Blij met bont

DIERENRECHTEN zijn booming business op de drempel van de eenentwintigste eeuw. De emancipatie van het dier tot volwaardig lid van de samenleving wordt gesteund door een breed spectrum van organisaties die verder willen gaan dan dierenbescherming alleen. ‘Dierenbescherming wil zeggen dat ik de dieren die ik voor bijvoorbeeld voeding en kleding gebruik, goed behandel’, zo gaf Karen Schönbrodt van People for Ethical Treatment of Animals (Peta) het principiële verschil aan tussen dierenbescherming en dierenrechten.

‘Ons gaat het erom dieren sowieso niet te gebruiken - net zoals we ook geen mensen gebruiken. Wij eten geen dieren, dragen geen dieren en laten ook geen dieren voor ons werken. Vlees is moord! Stop gebruik van proefdieren! Ratten hebben ook rechten.’
Ronnie Lee, oprichter van het Animal Liberation Front (ALF) gaat nog een stuk verder. Hij staat aan het hoofd van een ware guerrillaoorlog ten bate van het dier. Het doel van het ALF is 'om dieren te redden van lijden, hier en nu, door economische verliezen toe te brengen aan mensen die dieren exploiteren. Met als gevolg dat er minder winst terugvloeit naar hun zaak van dierenuitbuiting en zo alles te laten escaleren tot op een punt waar al deze industrieën in gevaar komen en niet meer kunnen functioneren.’
In de ogen van het ALF is er een ware oorlog aan de gang. De pro-dierstrijders zien zichzelf als de navolgers van de antislavernij-activisten van het Amerika van de vorige eeuw. Ze bevrijden proefdieren uit laboratoria, blokkeren met gevaar voor eigen leven veetransporten, attaqueren abattoirs en fokcentra voor pelsdieren, enzovoort. Sommige dierenrechtstrijders gaan in hun idealisme zo ver dat ze eerder aan de kant van het dier dan aan die van de mens staan.
Peta-kopstuk Ingrid Newkirk verklaarde eens dat het testen van dieren in laboratoria moet worden verboden, zelfs als dat mensenlevens zou kosten: 'Zelfs als proefdieren een oplossing zouden kunnen bieden voor aids, zijn we ertegen. Waarom? Omdat de mensheid gegroeid is als een kanker. Wij zijn het grootste probleem op aarde.’
De allerradicaalste dierenbevrijders worden in hun ijver gedreven door apocalyptische visioenen over de ondergang van de mensheid, waarna het leven op aarde zou terugkeren tot paradijselijke staat. Zo bepleit de Voluntary Human Extinction Movement via het Internet de vrijwillige euthanasie van het mensdom. Het Gaia Liberation Front is al even misantropisch gestemd: 'Wij steunen onvrijwillige sterilisatie en zouden ook nieuwe anti-mensvirussen verwelkomen zoals een aidsvirus dat zich via de lucht zou verspreiden.’
GEGEVEN dit al dan niet retorische geweld is het eigenlijk zeer verwonderlijk dat er in Nederland - alwaar dierenrechtorganisaties al van oudsher een grote achterban hebben - vooralsnog geen tegenbeweging op gang is gekomen. Geheel anders is dat in België, alwaar de Beweging voor Recht op Vrijheid van Keuze (Brok) al enige jaren via een eigen tijdschrift en website een felle campagne voert tegen rechten voor het dier.
De belangrijkste ideoloog van Brok is de 39-jarige Christian Parmentier, wiens verleden jaar verschenen boek Het dier en zijn mensenrechten zich laat lezen als een langgerekte aanklacht tegen de ders en hun pogingen om het mensdom ondergeschikt te maken aan het dierenrijk. Parmentier is een onvermoeibaar activist voor het behoud van de unieke plaats van het mensdom in de voedselketen. Hij trekt langs scholen en universiteiten om de groeiende aangang van de dierenbevrijders onder de Belgische jeugd te bekeren tot het Brok-standpunt. Dat doet hij middels een diapresentatie waarin men onder meer kan zien hoe een coyote een schaap doodt en andere beelden waaruit blijkt dat de natuur ook zonder bemoeienis van de mens geen pretje is. Daarmee haalde Parmentier zich de haat van de vele dierenrechtactivisten in België op de hals, die op basis van de beschuldigingen die Parmentier in zijn boek doet inmiddels een proces hebben aangespannen.
Parmentier studeerde af als dierenarts aan de Universiteit van Gent. Sinds enige jaren drijft hij aan de rand van Leuven een gerenommeerde winkel in bontjassen en aanverwante artikelen, zoals leer, zijde en suède. Zijn ouders en grootouders zaten ook al in die branche. 'Doordat ik van kinds af aan werd omringd door pelzen van diverse origine, kreeg ik al snel belangstelling voor dieren in het algemeen. Door voor dierenarts te studeren wilde ik bewijzen dat ik op eigen benen kon staan en mijn ouders niet nodig had’, legt hij uit. 'Maar tijdens mijn stage bij een veearts merkte ik al snel dat dit werk toch niet geheel aan mij besteed was. Ik ben nu eenmaal nogal bourgondisch ingesteld, hou van enige comfort, terwijl het bestaan van een veearts nu eenmaal ploeteren geblazen is. Vandaar dat ik er uiteindelijk voor koos om toch in het familiebedrijf te stappen en de zaak verder uit te breiden.
Vanzelfsprekend vinden mijn opponenten in België dat ik door mijn beroep geen recht van spreken heb. Het is sowieso de tactiek van de dierenbevrijders om hun tegenstanders moreel in de ban te doen. Dan hoeven ze ook niet meer naar de argumenten te luisteren.’
VOOR HET SCHRIJVEN van zijn boek verdiepte Parmentier zich in tal van dierenindustrieën. In Wallonië inspecteerde hij het wijd en zijd beruchte bereidingsproces van de foie gras, de ganzelever. Hij trok naar farmaceutische laboratoria waar met proefdieren wordt gewerkt, en verdiepte zich in de slachtmethoden van de vleesverwerkende industrie en de productie in de bio-industrie. Parmentier geeft toe dat er sectoren zijn waar de behandeling van dieren voor verbetering vatbaar is. Maar hij voegt daar onmiddellijk aan toe dat de dierenbevrijders gebruik maken van valse voorstellingen van de dierverwerkende industrie. Bovendien, zo zegt hij, willen de dierenbevrijders helemaal geen aanpassingen van de bestaande bedrijfssectoren. Ze willen naar een situatie waarin de mens het recht verliest dieren te gebruiken voor voedsel, kleding en medisch onderzoek. En dat, zo betoogt Parmentier, zal onvoorwaardelijk leiden tot een ondergeschiktheid van de belangen van de mens aan die van het dier.
'Er is een algehele vervreemding gaande van de mens ten opzichte van de natuur’, aldus Parmentier. 'De moderne grootstedelijke samenleving kent eigenlijk geen reële cohabitatie van mens en dier. Het contact van de stedeling met het dier beperkt zich tot de kat en hond in huis, en tot de dierentuin. De contacten met dieren zijn prettig en positief, maar hebben met de realiteit niets meer uitstaande. In een plattelandssamenleving is de relatie tussen mens en dier fundamenteler van aard. Zo werd de vrouw van mijn schoonvader, werkzaam in de agrarische sector, verpletterd door een stier. Dan kijk je anders tegen dieren aan.
De moderne stedeling kent dit alles niet. Stadskinderen staan er tegenwoordig van te kijken als je zegt dat melk van een koe komt. Die kinderen worden gebombardeerd met tekenfilms waarin de antropomorfisering van het dier, dus het toekennen van menselijke eigenschappen aan beesten, het basisidee is. Disney is ermee begonnen, maar tegenwoordig heb je tv-kanalen die 24 uur per dag cartoons uitzenden waarin je bijvoorbeeld een vos en een konijn broederlijk door het bos ziet lopen.
De natuur wordt geïdealiseerd. Het resultaat is een soort collectieve hersenspoeling waarin de principiële verschillen tussen mens en dier niet meer bestaan. Dat komt de dierenbevrijders goed van pas. Zij zeggen dat een dier net als een mens pijn kent en dus angst. Maar dan ga je voorbij aan het essentiële verschil, namelijk dat mensen existentiële angst kennen. Mensen kunnen vooruitkijken, bij dieren bestaat dat concept niet.’
EEN ANDERE FACTOR die de dierenbevrijders goed van pas komt, zijn bepaalde onderzoeksresultaten van wetenschappers. Parmentier: 'In het christendom is het zo geregeld dat god de mens boven de dieren heeft geplaatst. De wetenschap doorbreekt dat beeld door te melden dat er bepaalde gelijkenissen zijn tussen mens en dier. Zo is ontdekt dat dolfijnen met elkaar kunnen communiceren. De vervreemding van de natuur, het antropomorfisme en de evoluerende wetenschap leiden hier en daar tot een diepe morele overtuiging dat mens en dier gelijk aan elkaar zijn. Dierenrechtorganisaties gaan uit van die fundamentele gelijkheid. Speciesisme - dat is discriminatie van dieren door mensen op grond van hun soort - wordt door hen gelijk gesteld aan seksisme en racisme. Vandaar dat zij spreken over de slavernij van het dier, en slachthuizen gelijk stellen aan de vernietigingskampen van de nazi’s. Zij voeren een heilige oorlog tegen wat zij zien als het grootste onrecht op deze planeet.
In die oorlog zijn voor sommigen alle middelen geoorloofd. Dierverwerkende bedrijven en laboratoria worden voorgesteld als martelkamers, gedreven door sadisten. In hun documentaires worden de beelden zo gemanipuleerd dat de leek zich te pletter schrikt. Maar beelden bedriegen. Als ik een beetje behendig aan het monteren sla, kan ik in het nachtleven van Antwerpen zo een film maken waaruit duidelijk wordt dat de Hollander een nietsontziend monster is dat zich slechts onledig houdt met zuipen en vechten.
De dierenbevrijders kiezen bewust voor een zo emotioneel mogelijke benadering. Wat telt is morele verontwaardiging. Dus zeggen ze: kijk eens naar die arme kippen die op roosters moeten leven in legbatterijen. De reden van het bestaan van die roosters vertellen ze er niet bij. Met die roosters worden parasitaire cyclussen doorbroken, hetgeen de gezondheid van het dier ten goede komt.’
VOLGENS PARMENTIER maken de dierenrechtorganisaties een fundamentele denkfout. 'Dierenrechten betekent niets anders dan het afnemen van bepaalde rechten van de mens. Stel, je komt tot een wet waarin het dier het recht op leven wordt gegarandeerd. Dat impliceert alleen maar dat de mens dat recht aan het dier geeft. Het is een afspraak tussen mensen onderling. Dieren kennen nu eenmaal geen moreel denken. Als er straks dierenrechten zijn ingevoerd, zal die ijsbeer op de noordpool zich er niets van aantrekken en toch die zeehond gaan verorberen. Als die ijsbeer ook het recht op leven van andere dieren zou respecteren, ja, dan zou ik natuurlijk ook om zijn. Bij rechten horen plichten, maar een dier kan zich daar nu eenmaal niet aan houden. Die blijft gewoon opereren binnen zijn plaats in de voedselketen.
De enige die inlevert, is de mens. Dit is al gebeurd bij de Eskimo’s, bij wie onder druk van de dierenrechtorganisaties de traditionele manier van leven in gevaar is gekomen. De jacht op de zeehond volstaat niet meer om in hun onderhoud te voorzien nu de markten voor het zeehondenbont grotendeels zijn vernield. Ze jagen nog op de zeehond voor voedsel, maar kunnen de pels niet meer te gelde maken voor een beetje extra inkomen ten behoeve van zaken als brandstof en medicijnen. En wat met volkeren die leven in gebieden waar geen landbouw mogelijk is? De steppe, de sub-Sahara, de poolstreken? Moeten de mensen daar verdwijnen omwille van een zogezegd recht op leven van dieren? In die streken kan de mens enkel leven door het feit dat het dier voor de mens onverteerbare planten omzet in voedsel in de vorm van vlees en melk. Onder druk van de dierenrechtorganisaties ontstaan steeds “eco-onlogischer” situaties. Zo heb ik grepen dat men bij u in Nederland grote problemen heeft met de muskusrat, die een groot gevaar voor de dijken betekent. Die rat wordt dus op grote schaal afgemaakt. Dan denk ik uit hoofde van mijn beroep: maak dan ook gelijk mooie jassen van die vachten, dan is het nog ergens goed voor. Maar dat schijnt niet te kunnen. Die beesten worden allemaal verdelgd, met vacht en al. Dat is toch gewoon verspilling?’
PARMENTIERS eigen bonthandel zit ondertussen weer in de lift. 'De terugval van bont was voor een deel van de consumenten geen principiële keuze. Toen ze vaststelden dat diezelfde organisaties ook acties voerden tegen vlees en proefdieren, hebben ze gesteld dat ze die betutteling beu zijn. Een pelsjas is een symbool geworden van een zelfstandige vrouw die zelf beslist wat ze eet en draagt en zich niet de les laat lezen door actiegroepen. Denk maar aan het fanatisme waarmee men onze handel heeft geattaqueerd. Zo deed topmodel Naomi Campbell een tijdje mee met antibontacties. Maar tegenwoordig loopt ze weer mee met bontshows. Het schijnt dat ze schoon genoeg kreeg van de anti-bontbeweging toen ze een keertje in een restaurant zat. Een paar dierenrechtactivisten kwamen binnen en gooiden bij een dame met een nerts om een dode wasbeer op tafel. Dat shockeerde haar zo dat ze van de weeromstuit naar het andere kamp overstapte.’
Dierenrechten hebben niets te maken met liefde voor dieren, zo heeft Parmentier al enige malen gemerkt. 'Het is vaak een emotionele uitdrukking van mensenhaat. Tom Regan, een van de kopstukken van de Amerikaanse dierenrechtorganisaties, kreeg eens de vraag voorgelegd wie hij zou redden als er een boot op zinken stond: een kind of een hond. Regan antwoordde: “Indien het een mentaal gestoord kind was en een verstandige hond, zou ik de hond redden.” Binnen de leer van het dierenrecht is dat een volkomen consistente uitspraak, maar er kan volgens mij niet genoeg tegen worden gewaarschuwd.’