Op naar een no-deal Brexit?

‘Blijven is politieke zelfmoord’

Zijn de Britten eigenlijk ooit warmgelopen voor het idee van een Europese droom? In Peterborough stemde ruim zestig procent Leave. Een reportage uit het echte Engeland, op zoek naar een verband met de vele Oost-Europese arbeidsimmigranten die hier zijn neergestreken.

Op mijn zesde dag in Peterborough besluit ik naar de hondenrennen te gaan. De dagen ervoor had ik met een Pakistaans gemeenteraadslid gesproken, een Litouwse fabrieksarbeider en met de voormalige rechterhand van Nigel Farage. Op mijn wrakkige mountainbike was ik door de besneeuwde straten geglibberd, door Lincoln Road met name – met de wat morsige Aziatische en Oost-Europese winkels, restaurants en koffiehuizen. Ik had de nodige uren stukgeslagen in The Draper’s Arms, een pub die onderdeel was van Wetherspoon, de landelijke keten van de doorgewinterde brexiteer Tim Martin. Dat was vruchtbaar geweest, maar Joël Lamy had me aangeraden zeker ook naar de hondenrennen te gaan. Lamy was in dienst bij de Peterborough Telegraph, de lokale krant, die sinds een paar jaar alleen nog wekelijks verschijnt. Hij had me direct bij aankomst hartelijk ontvangen op de redactie en me genereus zijn adressenboekje ter beschikking gesteld. Veel tijd had hij niet. ‘Go see the dogs’, zei hij, terwijl hij me door de glazen schuifdeuren terug naar de ontvangsthal leidde.

In Peterborough had ruim zestig procent Leave gestemd. In Lincolnshire, iets verder naar het oosten, soms wel driekwart. Het was niet heel vreemd om een verband te veronderstellen met de enorme aantallen Oost-Europese arbeidsimmigranten die hier in de afgelopen jaren waren neergestreken. In 2004 had de Europese Unie tien landen van het voormalige Oostblok bij de EU verwelkomd. De bewoners hadden het recht overal naartoe te reizen en daar te werken. Sommige lidstaten, waaronder Nederland en Duitsland, bedongen een rem, maar het Verenigd Koninkrijk deed dit nadrukkelijk niet. De economie draaide op volle toeren. En volgens experts van de regering-Blair zouden er jaarlijks toch maar zo’n vijftienduizend mensen binnenkomen. Het werden er anderhalf miljoen in drie à vier jaar.

Veel van hen streken neer in East Anglia, in het oosten van het land. Ze gingen werken in de groente- en fruitpluk. Of in de aanpalende voedselverwerkende industrie. Peterborough, met circa 190.000 inwoners de meest omvangrijke stad in de streek, wordt gezien als een bellwether constituency, als maatgevend voor de rest van het land.

Het jaar 2004 zou verreweg de belangrijkste stap op de lange weg naar de Brexit blijken, had politicoloog en journalist David Goodhart me eerder in Londen voorgehouden. ‘Liberalen hebben lang betoogd dat we de globalisering moeten omarmen, omdat we zo meer welvaart kunnen creëren, in zowel arme als rijke landen’, zei hij. ‘Maar toen kwam China bij de Wereldhandelsorganisatie en begonnen de effecten van delokaliseringen voelbaar te worden. Dat ging lang goed, want we werden ook rijker, en we dachten dat we de klappen op andere manieren, bijvoorbeeld door omscholing, konden opvangen, maar net toen we wenden aan de fabriekssluitingen daagde er ineens een gigantische groep arbeiders van elders uit de Europese Unie op, klaar om de concurrentie met Britse arbeiders aan te gaan.’

We zaten in de koffieruimte van Policy Exchange, de centrum-rechtse denktank waar Goodhart parttime aan verbonden is. Het raam bood een dramatisch uitzicht op Westminster, waar het Britse Lagerhuis zich die dag opmaakte voor de zoveelste in een reeks van cruciale stemmingen. Goodhart, een old Etonian, wreef in 2017 zout in de wonden van de verslagen remainers met The Road to Somewhere. Hierin maakte hij onderscheid tussen ‘mensen van ergens’ (Somewheres) en ‘mensen van overal’ (Anywheres). De eersten waren lager opgeleid, geworteld en hechtten aan de groep, aan vaste gewoontes en veiligheid; de tweede groep was hoogopgeleid en mobiel en hechtte aan autonomie, openheid en fluïditeit. Volgens Goodhart had een minderheid van Anywheres te lang hun waarden aan de meerderheid van Somewheres trachten op te leggen en op 23 juni 2016, de dag van het referendum, hadden die laatsten simpelweg gezegd: ‘Genoeg!’

Goodhart bepleitte wat hij een decent populism noemde, een nieuw sociaal contract tussen volk en elite. Claims als dat we getuige zijn van de opkomst van een nieuw fascisme, zoals Bernard-Henri Lévy overal verkondigt, wierp hij verre van zich. ‘It’s all such fucking nonsense!’ riep Goodhart uit, zichtbaar geïrriteerd bij de naam van de Franse rockster-filosoof. ‘Een zekere mate van extremisme zal er altijd zijn, maar we zijn niet bezig de jaren dertig te reproduceren. Sinds 1945 zijn we doordrongen geraakt van liberalisme met alles wat daarbij hoort aan tolerantie voor anderen, de erkenning van individuele rechten. Het fascisme was iets van jonge rancuneuze mannen. Maar wij zijn welvarend en onze bevolking is simpelweg te oud.’

De Somewheres versus de Anywheres: het was een verleidelijk beeld, maar helemaal overtuigen deed het me niet, zeker niet in het licht van de politieke en economische chaos die zich met een no-deal Brexit aftekent. Zouden niet juist de Somewheres daarvoor de prijs betalen? En was ‘Brussel’ werkelijk verantwoordelijk voor hun klachten? Alles wees in de richting van de eigen, nationale regering.

Op een ijskoude avond in februari fiets ik de parkeerplaats van Peterborough Greyhounds op, pal naast de A1139. Van het publiek dat op hondenrennen af komt, heb ik me vooraf niet echt een voorstelling kunnen maken. Ik stel me bier drinkende Britse working class voor, luidruchtige aanmoedigingen en zwaaiende handen vol pondbiljetten. Het blijkt een nogal tam avondje uit voor de lagere middenklasse. Onder gedimd licht zitten groepjes, ouderen veelal, aan tafeltjes te eten en te drinken. Op de racebaan, aan de andere kant van het glas, worden de honden in kleurrijke hesjes geparadeerd. Niemand lijkt er speciaal acht op te slaan. Het gokken gebeurt werktuiglijk, met zo nu en dan een hand in het plastic zakje met glimmende pondstukken op tafel. Brokers lopen langs de tafeltjes en nemen de biedingen op. Het gokken gebeurt op nummer, niet op naam van de hond.

De winnende hond heeft nummer 4. Ik heb verloren, maar mijn tafelgenote heeft gewonnen. Ze heeft destijds Leave gestemd omdat haar man een exportbedrijf heeft en hij erop speculeerde dat de waarde van het pond ten opzichte van de euro door de Brexit zou stijgen. Ze vertelt het alsof ze het zelf ook maar half begrijpt. Haar ouders, gepensioneerde leraren, blijken remainers. Ze lijken afkomstig uit de jaren zeventig: zij met geblondeerde krullen, hij met een grijs leren jasje met een kraag met lange punten en de haren zorgvuldig over de kalende schedel gedrapeerd. Het is gemêleerd publiek, had Richard Perkins, de co-eigenaar van de racebaan, me vooraf gezegd. Ik zou er leavers én remainers aantreffen. Maar verreweg de meesten blijken leavers. Zelf had hij ook Leave gestemd, bekende Perkins. Met zijn duim draaide hij de gouden zegelring aan zijn pink rond. ‘Ik hield niet van de Europese vlag, en zeker niet op de nummerplaat van mijn auto, én ik wilde niet te veel immigratie.’

Buiten wordt het groene zand van de racebaan door een machine gladgestreken voor een nieuwe ronde. Binnen heeft Michael Jackson plaatsgemaakt voor Wham. ‘Als ik zeg dat ik minder immigratie wil, word ik onmiddellijk weggezet als een racist’, zegt Kay Little-Dyke (55), zwart steil haar, rode lippen en een designbril. ‘Maar dat zijn we niet. Ik ben nota bene getrouwd met een halve Pool.’ Ze knikt naar de man die naast haar zit, Pawel Skutele (54), een kalende vijftiger met bril en zwaar getatoeëerde armen. Skutele grijnst. ‘Het is gewoon allemaal te snel gegaan’, vervolgt Kay. ‘We moeten ineens concurreren met mensen die bereid zijn met veel minder genoegen te nemen dan wij. Ze wonen op kamers in Peterborough, maar ik heb hier enorme vaste lasten.’ Kay werkte een blauwe maandag bij Amazon, in het magazijn dat het Amerikaanse bedrijf een paar jaar geleden aan de rand van de stad heeft laten bouwen. Ze vond het werk zwaar, zag steeds meer op tegen de wisseldiensten.

De Skuteles zijn met een bevriend stel vanuit Werrington gekomen, een dorpje even buiten de stad: Kerry Gorman (40) en Andrew Skutele (49), een neef van Pawel. Alle vier stemden ze Leave, en alle vier zouden ze dat weer stemmen. Pawel bezorgt keukens, Andrew, een sportief ogende man met felblauwe ogen, autobanden bij garages. De mannen zeggen dat ze ‘out’ stemden om het Engeland van vroeger te behouden, het ‘Engeland van onze tradities’. Welke? ‘Kerstmis, Pasen.’ ‘Nu moeten we op die dagen werken’, valt Kay in. Het is het moment dat weerzin tegen het flexkapitalisme het anti-immigratiediscours overneemt. Er zijn klachten over lange uren, kortlopende contracten en de lastig bij te benen versnelling van de samenleving. ‘Ik verlang naar de tijd dat zondag nog gewoon voor iedereen een vrije dag was’, zucht Kelly, werkzaam bij gokkantoor Ladbrokes.

Wat heeft de EU hiermee te maken? vraag ik me later af. De wortels van het neoliberale beleid waaronder de Skuteles zeggen te zuchten lagen niet in Brussel, maar in Londen. Geïntroduceerd door Thatcher, gecontinueerd door Blair. Er is wel geopperd dat de combinatie van islamitisch geïnspireerde terreur en de immigratiecrisis van 2015 doorslaggevende factoren waren bij de Leave-stem. Verwezen wordt dan naar de beruchte poster van Farage, met een groep jonge, donkere, mannelijke, waarschijnlijk islamitische immigranten ergens in Europa. Begeleidende tekst: Breaking point.

Maar in Londen had Eric Kaufmann dat nadrukkelijk bestreden. Onlangs publiceerde de aan Birkbeck College verbonden politicoloog Whiteshift: Populism, Immigration and the Future of White Majorities, een confronterend boek over de angst van de witte bevolking om een minderheid in eigen land te worden. Volgens Kaufmann was die angst dé grote drijfveer achter het huidige populisme, veel meer dan terrorisme. Hij hield me voor dat alle onderzoek erop wijst dat immigratie de afgelopen vijftien jaar voor de Britten steeds zwaarder is gaan tellen.

‘Terreur en de vluchtelingencrisis hebben waarschijnlijk wel een rol gespeeld, maar de trend is al jaren opwaarts’, zei hij tijdens een lunch. Ook stelde hij dat het feit dat het hierbij veelal om (witte) Oost-Europeanen ging het nodige had bijgedragen aan het slechten van het taboe op negatieve uitlatingen over immigratie in het Verenigd Koninkrijk, waarvan nog altijd de helft niet-westers is (veelal afkomstig uit de Commonwealth). ‘Tegenwoordig kun je gewoon zeggen: “Ik vind dat er te veel Oost-Europeanen zijn.” Daarvóór lag onvrede uiten over immigratie veel gevoeliger, vanwege de altijd op de loer liggende beschuldiging van racisme.’

In 2008 zond de BBC The Poles are Coming uit, een documentaire over Oost-Europese immigratie in Engeland, met de focus op Peterborough. Het vertelt het verhaal van de circa vijftienduizend Polen, Litouwers, Letten en Esten die in korte tijd naar de stad waren gekomen. Halverwege schakelt de documentaire naar Polen zelf, waar een mannentekort dreigt te ontstaan. We volgen de burgemeester van Gdansk, de onlangs vermoorde Pawel Adamowicz, in een poging de geëmigreerde stadsgenoten terug te halen. In Peterborough spreekt hij een bomvolle katholieke kerk toe – zonder veel succes. Maar het merendeel van de documentaire gaat over de druk die de komst van de Oost-Europeanen op de openbare dienstverlening zet, op de woningmarkt, het zorgsysteem en de lagere scholen. Bij één huisarts zouden zich in een jaar tijd maar liefst duizend nieuwe patiënten hebben gemeld. Er zijn klachten over de onbekende talen die ineens overal te horen zijn en rondslingerende bierblikjes. ‘Als de immigratie zo goed is voor de economie, waarom betaalt de economie daar dan niet voor?’ zegt een pubeigenaar, die met een aantal stadsgenoten in verzet gekomen is.

Ook volgt de documentaire Charles Swift, een gepensioneerde machinist die decennialang voor Labour in de gemeenteraad zat. Hij ergert zich aan de massale huizenopkoop die heeft plaatsgevonden in zijn wijk. De oorspronkelijke bewoners vertrokken naar dorpjes buiten de stad of naar Spanje; de nieuwe Pakistaanse huiseigenaren verhuren losse kamers aan individuele Polen.

‘Oost-Europeanen werken jolly hard, maar in het weekend organiseren ze feestjes, dat duurt dan tot drie uur ’s nachts’

Swift, inmiddels 88 jaar oud, blijkt nog steeds in de wijk te wonen. In de gemeenteraad zit hij niet meer, vertelt hij, wanneer ik hem opzoek. Na 62 jaar vond hij het welletjes. Omringd door foto’s en allerhande eerbetoon verhaalt hij over de geschiedenis van de migratie in Peterborough. Hoe die na de Tweede Wereldoorlog begon met een groep Italianen die aan het werk ging in de baksteenindustrie. Seizoenarbeiders kwamen toen nog uit net noorden van Engeland. Later kwamen de Portugezen en de Spanjaarden, vanaf de jaren zestig de Pakistanen en Bangladeshi. Niet zonder trots vertelt Swift hoe hij in de jaren zeventig een groep Aziatische Oegandezen naar Peterborough haalde. ‘Ik zorgde ervoor dat ze allemaal een huis kregen.’ Maar met de komst van grote aantallen Oost-Europeanen ging het mis, zegt hij.

Lincoln Road veranderde van aanzicht. Damesmodezaken en schoonheidssalons maakten plaats voor Poolse supermarkten, Litouwse restaurants en corner shops: avondwinkels waar je drank, snoep en sigaretten kunt kopen. Swift memoreert de omhoog geschoten huizenprijzen van de afgelopen jaren en hoe dat met name jonge witte Britten zou verhinderen een huis te kopen. Dat zette veel kwaad bloed, zegt hij. ‘Of anders wel dat veel Oost-Europeanen om vijf uur in de ochtend worden opgehaald om in de velden te gaan werken. Dan komen er taxibusjes voorrijden en die toeteren dat het een lieve lust is en daar is men in de wijk niet aan gewend. Ze werken allemaal jolly hard, maar in het weekend organiseren ze feestjes, en ze nodigen ons ook netjes uit, maar dat duurt dan tot drie uur ’s nachts en ook daar zijn de mensen in de wijk niet aan gewend. Ondertussen kunnen de oorspronkelijke bewoners hun kinderen veel lastiger op scholen onderbrengen en dat leidde allemaal tot een rancune die geheel vreemd was aan het karakter van de mensen.’

En niet alleen bij de witte Britten, zo ontdekte ik. Ook binnen de Pakistaanse gemeenschap bleken veel mensen Leave gestemd te hebben vanwege de Oost-Europese immigratie. ‘Bash’, een jonge Pakistaanse man met wie ik een dag door het polderlandschap ten oosten van Peterborough toerde, klaagde over de druk die de Oost-Europeanen op het onderwijssysteem, de woningmarkt en het zorgstelsel zetten. ‘Wij betalen ook belasting’, zei hij. ‘Op een bepaald moment moet je stop zeggen.’ Veel kennissen van hem deelden dat sentiment, zei hij, ‘goede moslims’, die zich ergerden aan het overmatige alcoholgebruik van de Oost-Europeanen.

Met Charles Swift, het hoogbejaarde ex-gemeenteraadslid, bezoek ik later die week de Fulbridge Academy, de lagere school waar hij in het bestuur zit en die ook een dependance naar hem heeft vernoemd. ‘De school is de toekomst’, weet Swift, als oude sociaal-democraat. Zo’n jaar of tien geleden had de helft van de kinderen hier een Engelse en de helft een Pakistaanse achtergrond, zegt Allison Barnes, een van de twee conrectoren. Met de komst van de Oost-Europeanen veranderde dat. In een klas vraag ik wie er thuis Engels met zijn ouders spreekt. Slechts één hand gaat omhoog. Het zegt iets over de immense verantwoordelijkheid die op de schouders van de leraren drukt. ‘Hier op school is vaak de enige plek waar kinderen consequent Engels spreken’, zegt Barnes. Toch wordt de school landelijk geroemd. Er heerst een zweem van idealisme. En overal waar ik kijk zie ik ordentelijke rijen en geconcentreerde gezichtjes. Het geheim? Een veilige omgeving en hoge verwachtingen, aldus Barnes. ‘Wat ook helpt is dat ouders hier enorm gemotiveerd zijn om hun kinderen te laten slagen.’

‘Migratie was doorslaggevend, maar het was niet de kern van de Brexit-stem’, zegt gemeenteraadslid Patrick O’Flynn, op het partijkantoor van de Social Democratic Party, niet ver van het station. ‘Wij Britten zijn nooit echt warmgelopen voor de Europese droom. We zijn een eilandnatie, met een sterk besef van onze rol in de geschiedenis van de twintigste eeuw. En daarbij hebben we onze eigen Unie. Bij ons is het heersende idee toch dat de EU te veel bevoegdheden naar zich toe trekt.’ Tegelijk is O’Flynn er ‘als soevereiniteitsman’ van overtuigd dat dit voor het Leave-kamp niet afdoende was om het referendum mee te winnen. ‘Het was de arbeidersstem die het zwaarst telde, en ik denk dat voor deze mensen de omstandigheden op de arbeidsmarkt zwaar wogen, en ook dat zij de druk op publieke diensten voelden, met name wat betreft huisvesting, en dat de perspectieven van hun kinderen slechter zijn dan die van henzelf, en dat gaat niet alleen over immigranten, maar óók over de macht van grote bedrijven om hun voorwaarden aan de markt te dicteren.’

O’Flynn, die ondanks zijn grijze haren en flanellen pak opvallend jong oogt, heeft een opmerkelijke politieke bekering achter de rug. Tot voor kort was hij de rechterhand van Nigel Farage en een prominente stem binnen Ukip. Maar toen de partij na het vertrek van Farage begon te flirten met uiterst rechtse figuren als Tommy Robinson hield hij het naar eigen zeggen voor gezien en stapte hij over naar de sdp. Hij begon zijn carrière in de journalistiek. Als politiek commentator bij de rechtse tabloid The Daily Express wist hij begin 2010 de hoofdredacteur en de eigenaar ervan te overtuigen om een openlijke anti-EU-koers met de krant te gaan varen, als eerste landelijke dagblad.

‘Er waren een paar Conservatieve MP’s die de campagne steunden, een enkele Labour-MP, maar het stelde aanvankelijk niet zo veel voor’, zegt O’Flynn. Hij kreeg uitnodigingen om te komen spreken bij Ukip-bijeenkomsten en ontdekte daar het potentieel van de flamboyante en uitgesproken Farage, hoezeer die klikte met een deel van het electoraat. Hij sloot zich aan bij de partij en belandde hoog op de lijst voor de Europese verkiezingen van 2014.

O’Flynn was tevens campagneleider en als zodanig de architect van de enorme overwinning die Ukip dat jaar behaalde (O’Flynn is nog steeds europarlementariër). De in de landelijke politiek grotendeels onzichtbare partij haalde bij de Europese verkiezingen ineens 26,6 procent van de stemmen, een doorbraak. Vanaf toen zag O’Flynn Ukip als een fenomenaal pressiemiddel op premier David Cameron. ‘We trokken aan een deel van de Conservatieve Partij, en in de aanloop naar de landelijke verkiezingen van 2015 stonden de Tories ineens tien punten achter in de peilingen. Het enige wat Cameron nog kon doen om de achterstand in te lopen was een referendum over deelname aan de EU in het vooruitzicht stellen.’ De rest is geschiedenis: Cameron gokte dat de LibDems net genoeg zetels zouden halen om zijn eigen partij van de absolute meerderheid af te houden en hij zijn belofte van een referendum niet zou hoeven nakomen. Maar de LibDems verloren, en de Tories wonnen de meerderheid. Daarmee was het referendum een feit.

Het perspectief van een no-deal Brexit maakt weinig indruk op het merendeel van de Leavers die ik in en rond Peterborough spreek. Ik kan niet goed uitmaken of dit voortkomt uit soevereiniteitsdrang of dat het cognitieve dissonantie is. Zeker niet na het gesprek dat ik voer met een drietal Leavers bij de McDonald’s in Wizbech, op een half uurtje rijden van Peterborough.

Ik spreek een stelletje aan dat een caravanstalling even buiten de stad blijkt te runnen, Jo Wooley en Paul Taylor. Al snel begint een man die een tafel verderop zit zich ongevraagd met het gesprek te bemoeien. Hij blijkt als autoverkoper in de buurt te werken. Hij begint erover dat je vanaf het continent telkens hoort dat Engeland maar een klein eilandje is en dat het zich nooit zal redden in een gevaarlijke zee vol monsters als China, de Verenigde Staten en Rusland. ‘Maar dat is niet zo’, zegt hij. ‘Wij zijn eensgezind en plakken tegen elkaar als lijm, dat is de mentaliteit van de Tweede Wereldoorlog, de Blitz-mentality. Maar dan zeggen mensen: “Ja, maar dat was tijdens de oorlog…”, en dan zeg ik: “Nee, want toen prinses Diana stierf, hadden we dat opnieuw.” En we kunnen altijd met de landen van de Commonwealth handelen, al komt dat tot dusver inderdaad nog niet echt van de grond.’

‘Je kunt wel handelsverdragen met verre landen sluiten’, zeg ik, ‘maar wat schiet je ermee op? Als er één economische wet is, dan luidt die dat je verreweg de meeste handel drijft met je buren.’

Paul: ‘Maar we zullen toch gewoon blijven handelen met Europa?’

Ik: ‘Zeker, maar de voorwaarden waaronder hangen van de te bereiken deal af.’

Paul: ‘Die zal er uiteindelijk toch wel komen?’

Ik: ‘Uiteindelijk wel, maar handelsverdragen sluiten is bewerkelijk, dat neemt al snel vijf à zes jaar in beslag.’

Jo: ‘Maar we kunnen toch gewoon op de oude voet verder?’

‘Engeland heeft weilanden, koeien, schapen, kippen, we kunnen voor onszelf zorgen, we zullen niet verhongeren’

Ik: ‘Hoe dan?’

De autoverkoper: ‘Gewoon, zoals het was.’

Ik: ‘Hoe het was, was dat het Verenigd Koninkrijk lid was van de EU, maar dat is straks niet meer zo.’

Jo: ‘Engeland is een eiland dat zichzelf bedruipen kan, we hebben weilanden, koeien, schapen, kippen, we kunnen voor onszelf zorgen, we zullen niet verhongeren.’

Ik: ‘Maar jullie willen toch niet rondom het kampvuur eindigen? Dáár is het jullie met die Brexit toch niet om begonnen?’

De autoverkoper: ‘Dat is jouw mening, onze is anders. Ik ben vooral bezorgd over wat een no-deal Brexit voor jouw land en de rest van Europa gaat betekenen.’

In Lincolnshire zorgde de komst van de immigranten uit Oost-Europa en andere EU-landen voor veel onrust. ‘Als gemeenteraad hadden we daar veel werk aan’, zegt Ansar Ali, een sociaal werker van Pakistaanse afkomst (en tevens gemeenteraadslid) met een lange staat van dienst in Peterborough, in een Bengaals theehuis aan Lincoln Road. ‘We moesten duidelijk zien te maken dat we deze mensen nodig hadden, op de velden, in de fabrieken, maar ook in de ziekenhuizen, als verpleegsters en als nanny’s. We moesten uitleggen dat ze allemaal kwamen werken, dat ze gewoon belasting betaalden, et cetera. En dat wás ook zo, want Engelsen zelf wilden die banen niet, want het was slecht betaald en hard werken, en het is ook menselijk dat wanneer je leven eenmaal comfortabeler is je dan niet terug de kou in wilt om lange uren achtereen loodzwaar werk te verrichten. Maar als je on the breadline leeft heb je dat geld nodig om naar huis te sturen en de Letten, de Litouwers, de Polen en de Portugezen deden dat.’

Ze vormen hun eigen gemeenschappen, met winkels, tijdschriften en kerken. De leeggelopen katholieke kerken van Peterborough zaten opeens weer vol, tot vreugde van de priesters, maar soms tot ergernis van de buurtbewoners die op zondag ineens nergens hun auto kwijt konden.

Het is geen gemakkelijk leven. Neem Saulius Arbocius, een Litouwer van veertig. Hij voltooide een bachelor godsdienstwetenschappen en doceerde op een van de beste scholen van Vilnius. Maar zijn vrouw kon geen baan vinden en in 2013 besloten ze de grote stap te wagen en vertrokken ze met hun twee jonge kinderen naar Engeland. Hij vond een baan in de voedselverwerkingsindustrie in Wizbech. De fabriek waar hij werkt produceert de crumble die je aantreft op supermartktdesserts. Zijn vrouw ging werken in het magazijn van Amazon. Na een paar jaar liep hun huwelijk stuk. Wat nu? Terug naar Litouwen was geen optie. De kinderen zaten op een goede school, waren geworteld, en Arbocius’ ex-vrouw, die de voogdij heeft, wilde per se dat de kinderen zouden opgroeien in het Verenigd Koninkrijk. Tegenwoordig draait ze nachtdiensten om het co-ouderen te vergemakkelijken. ‘De verhouding is gespannen, al zijn we gelukkig nog wel on speaking terms’, zegt Arbocius aan tafel in een slecht verwarmde woonkamer.

Het werk in de fabriek is zwaar, hij sjouwt zo’n duizend kilo deeg per uur, veertig uur per week. Hij doet het werktuiglijk, dan gaat de tijd het snelst. Soms vervangt hij de teamleider, maar de kans op promotie is klein. Alle leidinggevende functies zijn ingevuld, in ieder geval voor de komende jaren, zo lijkt het. Op zaterdag is hij actief in de katholieke kerk. Dat biedt troost, al maakt hij tegelijk een onrustige indruk. De mogelijkheid van een no-deal Brexit vreet aan hem, zoals aan alle arbeidsmigranten zonder vaste verblijfsvergunning. In de fabriek werken vrijwel alleen maar immigranten, vertelt Arbocius: ‘Zo nu en dan vertoont zich wel eens een Brit, maar na een paar weken melden die zich ziek, of blijven ze weg. Het werk is te zwaar voor hen.’

‘De Oost-Europeanen werken hard, doen relatief weinig beroep op de verzorgingsstaat, al is er veel controverse over degenen die kinderbijslag claimen voor hun thuis achtergebleven kinderen’, zegt O’Flynn, de politicus. ‘Aan dat soort verhalen wordt in arbeidersmilieus enorm zwaar getild. Daar denken mensen: wij kunnen amper rondkomen, en de Britse belastingbetaler wordt geflest. Het kan zo oplopen tot 160 pond per maand, en dat is een enorm bedrag in een land als Bulgarije. Maar als cohort zou je moeten zeggen dat het gaat om jonge, fitte volwassenen die hard werken en de wet respecteren.’

Had de overheid niet beter moeten anticiperen op de komst van al die Oost-Europeanen, door scholen te bouwen, meer betaalbare woningen, ziekenhuizen? O’Flynn antwoordt bevestigend. ‘Het is waar dat we een tekort hebben aan huizen, maar er is óók het sentiment dat er te veel beton is, en we hebben een netto immigratie van 180.000. Zelf ben ik van mening dat we moeten bouwen, maar dat kun je politiek alleen verkopen wanneer je tegelijk zegt dat je de netto immigratie omlaag brengt. Anders zullen mensen zeggen: je bouwt zodat immigranten de huizen kunnen betrekken.’

O’Flynn staat nog steeds voor de volle honderd procent achter zijn Leave-stem, al noemt hij de afgelopen twee jaar ‘appallingly handled’, vooral omdat het nu hoofdzakelijk remainers zijn die de Brexit moeten uitvoeren. Waar O’Flynn naar eigen zeggen bij de Conservatieve MP’s op hamert is de politieke prijs die ze zullen betalen indien ze de Brexit uitstellen of afblazen. ‘Van hun rijke zakenvrienden horen ze steeds wat een ramp het gaat worden. Maar twee derde van hun kiezers wil eruit. Dus blijven staat gelijk aan politieke zelfmoord.’

O’Flynn denkt dat Theresa May wel een paar maanden uitstel kan krijgen, zo ongeveer tot het verloop van de termijn van de zittende leden van het huidige Europarlement. ‘Maar als we er dan nog niet uit zijn en we alsnog Europese verkiezingen moeten uitschrijven, drie jaar nadat we tot uittreding uit de EU hebben gestemd, voorzie ik oproer. Dan zal Farage met een nieuwe partij komen en winnen; dan zal that guy, Tommy Robinson, waarschijnlijk gekozen worden namens Ukip en populisme van de hardste variant zich als een lopend vuur verspreiden, sterker nog dan dat van Matteo Salvini in Italië, want het zal gebaseerd zijn op het idee van verraad. Dus mijn hoop is dat de Conservatieven tijdig inzien wat de politieke prijs zal zijn en de druk van de zakenwereld zullen weerstaan en desnoods zullen gaan voor een no-deal Brexit.’

De wortels van het Europese populisme

Wat jaagt het populisme aan? Voor zijn reportageserie over de onderstroom van het nationaalpopulisme bezocht Marijn Kruk als eerste Groot-Brittannië. Met het referendum over het Britse lidmaatschap van de Europese Unie in de zomer van 2016 wisten populisten voor het eerst een historische omwenteling te forceren. Zonder Nigel Farage en zijn United Kingdom Independence Party (Ukip) immers geen Brexit, daarover zijn voor- en tegenstanders het eens. Daarop volgde Donald Trump en daar leek het bij te blijven.

In Frankrijk leek Emmanuel Macron de populistische vloedgolf te breken, nota bene met een Europese vlag in zijn hand. Maar in 2018 consolideerde Viktor Orbán in Hongarije zijn macht, kwam in Duitsland Alternative für Deutschland in de Bundestag en trad in Oostenrijk de extreem-rechtse FPÖ toe tot de regering. Italië kreeg zelfs een volledig populistische regering met een coalitie van de xenofobe Lega en de anti-systeempartij M5S. In Nederland zijn Wilders en Baudet samen in sommige peilingen goed voor 35 Kamerzetels. En Macron? Sinds het oproer van de ‘gele hesjes’ vecht hij voor zijn politieke leven. De Rassemblement National van Marine Le Pen gaat in de peilingen aan kop bij de verkiezingen van het Europees Parlement in mei.

Deze serie onderzoekt de diepere oorzaken van het Europese populisme. De werkhypothese luidt dat het zijn wortels niet in de vluchtelingencrisis van 2015 heeft en zelfs niet in de financiële crisis van 2008, maar in de hegemonie van het liberalisme van de jaren tachtig en negentig. Niet altijd leken we te beseffen dat het vrije verkeer van goederen, diensten en personen ook nadelen had, dat er een prijs te betalen was, bijvoorbeeld (angst voor) het verlies van culturele eigenheid, of economische precariteit. Welke prijs en hoe dat zich politiek vertaalt verschilt per land en naar de omstandigheden. Is er desondanks een gemeenschappelijke noemer?

Volgende bestemming: Oostenrijk


Dit artikel is tot stand gekomen met steun van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten (fondsbjp.nl)