De strijd tussen onbemande en bemande ruimtevluchten

Blik op oneindig

André Kuipers keert terug op aarde. Maar de Hubble Telescoop, troetelkind van kosmologen, dreigt te worden geofferd aan de plannen van Bush om astronauten naar Mars te sturen.

Op 16 januari dit jaar kwam de hoogste Nasa-baas, Sean O’Keefe met een bericht dat de liefhebbers van de Hubble Space Telescope diep frustreerde. Hij had op dracht gegeven de onderhoudsvluchten met Space Shuttles, waarvan de Hubble afhankelijk was, te staken. Sinds de ramp met het ruimteveer Columbia op 1 februari 2003, waarbij zeven astronauten omkwamen, waren de veiligheidsvoorschriften zo aangescherpt dat de resterende drie Shuttles tot voorjaar 2005 in hun hangars moesten blijven. Binnen twee of drie jaar, misschien eerder, zou de verwaarloosde Hubble daarom de geest geven en later gecontroleerd in zee worden gedumpt. Het was het doodvonnis van wat «het succesvolste apparaat sinds Galileo’s telescoop» is genoemd.

Critici van de Nasa legden onmiddellijk een verband met de New Vision for the Exploration of Space die Bush twee dagen eerder op het Nasa-hoofdkwartier in Washington had geopenbaard: de onbemande Hubble was geofferd op het altaar van de bemande ruimtevaart. Bush kondigde aan dat de mens zou terugkeren naar de maan om die te koloniseren. Van daaruit zouden vervolgens bemande missies naar Mars worden gestuurd «en naar werelden daar voorbij». «De laatste dertig jaar», zei Bush, die weer eens bewees dat hij lepe tekstschrijvers heeft, «reisde geen mens verder de ruimte in dan 386 mijl, ruwweg de afstand van Washington naar Boston.» Dit kosmische visioen hoefde niet eens veel te kosten: twaalf miljard dollar de komende vijf jaar, waarvan de Nasa elf miljard zou finan cieren door hier en daar wat te bezuinigen.

Bush’ rekensom was niet geloofwaar dig. De Space Shuttles, die het vrachttransport door de ruimte goedkoop hadden moeten maken, waren bij nader inzien peperduur gebleken: tienduizend dollar per pond om satellieten de ruimte in te brengen, tegen drieduizend bij onbemande lanceringen, berekende fysicus Steven Weinberg. Maar wat de Hubble- liefhebbers het meest ergerde was dat de people’s telescope moest wijken voor pe perdure reizen naar de maan (waar we al geweest waren) en Mars (wat moesten we daar in vredesnaam doen?).

De Hubble kon een voetbal fotograferen op vijftienhonderd kilometer afstand. Hij maakte het mogelijk de leeftijd van het heelal te schatten op 13,7 miljard jaar en hij speelde een vitale rol bij de ontdekking dat de expansie van het heelal versneld plaatsvond, aangedreven door een mysterieuze afstotende kracht, de dark energy. Hij fotografeerde het heelal zoals het er vier- tot zevenhonderd miljoen jaar na de Oerknal uitzag. De Hubble gaf veel voor weinig geld. Tijdens de Apollo-era was voor 25 miljard dollar 380 kilo maanpuin opgehaald, terwijl de Hubble slechts twee miljard had gekost, niet meer dan enkele dagen oorlogvoeren in Irak.

Steven Beckwith, directeur van het Space Telescope Science Institute in Baltimore, Maryland, de thuisbasis van de Hubble, lacht als we hem naar O’Keefes timing vragen: «Twee dagen tijdsverschil, het is inderdaad moeilijk om daar geen verband te zien.» Maar Beck with is ook een diplomaat die heel goed weet dat O’Keefe «een weinig benijdenswaardige baan» heeft: «We moeten genereus zijn. Hij heeft zijn besluit gebaseerd op de informatie die hij had. Als hij betere informatie heeft, verandert zijn mening misschien.» Bush’ New Vision wil hij niet bekritiseren: «Je kunt alleen plannen beoordelen, en er is nog geen plan», maar het einde van de Hubble, zegt hij, «steekt een stok in de ogen van de kosmologie.»

Meteen na O’Keefes jobstijding kwamen hulpacties op gang. Er werden petities ingediend bij de Senaat en het Huis. De druk op O’Keefe en zijn mailbox werd zo groot dat hij zich geroepen voelde om half maart in een editorial in The New York Times verantwoording af te leggen.

De Hubble-kwestie is een prachtig voorbeeld van het taaie duel tussen onderbuik en wetenschap, en stelt tegelijkertijd de raison d’être aan de orde van de bemande ruimtevaart (hierna «ruimtevaart» te noemen). Twijfelen aan het nut van ruimtevaart is niet nieuw, al zou je dat bijna vergeten als je André Kuipers met zijn raketsla in de weer ziet. «De ruimtevaart is altijd verkocht onder de vlag van de wetenschap», zegt wetenschapsjournalist Govert Schilling: «Dat is misleidend. Er is geen onderzoek dat je onbemand niet goedkoper zou kunnen verrichten. Ik wil geen antivooruitgangsdenker lijken, en ooit zullen de mensen wel op Mars rondlopen, maar het is nu niet haalbaar of te verantwoorden.»

«Je kunt de ruimtevaart niet rechtvaardigen met de noemer ‹wetenschap›», zegt ook Vincent Icke, hoogleraar sterrenkunde aan de Universiteit Leiden. «Ik heb de lijst met proeven gezien die Kuipers ging doen. Er zit er niet één bij die kan bijdragen aan de grote onderzoeksvragen. Biologen liggen niet meer wakker van het groeiproces van sla in de ruimte. De hamvraag in de biologie is momenteel de genetische expressie. De mens heeft in de ruimte niets te zoeken.»

Astronauten moeten namelijk eten, drinken en zich ontlasten en ze willen ook nog veilig terugkeren. Daarmee jagen ze ieder bemand project op kosten. De meeste experimenten hebben betrekking op het lichaam van de astronauten zelf. Die hoef je niet uit te voeren als je toch al niet van plan bent mensen de ruimte in te sturen. «Je hoeft geen kosmoloog te zijn», schrijft wetenschaps popularisator Timothy Ferris in The New York Review of Books, «om onderzoek naar het lot van het universum belangrijker te vinden dan het meten van beenmergvariaties in astronauten op ruimtestations.»

Meer dan eens offerde de Nasa nuttig wetenschappelijk onderzoek ten faveure van dure bemande projecten. De ruimtevaart wordt vaak verdedigd met een verwijzing naar de technologische en wetenschappelijke spin-off. Maar dat argument deugt volgens Schilling niet: «Ieder groot project heeft spin-off. Dat is onvermijdelijk.» Ruimtevaart zou de inventiviteit stimuleren, maar met doelgerichte investeringen waren vermoedelijk dezelfde resultaten geboekt, tegen een fractie van de kosten. Je kunt tegenwerpen dat je niet met een hypothese de feitelijke resultaten van de bemande ruimtevaart kunt weerleggen, maar de onvermijdelijkheid waar Schilling over sprak blijft zwaar op de maag liggen.

Daar komt bij dat, zoals Icke opmerkt, vrijwel alle nuttige resultaten van het ruimteonderzoek voor rekening kwamen van kleine en relatief goedkope onbemande sondes. De Hubble overleefde tot nu toe ogenschijnlijk dankzij menselijk ingrijpen, maar die indruk is onjuist. De mensheid had volgens berekeningen voor die twee miljard nog zes Hubbles met onbemande raketten kunnen afvuren. Schilling: «Bovendien is de Hubble expres in een te lage koers gezet om de Shuttles nuttig te laten lijken. Dat was een politiek motief.»

Een andere populaire verdediging is die van de «educatieve uitstraling». Maar astronauten zijn daarvoor waarschijnlijk niet nodig. De Hubble-foto’s waren volgens Icke zo indrukwekkend dat ze zelfs «de beeldtaal van advertenties in de media hebben beïnvloed. De Hubble betekende een enorme stimulans voor de exacte studies.»

Vermoedelijk valt de ruimtevaart alleen te verdedigen als je het koloniseren van Mars en «worlds beyond» serieus zou nemen. Maar «als ik het kolonisatieargument voorleg aan biologen», zegt Icke, «dan komen ze het eerste half uur niet meer bij. Je hebt een heel grote groep mensen nodig voor een acceptabele sociale diversiteit, anders is het leven onleefbaar.»

Het heelal houdt echter niet van mensen. Het is vrijwel overal ijzig koud (minus 270 Celsius) en vermoedelijk zou alleen een heel ander type zoogdier de tergende onherbergzaamheid en verlatenheid van die verre werelden kunnen verdragen. Onze sprongen naar de maan — 380.000 kilometer — stellen niets voor vergeleken met de 78 miljoen kilometer die ons van de minst ongastvrije planeet Mars scheiden. Over Jupiter en Saturnus, de worlds beyond, kunnen we beter zwijgen. Op zoek naar vriendelijke planeten zouden we naar andere sterren moeten reizen, maar zelfs de dichtstbijzijnde bevinden zich al veertig biljoen kilometer verderop.

Als «geldige» motieven voor de ruimtevaart blijven dus de irrationele over: prestige, heldendom en zucht naar avontuur. «Het is natuurlijk niet erg», zegt Govert Schilling, «als een democratische samenleving honderden miljarden wil uitgegeven aan brood en spelen, maar dat moet niet onder valse voorwendsels gebeuren.»

De ruimtevaart begon als een onderdeel van de Koude Oorlog. Enkele weken nadat Joeri Gagarin op 12 april 1961 uit zijn Spoetnik was gekropen, richtte president John F. Kennedy zich tot de gefrustreerde natie. Hij plaatste de reis naar de maan «before the decade is out» in het kader van «de strijd tussen vrijheid en tirannie die nu gaande is». De rest van de wereld zou de ontwikkelingen in de ruimte gebruiken om te bepalen «welke route zou worden gekozen». Die combinatie van nationale eerzucht en manifest destiny dreef de Amerikanen weer eens naar de grenzen van hun technologisch kunnen. Neil Armstrong noemde, nadat hij de interne strijd om die prestigieuze eerste stap op de maan van Edwin Aldrin had gewonnen, de mensheid als grootste belanghebbende.

Dit heldendom heeft altijd grote aantrekkingskracht gehad. De eerste generatie Russische en Amerikaanse ruimtevaarders waren helden van hun tijd, hoe weerloos ze ook rondzweefden in capsules die zo krap waren dat ze geen potje hadden kunnen schaken. Maar de charme verbleekte snel, net als die van de maanlandingen zelf. Toen Eugene Cernan, de laatste man op de maan, in 1972 naar huis terugkeerde, werden er geen ticker-tape parades meer georganiseerd.

Alleen landen met minder ervaring in de ruimte vertonen nog het Amerikaanse enthousiasme van weleer. Zoals Nederland nu van André Kuipers houdt, zo houdt India van Kalpana Chawla, een Amerikaanse astronaute van Indiase afkomst en een van de zeven slachtoffers in de Columbia. De eerste Chinese kosmonaut, Yang Li-wei, was vorig jaar na zijn terugkeer op aarde zelfs een nationale held van gagarineske allure. Toen hij opmerkte dat hij vanuit het heelal «onze Grote Muur niet had gezien», leidde dat dan ook tot nationale ontsteltenis. Was de Chinese Muur dan niet, zoals de legende wilde, samen met de Nederlandse polders het enige menselijke bouwwerk dat vanuit de ruimte zichtbaar was? En had de Amerikaanse astronaut Eugene Cernan niet zelf gezegd dat hij de stenen draak wel degelijk vanuit de ruimte had waargenomen? Had Yang Li-wei zich misschien vergist?

Wellicht is de bemande ruimtevaart inderdaad niet meer dan een glinsterende illusie en draagt ze in de eerste plaats bij aan de psychische speelruimte van de soort. Sciencefiction schrijver Rad Bradbury formuleerde het op mythisch-metafysische manier: «Het is niet alleen noodzakelijk om mensen naar Mars te sturen, maar ook om het menselijk ras de ruimte in te katapulteren. We kunnen hier niet gewoon een beetje onze dingetjes doen. Als we hier blijven, blijven we hier voor altijd en zal de aarde uiteindelijk een mausoleum worden.»