Essay: Argumenten voor en tegen verlenging van de Irak-missie

Blijven of gaan?

Het ziet ernaar uit dat kabinet en parlement akkoord gaan met verlenging van de Nederlandse missie in Irak. Intussen wordt te kust en te keur en zonder grondige analyse geargumenteerd. Een overzicht van de stellingen.

«We hebben daar niets meer te zoeken. Ook de Amerikanen niet. Wederopbouw lukt niet en het verzet van de Iraakse burgers wordt alleen maar groter en groter.»

«Maar als we ons nú terugtrekken dan laten we de rest daar achter, terwijl we wel hebben besloten ze te helpen! We hadden al niet mee moeten doen, da’s een feit… maar nu kan je ze daar niet laten stikken.»

Twee reacties uit het Webcongres, het onlineforum van NRC Handelsblad. De stelling, waar een zo evenredig mogelijk geselecteerd panel wekelijks zijn mening over geeft, was dat Nederland na 30 juni (wanneer de Coalitie de macht overdraagt aan de Iraakse voorlopige regering) zijn troepen moet terugtrekken uit Irak. Opinieonderzoek van Maurice de Hond gaf als resultaat dat een meerderheid van de bevolking, 53 procent, tegen verlenging is van de aanwezigheid van de Nederlanders in Irak en 40 procent vóór. Het onderzoek werd gehouden vlak nadat de Nederlandse sergeant Dave Steensma was gesneuveld en een andere militair zwaar gewond was geraakt. Eerder hield Intomart een peiling waaruit bleek dat 56 procent van de bevolking de missie niet wilde verlengen.

De aantallen voor- en tegenstanders van de omstreden militaire operatie in de Zuid-Iraakse provincie al-Muthanna liggen dicht bij elkaar. Een relatief grote groep komt niet tot een beslissing. Wie te rade gaat bij vrienden en collega’s merkt de vertwijfeling: waarom zitten we daar eigenlijk? Wat is onze taak? Zijn de risico’s aanvaardbaar? Hoe flexibeler de geest van de gesprekspartner en hoe meer hij of zij de moed heeft de loopgraven van de voor ingenomen heid te verruilen voor het woeste niemandsland van met elkaar strijdende argumenten, des te kleiner de kans op een eenduidige mening.

Blijven of gaan? Nederland twijfelt.

In de ministerraad wordt deze week een besluit genomen en dat zal worden voorgelegd aan het parlement. Het ziet ernaar uit dat zowel kabinet als parlement akkoord zal gaan met een verlenging van de missie, maar niet dan na stevige discussie. En de posities schuiven. D66 twijfelt, binnen het CDA rommelt het (zie pagina 10 en 11 in dit nummer). De grootste oppositiepartij, PvdA, is tegen, maar kan nog uit die positie wegdraaien en de ChristenUnie — bij krappe stemverhoudingen belangrijk — neigt naar instemming met een verlenging, maar is er nog niet helemaal uit. De posities van SP, GroenLinks (beide tegen) en LPF en VVD (beide vóór) liggen vast.

Het meest recente kamerdebat over Irak was op 15 april. Hoewel dat nog niet de bedoeling was, kwam de vraag of de missie verlengd zou worden daarbij ruimschoots aan bod. De argumenten buitelden over elkaar heen, vaak zonder degelijke analyse. Er werd bijvoorbeeld veel aandacht besteed aan de vraag of een grotere VN-rol in Irak «politiek wenselijk» was of een voorwaarde voor verlenging. Maar wat die rol dan minimaal zou moeten inhouden vermeldde niemand.

Tekenend voor het debat was ook dat het parlement zich vooral bezighield met morele en politieke argumenten en nauwelijks met militair-operationele overwegingen, terwijl die juist bepalend zijn voor het slagen van een vredesmissie. Neem Srebrenica: daar faalde Dutchbat omdat ze niet voldoende materieel, manschappen en bewapening had om haar positie zonder steun van lucht aanvallen te verdedigen. De politieke en morele factoren van het drama, die inmiddels volledig zijn uitgekauwd, kregen pas betekenis nadat de enclave onder de voet was gelopen.

Hieronder volgen — in een poging de verwarde discussie te ontrafelen — enige argumenten die aaneengeregen en in allerlei combinaties gebruikt worden om te bepalen of de troepen na 15 juli naar huis moeten of in de woestijn moeten blijven.

Het Nederlandse contingent stelt weinig voor; het heeft geen grote gevolgen als we het terugtrekken.

Een onjuist maar veelgehoord borreltafelargument. Al-Muthanna is de op een na grootste provincie van Irak, grenzend aan het strategisch zeer belangrijke Saoedi-Arabië. Nederland heeft er iets meer dan dertienhonderd troepen gelegerd. Daarmee is het Nederlandse contingent het op vier na grootste in Irak: getalsmatig én symbolisch een belangrijke bijdrage aan de multinationale vredesmacht SFIR.

Nederland maakt deel uit van de bezettingsmacht, we steunden immers de Amerikanen en Britten.

Onjuist. Nederland steunde de oorlog politiek, niet militair. Pas na de oorlog voelde de regering zich verplicht troepen te leveren. In Veiligheidsraad-resolutie 1511 werden de VN-lidstaten opgeroepen om «bij te dragen aan de voorwaarden voor stabiliteit en veiligheid». Die clausule wordt gezien als de legitimatie voor SFIR, die als zodanig dus een VN-mandaat heeft, al is het flinterdun. Nederland mag dan officieel geen deel uitmaken van de bezettende «Autoriteit», de troepen zijn wel doelwit. Meerdere malen kwamen ze onder vuur te liggen.

Het risico dat de Nederlandse eenheden lopen is verantwoord.

Dat is een argument dat niet goed te staven is. Wat is een verantwoord risico? Bij de missie in Kosovo werd naar verluidt rekening gehouden met een uitval van vijf procent. Het ziet ernaar uit dat de troepen op zijn minst enige tijd een onverantwoord — want onnodig — risico hebben gelopen.

«Er is geen militaire tegenstander waar wij last van kunnen hebben», zei minister van Defensie Henk Kamp tijdens het Irak-debat van 15 april. Er was geen parlementariër die daarop inging. Twee weken later werden echter twee Nederlandse bases beschoten met mortieren. Kamp stuurde een mortieropsporingsradar waarmee de positie van de vijandelijke schutters snel kan worden achterhaald. Die kwam weken later, op 19 mei aan. Inmiddels waren er verschillende incidenten geweest en werd Steensma gedood. Twee weken geleden zijn zes Apache-gevechtshelikopters naar Irak gevlogen om de Nederlandse bases te helpen beveiligen tegen aanvallen.

Door de toenemende onveiligheid heeft de missie een ander karakter gekregen.

Sinds de Amerikanen de strijd zijn aangegaan met milities in verschillende steden (Fallujah, Kerbala, Najaf, Kufa) is het ook in het Nederlandse gebied onrustig. Nederland wil met zijn militaire aanwezigheid bijdragen aan de wederopbouw van Irak. Maar het bouwt wat moeilijk op als de militairen bijna al hun tijd moeten steken in het waarborgen van hun persoonlijke veiligheid. Er is sprake van mission creep: men houdt zich noodgedwongen bezig met andere zaken dan waar men voor gekomen was. «Als er geen stabiliteit meer is, heeft het ook geen zin om de stabiliteit te bevorderen en te handhaven. Dan moeten wij dus conclusies trekken voor onze taak», zei minister Kamp in het debat van 15 april. Als de situatie verder verslechtert, kan dat volgens hem betekenen «dat wij ons zouden moeten terugtrekken».

Nederland heeft een verplich ting ten opzichte van de Iraakse bevolking.

Terugtrekken zou bete kenen dat de bevolking aan haar lot wordt overgelaten. Veel gebezigd door politici, en niet alleen aan hun borrel tafel. Om verscheidene redenen een merkwaardig argument. Er is niet gezegd dat geen andere natie de Nederlandse sector kan overnemen. Bovendien heeft Nederland zich gecommitteerd aan een periode van zes maanden met de optie op nog een half jaar: na 15 juli zijn beide termijnen uitgediend en zijn er dus geen verplich tingen meer. Ook geen morele. Als Nederland graag de bevolking wil helpen, kan dat vast ook langs niet-militaire kanalen, zonder de levens van soldaten op het spel te zetten.

Het onbehouwen (oorlog in de steden) en misdadige (martelingen) optreden van de Amerikanen is onacceptabel.

Dat kan zo zijn, het is geen reden de troepen terug te roepen. Nederland is niet verantwoordelijk voor het doen en laten van de VS. Wel was het chique geweest als minister Bot met name over de martelpraktijken langs officiële weg zijn bezorgdheid zou hebben geuit bij zijn Amerikaanse collega. Het Amerikaanse rouwdouwen kan overigens ook een reden zijn om in Irak te blijven. Wellicht hebben de Nederlanders een matigende invloed.

Na 15 juli vertrekken getuigt van een beroerde timing en is een slecht voorbeeld.

Klopt, op 30 juni vindt de machtsoverdracht plaats (een instabiel moment) en vanaf 1 juli is Nederland ook nog eens EU-voorzitter waardoor terugtrekken een zware lading zou krijgen. Maar als Nederland opnieuw zou bijtekenen, zou het afzwaaien van de soldaten plaatsvinden in februari 2005. Dat is óók beroerd: net na de Iraakse parlementsverkiezingen. LPF-fractieleider Herben heeft overigens de oplossing: bijtekenen voor vier, niet voor zes maanden.

Weggaan is toegeven aan terreur.

Nonsens, er zijn genoeg redenen om te vertrekken (of te blij ven). Probleem: hoe langer de troepen zich in Irak bevinden, hoe groter de kans dat ze het slachtoffer worden van een grote terreur aanslag. Mocht die rond 15 juli plaatsvinden en Nederland verlengt de missie niet, dan wekt dat de schijn van buigen voor de terrorist. Dat is wat Spanje overkwam. De nieuwbakken Spaanse premier had al maanden eerder beloofd de troepen thuis te brengen als de kiezers hem zouden kiezen, aangezien zijn partij meer macht voor de VN eiste. Maar de aanslagen in Madrid droegen bij aan zijn overwinning, waardoor hij leek toe te geven aan de bommenleggers. De Italianen bevinden zich momenteel in een soortgelijke situatie: twee landgenoten zijn gegijzeld en uiteindelijk pas dinsdag bevrijd, één was reeds geëxecuteerd. De ontvoerders eisten dat de Italianen tegen hun pro-Amerikaanse regering-Berlusconi protesteren.

Bondgenootschappelijke plichten.

Die gelden hier formeel niet. Nederland is lid van de Navo, de EU en de Verenigde Naties, en die organisaties spelen geen van alle een grote rol in Irak. Nederland is geen lid van de Verenigde Staten van Amerika, de leading nation in deze campagne. Echter, het zou zeer onverstandig zijn de VS van ons te vervreemden. Nederland is economisch voor meer dan vijftig procent afhankelijk van het buitenland. Politiek en militair beschouwd legt Nederland alléén niet genoeg gewicht in de schaal om de zaken naar zijn hand te zetten. Uitmuntende betrekkingen met de machtigste natie op aarde zijn dan ook van groot belang. Maar hier rijst een dilemma, want dezelfde redenering gaat op voor het bevorderen van de internationale rechtsorde, lees: de macht van de VN. En daaraan heeft «grote vriend» Amerika de laatste tijd nu niet bepaald bijgedragen.

Overigens heeft de Nederlandse regering een rein geweten: zij meent dat de oorlog geen schending was van het volkenrecht — Nederland baseert zich op eerdere resoluties waarin Saddam Hoessein werd opgeroepen zich te ontwapenen, uitmondend in de «ernstige gevolgen» van resolutie 1441: de militaire campagne. Met deze slinkse redenering wist de regering te voorkomen dat zij tegen de Grondwet inging. Want Nederland is de enige staat ter wereld die «de ontwikkeling van de internationale rechtsorde» in de Grondwet heeft vastgelegd (artikel 90).

Waarmee we zijn aanbeland bij het onversneden eigenbelang.

Hoewel Nederland zich internationaal graag opstelt als onbaatzuchtige weldoener, is de overheid zich zeer bewust van het Nederlandse belang. Er wordt echter zelden openlijk over gepraat. VVD-fractievoorzitter Van Aartsen zegt doorgaans wél waar het op staat. Hij betichtte het weifelende D66 van een «provinciale kijk op een vitale regio». Maar ook bij hem kwam het olie-woord niet over de lippen. Stabiliteit in het Midden-Oosten is van groot belang voor de olieprijs: die moet zakken. Dat sinds de Koude Oorlog de Nederlandse krijgsmacht is omgevormd tot een expeditionaire macht met troepentransportschepen en in de toekomst wellicht zelfs kruisraketten, heeft alles te maken met de Nederlandse behoefte aan stabiliteit in de wereld. Van minder groot belang, maar toch hanteerbaar als economisch argument om de troepen te handhaven, is de Nederlandse rol bij de wederopbouw. De militairen kunnen een bruggenhoofd vormen voor het bedrijfsleven.

De complexiteit van de discussie komt tot uiting in het haast platvloers klinkende, maar veelgebezigde argument: «Wie A zegt moet ook B zeggen; we moeten het karwei afmaken omdat we er nu eenmaal aan begonnen zijn.» Het mag een simplisme lijken, toch grijpen er verschillende elementen van de discussie in samen. Nederland als betrouwbare bondgenoot die krachtig «doorpakt», zich niet laat intimideren door verzetsstrijders en terroristen, waar je zaken mee kunt doen en die bovendien nog eens het beste voorheeft met de arme bevolking.

Puur feitelijk gezien is het een kulargument: Nederland moet niks afmaken — het is zijn toezegging troepen te leveren en bij te dragen aan de stabiliteit in Irak al ruimschoots nagekomen.

De meesterversnijder van eigenbelang met goeiigheid is de minister van Defensie, Henk Kamp: «Wat denkt u dat er gebeurt als wij plots klaps weggaan?» sprak hij geëmotioneerd in het parlement. «Stel dat Italië, Polen, Denemarken, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten hetzelfde doen. Wat zou er gebeuren met Irak en de Irakezen als die landen allemaal weggaan? Wat voor situatie zal er dan ontstaan?» De schrik slaat ons om het hart: die arme Irakezen. Kamp vervolgt: «Hoeveel mensen zullen dat land ontvluchten en waar gaan zij dan naartoe?» Naar Nederland? Zo ja, dan is de missie in Irak ook een vorm van asielbeleid.

De discussie over verlenging van de deelname aan de stabilisa tiemacht in Irak gaat over het inzetten van Nederlandse levens in een uiterst risicovol gebied. Daar wordt met recht aan getwijfeld. De weging van argumenten en de manier waarop iemand ze inzet in zijn betoog hangt af van hoe hij de wereld beschouwt: als een samenstel van belangen en op elkaar inwerkende krachten te midden waarvan Nederland zich staande moet houden, of als een verzameling kwetsbare gemeenschappen die het toch vooral met elkaar moeten zien te rooien in het ondermaanse. Zijn de Nederlandse militairen in Irak om het Nederlandse belang te dienen of zijn ze daar uit humanitaire overwegingen, om mensen te helpen? Het één sluit het ander niet uit, maar de discussie wordt slordig gevoerd. Politieke en morele argumenten worden met elkaar verweven in plaats van grondig geanalyseerd.

Intussen, terwijl volksvertegenwoordigers en vertegenwoor digden worstelen met belangen en plichtsbesef, lijkt Henk Kamp de zaak al rond te hebben. Half juni zal een vers bataljon naar Irak worden gezonden «om te wennen aan de hitte», meldde hij in de Kamer. In juli kunnen de militairen dan hun voorgangers aflossen. In theorie, uiteraard. Maar «naarmate die datum (half juni — jb) nadert, wordt het moeilijker om plotsklaps weg te gaan en de boel de boel te laten», zei de minister met een snik in zijn stem. Waar de moeilijkheid precies in school, vertelde hij er niet bij.

Niemand vroeg het hem immers.