Blik in een afgrond

Bettina Stangneth, _Eichmann in Argentinië: Het onbezorgde leven van een oorlogsmisdadiger. Atlas Contact, 704 blz., € 69,95_

In een boek dat ik vorig jaar over de nasleep van de Tweede Wereldoorlog in Nederland publiceerde (Dat nooit meer – red.) staat een uitvoerig hoofdstuk over de Nederlandse reacties op het Eichmann-proces. Een van de belangrijkste noties daarvan is wat tijdens en na het proces door onder anderen Abel Herzberg, Harry Mulisch en Hannah Arendt werd geschreven: dat Eichmann een sukkel was. ‘Een wat groezelige, verkouden man met een bril op’, schreef Mulisch. En: ‘Wanneer men een leeg SS-uniform in de kooi zou neerzetten, een SS-pet er boven zwevend, zou men een verdachte van groter werkelijkheid hebben.’ Herzberg zei hetzelfde anders en schreef: ‘Dit hele leven is… zonder enig eigen initiatief van enig belang verlopen… Wat wij tegenkomen is een dienstwillige dienaar.’ Tot slot Hannah Arendt. Zij maakte onder de noemer ‘banaliteit van het kwaad’ de gedachte van Eichmann als sukkel wereldwijd bekend. Hij was ‘terribly and terrifyingly normal’, schreef ze en vervolgde met een door haarzelf gecursiveerde zin: ‘Het was in zekere zin pure gedachteloosheid die hem ervoor predisponeerde een van de grootste misdadigers van zijn tijd te worden.’

In een nieuwe, op fascinerend materiaal gebaseerde studie maakt de Duitse filosofe en historica Bettina Stangneth, bekend door een studie over het antisemitisme bij Kant, korte metten met deze denkbeelden. Ze is niet de eerste die dit doet, onder anderen de Engelse historicus en Eichmann-biograaf David Cesarani ging haar voor. Maar Stangneth gaat verder en is overtuigender, vind ik, omdat ze gebruik maakt van tot nu toe zo goed als onbekend en in ieder geval ongebruikt materiaal. Dat materiaal is afkomstig uit de Argentijnse periode van Eichmann en bestaat, naast de al bekende bandopnamen met de Nederlander Willem Sassen, uit aantekeningen en manuscripten van Eichmann zelf. Hieruit komt een geheel andere persoon te voorschijn dan bekend uit de verhalen van Arendt en anderen: geen sukkel, verre van maar juist een uiterst ijdele, berekenende, ambitieuze en onvermurwbare nazi die zijn denkbeelden geen moment opgaf maar op het goede moment in staat was de onnozelaar te spelen en daarmee de halve wereld een loer draaide. Een van de meer overtuigende documenten wat dit betreft is een manuscript van iets meer dan honderd pagina’s dat Eichmann van de titel Die anderen sprachen, jetzt will ich sprechen voorzag. Deze tekst is welhaast zeker geschreven in 1955-1956, op een moment dus dat het gezin zich al herenigd had en Eichmann op een kilometer of 25 van Buenos Aires een konijnenfarm beheerde. Dit betekende dat hij door de week alleen was, ‘op de ranch’ zoals hij schrijft, en tijd genoeg had om een balans op te maken. Met deze balans had Eichmann ook een praktisch doel. Hij wilde terug naar Europa en veronderstelde dat hij er met een relatief lichte straf van af zou komen. Dat was niet eens zo’n dwaze gedachte. In het West-Duitsland van de Koude Oorlog liepen wel meer oorlogsmisdadigers vrij rond. Maar Eichmann rekende buiten zijn faam, was te ijdel om in eigen kring (en geschriften) zijn rol als klein voor te doen én begreep niet dat velen graag ten koste van hem het eigen hachje wilden redden. Vandaar dat hij met zijn, deels ook tijdens het Jeruzalem-proces al bekende, geschriften in zijn eigen val trapte. Hij schreef en schreef, sprak en sprak om te bewijzen dat zijn rol niet meer dan een rolletje was geweest maar gaf ondertussen zoveel informatie dat de conclusie wel een andere moest zijn. Hier komt bij dat Eichmann zich in het Argentinië van Perón, te midden van de alte Kameraden, veilig waande en een nogal naïef beeld van de toenmalige Duitse politiek had. Vandaar dat hij zich voornam een Open brief aan Adenauer te schrijven – een soort samenvatting van zijn herinneringen – met het doel de schuldvraag van hemzelf en het Duitse volk eens en voor altijd uit de wereld te helpen. Eenmaal zo ver meende hij, idioot maar waar, dat het mogelijk moest zijn in gematigde vorm door te gaan op de onder Hitler ingezette weg.

Bij begrip van zoveel waanzin komt Stangneths kennis van de Duitse filosofie, in het bijzonder Kant, goed van pas. Er is altijd lacherig gedaan over Eichmanns opmerking tijdens het proces dat hij geprobeerd had te handelen naar Kants categorisch imperatief. Ten onrechte, beweert Stangneth. Hij meende dat niet alleen, hij gaf aan dat imperatief ook een duidelijke en veelzeggende invulling. Gezegd in één, door hemzelf in Argentijnse vrijheid geschreven zin: ‘De drang tot zelfbehoud is sterker dan welke zogenaamde zedelijke eis ook.’ Aldus dacht Eichmann ook na de oorlog nog en rechtvaardigt hij de misdaad waarvan hij tijdens zijn proces beweerde niet meer dan een instrument te zijn geweest. Dat was hij dus niet, zegt Stangneth, net zo min als het juist is te denken dat hij slechts in opdracht handelde. Hij handelde ook uit overtuiging, zijn eigen geschriften bewijzen het.

Was Eichmann dan niet de sukkel die uit het proces te voorschijn komt? Hadden de aanklagers destijds gelijk en Arendt, Mulisch, Herzberg en tal van anderen ongelijk? Ik denk dat het niet langer te ontkennen valt, al blijft natuurlijk staan dat Eichmann niet meer dan een radertje in een systeem was. Maar hij was geen willoos radertje, hij was geen instrument, hij was niet gedachteloos (Herzberg), terrifyingly normal (Arendt) of een lege huls (Mulisch). ‘De Argentijnse documenten vormen de blik achter de spiegel’, schrijft Stangneth op een van de laatste pagina’s van haar vuistdikke (704 bladzijden) boek. Zo is het. Het is een blik in een afgrond.