OPHEFFER

Blauwe

Indo’s die in de jaren vijftig naar Nederland kwamen, kregen al heel snel te horen dat ze moesten integreren. Er waren destijds boekjes waarin stond hoe je je als Indo moest gedragen. ‘Wij doen hier niet onze schoenen uit als we bij iemand op visite gaan.’ Die taal. Dat viel slecht. Niet alleen omdat Indo’s zich gediscrimineerd voelden, maar omdat zij zich veel hoger, beschaafder, fatsoenlijker achtten dan Nederlanders. Niet de Indo wist niet hoe het hoorde, dat was de Nederlander.
Verder ging bijvoorbeeld mijn familie van het standpunt uit dat je alles moest doen om te integreren, maar dat je niet moest assimileren. Dit kwam neer op de volgende simpele regel: alles binnenshuis was Indië, alles buitenshuis was Nederland. Dus: wel schoenen uit in huis, een botol tjebok in de wc en nog een paar dingen die ik vergeten ben.
Ik heb daar altijd een hekel aan gehad. Aan dat ‘Indische’. Maar door die rare opvoeding (de Tweede Wereldoorlog ging ook door binnenskamers) had ik eveneens een hekel gekregen aan Nederland. Ik wilde, net als mijn oom, Amerikaan zijn en worden.
Na mijn puberteit werd ik pas Nederlander. Dat had te maken met de Vietnamoorlog, waardoor het niet in de mode was om Amerikaan te zijn, en mijn schaamte voor Indië, want mensen uit Indië werden toch gezien als buitengewoon grappig. Met dat rare taaltje en die rare luchtjes. (‘Maar wel lekker eten.’) Indo’s werden toen nog steeds gediscrimineerd, maar niet als negers. Negers werden gezien als dom; Indo’s meer als achterbaks, hypocriet en grappig en ze waren niet te vertrouwen. Wat hielp – daarom zijn Indo’s ook nooit zo erg gediscrimineerd – was dat die Indische meisjes er vaak aantrekkelijk uitzagen en men zei – althans, dat hoorde ik van mijn vrienden – dat ze ook ‘erg heet’ konden zijn, waarschijnlijk, zo dacht men, veroorzaakt door de sambal die de Indo’s natuurlijk in grote mate tot zich namen.
Verder heb ik een keer in mijn puberteit meegemaakt dat tijdens het douchen na het voetballen een roomblanke koorknaap tegen mij zei: ‘Gelukkig heb jij ook niet zo’n grote lul als Sammie. Daarom ben je als blauwe meer als ons. Die Surinamers hebben allemaal een grote lul en daarom zijn ze gevaarlijk.’
Dat woord ‘gevaarlijk’ begreep ik meteen: die Surinamers pakten de lekkerste meiden van ons af met die grote lul van ze. Om verschillende redenen was ik erg blij dat ik als blauwe bij de Nederlanders werd ingedeeld. Blauwe – wie gebruikt dat woord nog? En wie weet waar dat woord vandaan komt? (Wist u… dat blauwe van ‘mongolenvlek’ komt?) En wie weet nog dat de Indo’s er zelf een geuzennaam van hebben gemaakt. Vandaar de naam The Blue Diamonds voor de twee gitaarspelende Indo’s Ruud en Riem.
Integreren en assimileren.
Er wordt weinig aandacht aan besteed, maar hier in Nederland is er ook nog steeds een strijd gaande tussen de islamitische Indo’s en de christelijke.
Daar verschijnen – zelfs met enige regelmaat – boeken over, maar we zijn zo gepreoccupeerd met Marokkanen en Marokkaantjes dat we die over het hoofd zien. Ik blijf het zeggen: in onze archieven, het Tropenmuseum bijvoorbeeld, ligt driehonderd jaar bestuurskunde in Indië. Hoe om te gaan met islamieten. Je kunt ook de historicus Cees Fasseur bellen, maar die wordt om heel andere dingen gebeld, geloof ik.
Indo’s zijn altijd gediscrimineerd en hebben zich altijd gediscrimineerd gevoeld – achteraf geloof ik niet dat ze daar zo veel slechter van zijn geworden.