfs een rechtse wolf in een linkse schaapskleren. Ze wijzen erop dat hij in Vermont de steun had van de nra, de machtige wapenlobby, dat hij voor de doodstraf is (voor terroristen en moordenaars van kinderen en politieagenten), dat hij Bush’ antiterrorismewetten na 11 september steunde, dat hij de Golfoorlog en de oorlog in Afghanistan steunde, dat hij tegen de verlaging van het wanstaltig gezwollen Pentagon-budget is.

«Ik ben geen duif», zei Dean in de Washington Post. En al benadrukt hij zijn oppositie tegen de oorlog in Irak, in de huidige situatie is hij gekant tegen de terugtrekking van de Amerikaanse troepen in de komende jaren. «Je kunt in twee jaar tijd geen democratie vestigen in Irak», aldus Dean. «We hebben geen keuze. Het is een kwestie van nationale veiligheid. Als we weggaan voor er democratie is in Irak betekent dat een groot gevaar voor de VS.» Hij zou democratie invoeren in Irak door een grondwet op te leggen «waarover de Amerikanen het laatste woord hebben». Volgens de website antiwar.com maakt dit standpunt hem «een kameleon, erger dan Bush».

De rechterzijde van zijn partij pakt hem even hard aan. Volgens de Democratic Leadership Council, een groep waarvan Bill Clinton vroeger voorzitter was, staat Dean voor «zwakheid in het buitenland en links elitisme thuis». Gezien de uitslag in Iowa bleven die aanvallen niet zonder effect. Ook rivalen als Lieberman stellen Dean voor als een gevaar voor de nationale veiligheid. Sommige Democraten die hem niet ongenegen zijn, hopen zelfs dat hij wordt verslagen en zoeken naar een «anti-Dean» die hem kan stoppen.

Volgens Richard Blow, ex-hoofdredacteur van het blad George, maakt Dean «geen kans tegen Bush». Zijn anti-oorlogsstandpunt zal veel kiezers in het centrum afstoten «tenzij de situatie in Irak erg verslechtert». De kiezers willen een havik inzake nationale veiligheid, meent Blow, en al is Dean dat misschien, zijn positie over de oorlog wekt een andere indruk.

Dan is er Deans karakter. Hij komt kwaad en opvliegend over, wat veel kiezers liever niet zien in een president. En hij is een flapuit. Zijn opmerking dat de vangst van Saddam Amerika niet veiliger maakte, was brandstof voor zijn tegenstanders. Ten slotte wijst Blow op Deans biografie. Zijn rijke afkomst, het skiën in Colorado terwijl anderen naar Vietnam moesten, zijn gebrek aan buitenlandse ervaring, zijn steun aan homohuwelijken en, ergst van al, zijn vrouw die zich in de campagne niet laat zien. «Dat zal in het (conservatieve) zuiden populair zijn», sneert Blow.

Deans vrouw heeft het druk met haar dokterspraktijk, maar volgens New York Times-columniste Maureen Dowd is dat geen excuus. Ze zou haar man moeten helpen zoals de vrouwen van andere kandidaten door «zijn zachtere kant te belichten», want «voorlopig heeft hij veel hitte gecreëerd maar weinig warmte», aldus Dowd in haar column, die de krant een golf protestbrieven opleverde («Is het verwonderlijk dat ze genezen verkiest boven meedoen aan dat carnaval?»).

Eén ding is zeker: het vooruitzicht dat Dean hun tegenstander wordt, doet de Republikeinen likkebaarden. Toen Bush’ topadviseur Karl Rove, de man die wel eens «het brein van Bush» wordt genoemd, in Washington een manifestatie van Dean-supporters zag, hoorde een Washington Post-reporter hem zeggen: «Heh, heh, heh… ja, dat is degene die we willen.» En hij riep de manifestanten toe: «Vooruit, iedereen: Go Howard Dean!» En de conservatieve National Review drukte een foto van een kwaad kijkende Dean af op zijn voorpagina, onder de titel: «Please nominate this man».

Schijnmanoeuvres? Volgens supporters als Al Gore onderschatten ze Dean. Ze zouden het enthousiasme niet zien dat hij opwekt, niet alleen onder Democraten maar ook onder onafhankelijken en mensen die de politiek de rug toekeerden. Of dat volstaat, moet nog blijken. De Democratische kandidaat Adlai Stevenson kreeg ooit van een fan de verzekering dat «every thinking person» in Amerika voor hem zou stemmen. «Dat is niet genoeg», zei Stevenson, «ik heb een meerderheid nodig!»