Blijde tijding

Het is niet altijd boomplantdag in China. Werkloosheid, milieuvervuiling en corruptie beheersen het land. Maar de partij doet er alles aan om de wereld op haar vijftigste verjaardag te tonen dat ze China groot, sterk en één heeft gemaakt. Na het feest zien we wel verder.

HET LAND IS zo groot als een continent: 5500 kilometer van oost naar west en 5000 kilometer van noord naar zuid. Er wonen 1,3 miljard mensen, ruim een vijfde deel van de mensheid, en er wordt al duizenden jaren geschiedenis gemaakt. De gemiddelde Amerikaan beschouwt het als de laatste grote vijand. En toch hadden ze me verteld dat er in China geen nieuws te halen valt.
In Peking bevestigden de collega’s dat alles in de Volksrepubliek zijn gangetje ging. Opzienbarende gebeurtenissen waren er nauwelijks, zeiden ze. En ik moest die ook niet verwachten, want in China had men een heel speciale opvatting van nieuws. Nieuws was de erkenning van de reus China door de dwerg Tonga, de jaarlijkse boomplantdag, een folkloristisch festival in Tibet. Zeiden ze.
Ik dacht me dus volop te kunnen wijden aan de twee belangrijke verjaardagen die er zaten aan te komen: het bloedbad op het Tienanmenplein van 4 juni 1989 en de stichting van de Volksrepubliek op 1 oktober 1949. De autoriteiten hadden er de handen aan vol. Want de Tienanmen-verjaardag moest hoe dan ook ongemerkt voorbijgaan, terwijl de vijftigste herdenking van de overwinning van het communisme in pracht en praal moest worden gevierd, met een sterke partij en zonder oppositie.
Die vijftigste verjaardag is nu een feit. Maar mijn eerste jaar China is niet de nieuwsloze periode geworden die me was voorgespiegeld. Want de ene crisis is op de andere gevolgd. Niet dat ik binnen afzienbare tijd het Chinese regime zie instorten: die voorspelling laat ik graag over aan westerse wishful thinkers. Maar ik zie wel, en daar hoef je geen ziener voor te wezen, dat het communisme Chinese stijl in een kolossale crisis is beland.
Aan het officiële nieuws is dat nauwelijks af te lezen. Want het is met de situatie in China net als met de gezondheidstoestand van de paus: die is volgens de officiële communiqués voortreffelijk, tot het moment dat de patiënt is overleden. Het nieuws dat de Chinezen krijgen voorgezet, is een feest van blijde tijdingen. Ik hoor dat de pers tegenwoordig veel kritischer is dan vroeger. Kun je nagaan.
JA, ER WORDT over corruptie geschreven, het kritische tv-programma Focus stelt misstandjes aan de kaak en een partijman die aan de bouw van een inferieure en daarom ingestorte brug (eenenveertig doden) grof geld had verdiend, werd voor de ogen van de tv-kijkende natie live ter dood veroordeeld. Maar dat kon alleen maar gebeuren omdat de leiders het belabberde imago van de partij moeten oplappen willen ze geloofwaardig blijven. De pers moet over die zaken berichten, zoals ze andere zaken moet verzwijgen. Nog altijd dienen de media die hun kritische taak te serieus nemen zich voor te bereiden op het ergste.
Op de opiniepagina’s komen de opinies haast per definitie overeen met de opvattingen van het politburo. Nooit zal iemand eens de veronderstelling opperen dat het onzalige Navo-bombardement op de Chinese ambassade in Belgrado inderdaad een dom misverstand was en geen moedwil. Nooit zal iemand eens een pleidooi houden voor de verboden boeddhistische sekte Falun Gong. Nooit zal iemand eens proberen zich in te leven in de Taiwanese president Lee Teng-hui, die tot woede van Peking tegenwoordig de mening verkondigt dat zijn kleine eiland gelijke rechten heeft als het immense moederland.
Onwelkome gebeurtenissen worden verzwegen zolang Peking er niet op gereageerd heeft. Over een rapport van het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken over godsdienstvervolging in China horen we niets, totdat de regeringswoordvoerder het tegenspreekt. Of neem de China Daily van 18 september. ‘Beweringen over Tibet onjuist’, meldt een grote kop op de voorpagina. Van wie die beweringen waren en wat ze inhielden, komt de lezer niet te weten, maar wel dat ze niet waar waren.
Het nieuws is dus niet de oorspronkelijke gebeurtenis, maar de officiële of pro-Chinese reactie erop. Als die niet komt, heeft die gebeurtenis voor pakweg 99,5 procent van de Chinezen gewoon niet plaatsgevonden. De groep van 0,5 procent die wel weet wat er aan de hand is, bestaat uit de autoriteiten zelf en een hoog opgeleide groep die toegang heeft tot Internet, de buitenlandse pers en internationale tv-kanalen.
Een gewone Chinees heeft voor Internet geen geld, kent geen buitenlandse taal en kan de BBC of CNN niet ontvangen, want dat voorrecht is alleen gegund aan grote hotels en compounds voor buitenlanders. Maar die gewone Chinees laat zich niet bedwelmen door de rozengeur die de staatsmedia afscheiden. Of, zoals iemand zei: 'Hoe groter de nadruk waarmee ze iets beweren, hoe meer ik geloof dat het tegendeel wel waar zal zijn.’
IK HEB NIET DE TIJD gehad om te wennen aan de tijdeloosheid. Eind november vorig jaar werd na een tamelijk rustige periode de jacht op dissidenten weer geopend. Het seizoen is nog steeds niet gesloten. Met de arrestatie en veroordeling van de drie belangrijkste leiders van de Chinese Democratie-partij kwam een abrupt eind aan wat in het Westen al de Lente van Peking was gedoopt. De wens was de vader van de gedachte geweest.
De mening dat de Chinese communistische partij iets van oppositie zou tolereren, ging uit van de veronderstelling dat zij was geëvolueerd. China had immers zijn internationale isolement doorbroken, de beginselen van de markteconomie omhelsd, een internationaal mensenrechtenverdrag ondertekend en de Amerikaanse president Clinton in de zomer van 1998 als een vriend welkom geheten. Bovendien was de bewegingsvrijheid van de Chinezen ruimer geworden en de controle minder, terwijl de rechtstreekse verkiezing van dorpsleiders de verwachting wekte dat de democratisering zou doordringen tot de hogere niveaus. Meer democratie leek dus logisch.
Die logica is dan niet opgegaan. Want de partij kan in veel opzichten soepel en pragmatisch zijn geworden, over één zaak is geen discussie mogelijk: de macht. Het marxisme mag dan in zijn economische doelstellingen zijn uitgehold - in communistisch China wordt de maatschappelijke ongelijkheid niet kleiner maar groter - in politiek opzicht is het nog volop van kracht. De dictatuur van het proletariaat, dat wil zeggen van de partij, is nog altijd een axioma. Dat betekent dat het nog steeds onverstandig is een andere politieke opvatting te verkondigen dan die van de onfeilbare partijleiding.
Maar is het geen overkill-reactie, dat ongenadige optreden tegen dissidenten die niemand kwaad leken te doen? Wie kende eigenlijk buiten de eigen club dat handjevol leiders van de verboden Chinese Democratie-partij, die nu voor vele jaren achter slot en grendel zitten of in een dwangarbeiderskamp? Voor het systeem waren deze allesbehalve radicale figuren even gevaarlijk als een mug voor een olifant.
En dan die miljoenen brave volgelingen van de ademhalings- en meditatiegoeroe Li Hongzhi, waren die echt zo staatsgevaarlijk? Tibetaanse monniken, een stokoude katholieke bisschop, priesters, protestantse dominees, gewone christenen: allemaal samenzweerders tegen de staat? Nee natuurlijk. Maar al deze vermeende ondermijners hadden één ding gemeen: de loyaliteit jegens hun organisatie stond bij hen voorop. Voor een partij die het loyaliteitsmonopolie opeist, is dat onaanvaardbaar.
Maar had de partij hun dan niet stilzwijgend kunnen gedogen? Nee, want dat is in strijd met de totalitaire beginselen. Activiteiten die de partij niet onder controle heeft, kunnen zich immers tegen haar keren. En de angst voor een nieuw Tienanmen zit er heel diep in. Tien jaar geleden liep het studentenprotest bijna uit de hand. Als het leger toen niet had ingegrepen, zo luidt het officiële standpunt, zou er een nationale chaos zijn uitgebroken, waarin de partij het onderspit had kunnen delven. Daarom, partijleider-president Jiang Zemin heeft het letterlijk zo gezegd, moeten alle protesten in de kiem worden gesmoord. Uit principe, maar ook vanwege het grote 1 oktoberfeest: op deze hoogtijdag, waarop de partij de wereld wil tonen dat ze China groot, sterk en één heeft gemaakt, is iedere dissonant uit den boze.
TIEN JAAR NA de val van de Muur rest van het Chinese communisme alleen het oude controlesysteem, dat moet garanderen dat de partij aan de macht blijft. Nu staat de partij het volk de laatste jaren ongetwijfeld meer vrijheid toe dan vroeger. De Chinezen kunnen zich vrijer bewegen, ze kunnen meer kopen want ze hebben meer geld en het aanbod is verveelvoudigd, ze hebben meer studiemogelijkheden, hun leven is niet meer vooraf uitgestippeld, ze hoeven zich niet meer hetzelfde te kleden, ze hoeven zelfs niet meer hetzelfde te denken.
Maar als tegenprestatie dienen ze zich niet te bemoeien met de politiek, want die is het monopolie van de partij. En ze mogen zich nog steeds niet organiseren buiten de partij om, anders is het einde zoek. De allereerste zorg van de partij is dan ook niet de economische ontwikkeling. Het is de sociale stabiliteit, jargon voor orde en rust. Lokale partijkaders moeten iedere uiting van onvrede bestrijden en liefst voorkomen. Lukt hun dat niet, dan worden ze daarvoor persoonlijk verantwoordelijk gesteld.
Natuurlijk hebben de Chinese leiders groot gelijk dat ze China niet dezelfde kant willen laten opgaan als destijds de Sovjet-Unie. Het abrupte einde van de communistische macht heeft daar geleid tot de perfecte chaos, waarin alleen de maffia gedijt. Zo moet het dus niet.
Niemand heeft belang bij een instorting nu van de Chinese communistische partij. Het alternatief zou de maffia zijn. Gezien het corruptieniveau binnen de partij is er aan kandidaten voor leidende maffiaposities in een postcommunistisch China geen gebrek. Maar de partijleiders willen de postcommunistische era - de doctrinaire uitholling en de economische liberalisering ten spijt - uitstellen tot sint-juttemis. Ze moeten daarom niets hebben van politieke democratisering.
Tussen democratie en volksdemocratie zit een wereld van verschil. De besluitvorming in de Volksrepubliek is nog altijd ondoorzichtig. Het volk heeft geen enkele weet van wat er in zijn naam aan de top gebeurt. Een procedure voor de opvolging is er niet. De politieke participatie blijft beperkt tot de verkiezing van dorpsleiders. Dat is een geschikte methode om lokale onvrede te bestrijden, terwijl de kans op ongehoorzaamheid klein is, want de kandidaten moeten de goedkeuring hebben van de partij. Verder zijn er democratie-surrogaten als telefonische meldpunten, opiniepeilingen en kantoren die klachten moeten behandelen maar dat zelden doen.
Als buitenstaander zou je denken dat het in het belang is van de leiders zelf om minder controle uit te oefenen en meer vrijheid toe te staan, waaronder de vrijheid om kritiek te leveren. Daarmee zouden ze alleen maar hun voordeel kunnen doen, en het zou een prima uitlaatklep zijn voor de onlustgevoelens die men nu in de kiem tracht te smoren. Maar machthebbers hebben niet de gewoonte hun macht vrijwillig te beknotten. Zeker niet in China, met zijn millennia-oude traditie van absoluut gezag.
Toch is het Rijk van het Midden grondig veranderd. De laatste twintig jaar is er meer rijkdom gecreëerd dan waar elders ook ter wereld. Met de westerse investeringen kwamen ook westerse invloeden, van hamburgertent tot disco, van een zekere seksuele bevrijding tot ideeën over mensenrechten en democratie. En ook China wordt snel ingesponnen in het wereldwijde Internet-web. Dat alles kan moeilijk zonder politieke gevolgen blijven.
MAAR DAT IS niet het enige. Het twintig jaar geleden geïntroduceerde model van geforceerde economische groei heeft zijn natuurlijke grens bereikt. Jarenlang heeft de wereld versteld gestaan van de fabelachtige Chinese groeicijfers. De laatste jaren krimpt de expansie in en neemt de werkloosheid snel toe. Dat was te voorzien: een planeconomie laat zich niet zonder schokken omvormen tot een markteconomie.
In de oude staatsbedrijven heeft de partijbaas het voor het zeggen. De bedrijven zitten meestal diep in de schuld, maar die wordt aangezuiverd door een staatsbank. Dat er van iedere drie werknemers twee te veel zijn, is onbelangrijk, als er maar volledige werkgelegenheid is. Efficiency, kwaliteit, concurrentie, marktonderzoek, productieplanning, dienstverlening, het zijn allemaal begrippen die de oude planeconomie vreemd zijn.
De hervorming van dit systeem stuit op een formidabel bezwaar: ze gaat ten koste van miljoenen arbeidsplaatsen. En hoe meer arbeiders er op straat komen te staan, hoe groter de kans op woelingen. Het regime moet dus manoeuvreren tussen de Scylla van het economisch echec en de Charybdis van een sociale explosie. Het heeft uiteindelijk gekozen voor de economie, en voor paardemiddelen om de sociale onrust tegen te gaan.
Het streven om lid te worden van de Wereldhandelsorganisatie houdt een keuze in voor een open markt, concurrentie, efficiency, banenverlies. Werklozen moeten met een verhoging van hun uitkering worden gepaaid. Als ze toch protesteren, zoals de afgelopen tijd vele keren is gebeurd, worden hun leiders opgepakt en gevonnist. Want protesten kunnen fnuikend zijn voor de sociale stabiliteit.
ER IS DIT JAAR in China wat af geprotesteerd. Tegen ontslagen, de niet-betaling van uitkeringen of pensioenen, de afpersing door lokale autoriteiten, de corruptie van de partijbazen. De corruptie is een hoofdstuk apart. In het eerste half jaar van 1999 - de regering heeft het zelf bekendgemaakt - hebben corrupte functionarissen dertig miljard gulden gestolen, het vijfde deel van de regeringsinkomsten over het hele jaar. Zo bruin hebben zelfs de Italianen het nooit gebakken.
Een opiniepeiling heeft de ergste vermoedens van het regime bevestigd: de grootste zorg van de Chinezen is niet meer de kans om werkloos te raken, het is ook niet de weergaloze milieuvervuiling of de afbraak van de oude sociale voorzieningen - huisvesting, onderwijs, gezondheidszorg, pensioen - nee, het is de corruptie van degenen die boven hen gesteld zijn. De hoogste leiders zijn er zich uitstekend van bewust dat de corrupte partijmensen de ware gezagsondermijners zijn, omdat ze met hun gedrag de geloofwaardigheid van de partij aantasten. Het volk moet er daarom van worden overtuigd dat het vileine tuig van dieven, oplichters, sjacheraars en afpersers wordt weggezuiverd. Dus wordt het gebombardeerd met berichten over een stelende partijbons hier en een smokkelende topfunctionaris daar, een corrupte rechter zus en een frauderende bankier zo.
Partijkaders van alle niveaus hebben hun zomervakantie moeten opofferen om ouderwets zelfkritiek te leveren en hun politiek bewustzijn te scherpen door studie van het marxisme-leninisme, het Denken van Mao Zedong, de Theorie van Deng Xiaoping en de toespraken van Jiang Zemin, opdat de gedachte aan corruptie hun een gruwel zou worden. De gewone Chinees kan aan die lawine van corruptiebestrijdingsnieuws en die bizarre terugkeer naar de ideologische exercities van weleer maar één indruk overhouden: de zakkenvullerij van onze leiders moet wel een duizelingwekkende omvang hebben aangenomen.
Gelukkig beschikt de partij over formidabele bliksemafleiders. Een van de meest beproefde is het anti-amerikanisme. Het afgelopen jaar hebben de noteringen van de Chinees-Amerikaanse relaties een wilde curve opgeleverd. In juni 1998 vielen Clinton en Jiang Zemin elkaar in Peking in de armen. Kritische opmerkingen van Clinton voor een gehoor van studenten werden zomaar rechtstreeks op de Chinese televisie uitgezonden. De beide leiders zeiden mooie dingen over elkaar. Ze leken echt te geloven in hun 'strategische bondgenootschap’. Alsof ze niet wilden weten dat de Verenigde Staten en China in veel opzichten elkaars tegenpolen zijn, met machtsambities, belangen en opvattingen die elkaar wederzijds uitsluiten.
De realiteit drong zich snel op. De vermeende Pekinese Lente eindigde in een nog altijd voortdurende arrestatiegolf. Dat zette in de VS kwaad bloed, vooral omdat China net een VN-convenant over de mensenrechten had ondertekend - zij het niet geratificeerd. Peking antwoordde dat Washington zich niet met China’s interne aangelegenheden te bemoeien had. De Universele Verklaring van de Rechten van de Mens geldt in China immers als een westerse uitvinding, die de individuele rechten te veel benadrukt en de sociale te weinig.
Daarna ging de curve steil naar beneden. De ontvangst van de Dalai Lama door Clinton, Amerika’s aanhoudend warme relaties met Taiwan, de aanhaling van Washingtons militaire banden met Japan en Zuid-Korea: niet bepaald het gedrag van een strategische bondgenoot, vond China. De VS zeiden hetzelfde over de vermeende Chinese diefstal van Amerikaanse atoomgeheimen en de dumping van Chinese producten op de Amerikaanse markt.
De spanningen escaleerden lustig verder, totdat in mei de Navo blunderde met zijn bombardement op de Chinese ambassade in Joegoslavië. Resultaat: drie Chinese doden, twintig gewonden en in China een uitbarsting van woede over deze 'opzettelijke’ aanval. Dezelfde jongeren die nog geen jaar eerder voor Clinton hadden staan juichen, rukten nu onder regie van de autoriteiten uit om de Amerikaanse ambassade in Peking te bekogelen. Het regime zweepte bekwaam de patriottische gevoelens op. Zelden zal een explosie zo gecontroleerd zijn verlopen. Na twee maanden was het weer over. Want nu had Peking de Amerikanen nodig om in de Wereldhandelsorganisatie (WTO) te komen. En opnieuw klonken uit de mond van Jiang Zemin de woorden 'mijn oude vriend Bill Clinton’. Of de WTO China zal toelaten, is overigens nog maar de vraag. De tijd dringt, en in de verkiezingscampagne die in de VS voor de deur staat is een buitenlandse vijand erg welkom. En wie kan die rol beter vervullen dan het land waar volgens conservatief Amerika nog altijd het Gele Gevaar huist?
Maar er waren al weer twee nieuwe bliksemafleiders: Falun Gong en Lee Teng-hui. De boeddhistische sekte werd ontmaskerd als een organisatie van politieke samenzweerders. De Taiwanese president, die met zijn feitelijke onafhankelijkheidsverklaring het delicate evenwicht tussen Peking en Taipei doorbrak, krijgt uit Peking de volle nationalistische laag, de dreiging met een militaire aanval incluis.
En zo gaat de partij de vijftigste verjaardag van haar machtsovername tegemoet. Met een hectische mix van repressie en beloningen heeft ze volop haar best gedaan om zich te verzekeren van de loyaliteit van de Chinezen, zodat ze op 1 oktober haar beste beentje kan voorzetten. Even moeten alle problemen worden opgeschort. Na het feest zien we wel verder. Nieuws, veel nieuws verzekerd.