Blij met designervagina

HANS HOGENKAMP
DINGEN DIE OP LIEFDE LIJKEN
Nijgh & Van Ditmar, 256 blz., € 17,50

Noodlanding in Paradiso, hippe bakfietsen voor jonge ouders met jonge kinderen, de rood-groene Greenwheels-Peugeotjes. Hans Hogenkamp besteedt in zijn tweede roman heel veel aandacht aan de couleur locale van de Amsterdamse binnenstad, op het risico af dat hij zijn Nederlandse lezerspotentieel buiten de hoofdstad van zich vervreemdt. Laat staan lezers buiten ons land. Het is daarnaast sterk de vraag of over dertig jaar Euroshopper-spekjes en oosterse roerbakmixen van Conimex nog in de schappen liggen, of Albert Heijn zijn luxebrood nog steeds ‘Pain de Méditerranée’ noemt, terwijl het ook allerminst zeker is of Samson, Gert en Kabouter Plop nog steeds op televisie zijn. Een tijdloze klassieker zal Dingen die op liefde lijken dus waarschijnlijk niet worden.
Is dat erg? Niet echt, want Hogenkamp noemt al deze namen en merken natuurlijk niet voor niets. Voor de jonge, grootstedelijke lezer van nu is de vraag of iemand Replay-laarzen aan heeft, of een G Star-broek draagt namelijk wel degelijk van belang. Zo ook voor de hoofdpersoon van dit boek, een estheet die maar wat blij is met de designervagina van zijn nieuwe vriendin. In Hogenkamps debuutroman was het hoofdpersonage nog de 34-jarige onaantrekkelijke Edo (‘ik had wiskunde gestudeerd en zo zag ik er ook uit’), nu is het de even oude, maar aantrekkelijke miljonair Job. Opnieuw tast Hogenkamp de mogelijkheden af die de uiterlijke schoonheid op de relatiemarkt biedt. De kansen voor Job, naast aantrekkelijk dus ook nog miljonair, zijn gunstig en dat weet hij zelf ook. Mede daarom denkt hij na tien jaar huwelijk zijn vrouw te kunnen verlaten voor Zanne, ‘een tienermeisje van 31’.
Dit zijn oppervlakkige ingrediënten, maar gelukkig is het boek erg goed geschreven. Hogenkamps humor en stijl doen denken aan de snedige puntdichten van P. Kouwes (‘Het was op de avond dat ik je katten voor het eerst zag kotsen’). Ook weet hij het alledaagse, platgereden taalgebruik knap weer te geven (‘Om kwart voor drie vroeg de barman of ook “de tortelduifjes” zo vriendelijk wilden zijn om af te rekenen’). Zo cynisch en grotesk als Michel Houellebecq de individualisering en vervlakking van de consumptiemaatschappij van commentaar voorziet, wordt het niet. Hogenkamp behandelt dezelfde thema’s op een luchtige manier en behoudt liefde voor zijn personages. Of iets wat daarop lijkt.