Online circuleert al jaren een veelzeggend filmpje over soundtracks: aan willekeurige mensen wordt gevraagd of ze de muziek van James Bond kennen, en van Star Wars en Jurassic Park. Bijna allemaal beginnen ze de hoofdthema’s spontaan te neuriën – deze muziek is onderdeel geworden van vrijwel iedereens culturele bagage. Vervolgens wordt er in het filmpje gevraagd naar de commercieel gezien succesvolste cinemafranchise aller tijden, het Marvel-universum. Kennen de mensen ook de thema’s die horen bij Iron Man, Captain America of een van de vele, vele andere Marvel-superhelden? Voor de camera blijft het stil. Miljarden mensen hebben de Marvel-muziek gehoord, bijna niemand kan hem reproduceren – en dat is ook precies de bedoeling van die soundtracks.

Grof gezegd valt filmmuziek onder te verdelen in enerzijds het soort dat is gemaakt om meteen mee te neuriën, en anderzijds het dienende, min of meer spontaan vervliegende soort. In die laatste categorie is Jóhann Jóhannsson (1969-2018) een grootmeester. Voor de Marvel-films is de IJslandse componist – wiens dood waarschijnlijk een gevolg was van een combinatie van cocaïne en medicatie – nooit gevraagd, daarvoor is zijn werk te subtiel en duister. Maar wel leverde hij meesterlijk uitgekiende, minimale en onheilspellende muziek voor onder andere de fantastische sciencefictionfilm Arrival en de eveneens voortreffelijke ontvoeringsfilm Prisoners. Veelzeggend: toen Jóhannsson zijn grootste klus ooit kreeg, de soundtrack voor Blade Runer 2049, werd hij vlak voor de première vervangen door de formulematig werkende, bekendere Hans Zimmer. Jóhannssons muziek was schijnbaar te sinister en ontoegankelijk geweest.

Het is goed mogelijk dat composities die voor Blade Runner bestemd waren op het nieuwe Gold Dust zijn beland. Deze compacte postume plaat, met een speelduur van nog geen halfuurtje, onderstreept wat Jóhannsson zo bijzonder maakt. Aan de hand van zware strijkers en langgerekte keyboardtonen creëert hij vanaf het begin een indringend geluid, vol onheilspellende, licht melancholische soundscapes die in elkaar overgaan. De grote kwaliteit: de vanzelfsprekendheid waarmee Jóhannsson elementen uit klassieke orkesten combineert met elektronische flarden. Ook nu gaat een knarsende viool, waarmee direct spanning wordt aangebracht en opgerekt, hand in hand met onidentificeerbare bliepjes – muziek die gelijktijdig een visioen van een naderende ufo én van een afgezonderde eenling oproept.

Zoals sommige schrijvers beeldende verhalen schrijven, zo maakt Jóhannsson beeldende muziek. Gold Dust is geen hoogtepunt in zijn oeuvre, maar wel een stevige hartenkreet uit het hiernamaals. De plaat roept herinneringen op aan allerlei eerdere Jóhannsson-projecten door elkaar, ook aan het vele sterke solomateriaal dat hij maakte los van films.

Na afloop is het nagenoeg onmogelijk om specifieke melodieën van Gold Dust te reproduceren. De sfeer die al met al ontstaat is zo donker en dicht dat zelfs Marvel deze muziek zou weigeren. Maar ik zet het werkje direct opnieuw op.


Jóhann Jóhannsson, Gold Dust