Edwin Williamson, Borges: Een leven

Blind en onzichtbaar

Edwin Williamson

Borges: A Life

Penguin, 574 blz., e 18,95

Borges: Een leven

Uit het Engels vertaald door Barber van de Pol De Bezige Bij, 668 blz., e 49,90

Medium alle 20mensen 20d d corr 1

De Argentijnse schrijver Jorge Luis Borges (1899-1986) is van jongs af een boekenman geweest, die het liefst in de bibliotheek van zijn vader doorbracht. En hij was een meester op de korte baan.

Een essay als Immortality voelt als één groot delirium, waarin de grens tussen droom en werkelijkheid constant vervaagt. Een naargeestige sprookjeswereld met troglodieten, modderwezens, die zich hebben teruggetrokken in holen en spelonken. In Immortality wordt de speurtocht van de Romeinse tribuun Marcus Flaminius Rufus naar de geheime stad der Onsterfelijken gevolgd. Het paleis dat hij er aantreft moet door goden gebouwd zijn, maar die zijn dood. Die goden waren krankzinnig. In dit duizelingwekkende universum hebben de onsterfelijke troglodieten gevoel noch geheugen. Slapen ze of zijn ze dood? Alleen de regen en heftige pijn geven de hoofdpersoon, die plotseling uit meer dan één persoon bestaat, heel even het gevoel dat hij bestaat. Literaire thema’s en personages buitelen over elkaar heen, van de Wandelende Jood tot de oude hond van Odysseus.

Want Borges’ werk bestaat uit puzzels, paradoxen en raadsels waar je een speciaal Borges-woordenboek voor nodig hebt om te begrijpen waar het over gaat. Op de achtergrond fluisteren bijna voortdurend de stemmen van de groten uit de wereldliteratuur. Een van Borges’ helden is de blinde dichter Homerus. Niet vreemd als we bedenken dat zowel Borges als zijn vader, beiden schrijver, problemen had met het gezichtsvermogen. Na de dood van zijn vader in 1938 gingen Borges’ ogen achteruit, in 1958 werd hij toenemend blind.

Liefhebbers van zijn werk zullen niet meteen staan te trappelen om de zoveelste nieuwe biografie – er waren er al zeker twaalf – te lezen. Die hebben aan zijn gedichten, essays, ficciones en parabels genoeg. Toch is het leven van Borges dramatisch genoeg om er opnieuw een biografie aan te wijden. Het wordt alleen problematisch als de biograaf het werk van de schrijver wil verklaren uit zijn leven. Dat geldt bij uitstek voor een auteur als Borges die er bijna een sport van heeft gemaakt om zich in zijn werk onzichtbaar te maken.

De Oxford-professor Edwin Williamson – die geldt als een van de grootste kenners van het werk van Cervantes en veel over Latijns-Amerikaanse literatuur en geschiedenis publiceerde, zoals The Penguin History of Latin America – beschrijft Borges’ leven als een spannende roman. Maar te vaak kan hij het hineininterpretieren en psychologiseren niet laten, tot het storend en soms zelfs belachelijk wordt. Bovendien wil hij zijn biografie net iets te mooi maken met zinnen als: «Borges, de ‹wever van dromen›, was in Genève teruggekomen om in de schoot van de tijd terug te gaan en nieuw leven te blazen in alle dromen die hij gehad mocht hebben, voordat hij door de poort van de dood verdween in wat daar maar achter lag – het niets misschien, of God, of een of andere bestaansdimensie in het zich ontvouwende ontwerp van de kosmos.»

Williamson is het meest op dreef als hij Borges plaatst in de context van de geschiedenis van Argentinië en diens grootouders. Borges’ grootmoeder van moederskant, Fanny Haslam, was Engels, wat zijn tweetaligheid verklaart. Beide grootvaders stonden aan de bakermat van de onafhankelijkheid van Argentinië.

Medium mannetjes 20boekhoofden

Jorge Luis Borges – «Georgie», Williamson noemt zijn vader consequent «dr. Borges» – werd op 24 augustus 1899 in Buenos Aires geboren. Hij groeide op met zijn jongere zus Norah. De grootvader van zijn moeder, Leonor Acevedo, was Isidoro Suarez, die tegen de Argentijnse tiran Rosas in opstand kwam. Borges’ grootvader van vaderszijde was kolonel Francisco Borges, die met de Engelse Fanny Haslam trouwde. De kolonel liet op een weinig heldhaftige manier het leven. Maar dat werd door zijn weduwe omgevormd tot een ware mythe, waarin de kolonel wel degelijk een held was. Vader op zijn beurt, advocaat en behept met een anarchistische inslag, stimuleerde Georgie boeken te lezen. Enerzijds in de hoop dat de jongen een groot schrijver zou worden, anderzijds omdat hij van zijn stotterende en door nachtmerries geplaagde zoon een kerel wilde maken. Zo gaf dr. Borges Georgie een dolk om zich teweer te stellen tegen de boze buitenwereld. Toen de knaap op zijn negentiende nog steeds niet met een vrouw geslapen had, regelde zijn vader een prostituee voor hem, vermoedelijk een vroegere maîtresse. Volgens Williamson leverde dat een traumatische ervaring op die Borges voortdurend achtervolgde. Al vroeg had hij het idee een waardeloos iemand te zijn die niets verdient. Volgens Williamson dacht Borges almaar dat hij het falen van zijn vader moest compenseren en het aanzien en de eer van de familie moest zien te herstellen.

Uiteindelijk is dat ook wel gelukt, toen Borges op 61-jarige leeftijd samen met Samuel Beckett op Mallorca de prestigieuze Formentor Prijs kreeg. Daarna reisde hij de wereld rond om lezingen te geven en zich te laten fêteren. In 1976 leek het erop dat hij de Nobelprijs zou krijgen, maar dat ging niet door wegens politiek gevoelige kwesties. Hij steunde het bewind van Videla en in 1976 bezocht hij Chili op uitnodiging van Pinochet.

Als kleine jongen was Borges niet weg te slaan bij de Bengaalse tijger in de dierentuin. Alleen door zijn boeken af te pakken kreeg zijn moeder hem mee naar huis. Behalve de fascinatie voor tijgers ontwikkelde Borges van jongs af aan een angst voor spiegels. Existentiële angsten alom. Aan de Britse empiristen Berkeley («The proper object of vision is the universal nature of language») en Hume ontleende hij de gedachte dat alle kennis en ervaring subjectief is. En aan Nietzsche en Schopenhauer zijn gevoel voor de broosheid van de persoonlijke identiteit, die net zo goed een product van zelfbevestiging kon zijn als een ordinaire gril van een of ander kosmisch opperwezen.

Williamson heeft zich vastgebeten in het liefdesleven van Borges. Inderdaad kruisten diverse vrouwen zijn pad, maar in de liefde had Borges niet echt geluk. De relatie met Estela Canto mislukte toen zij door kreeg dat hij nog zo aan zijn moeder hing.

Helaas worden veel beweringen onvoldoende onderbouwd of uitgezocht. Zo blijft de precieze aard van Borges’ blindheid duister. Maar Borges zat inderdaad tot op hoge leeftijd onder de plak van zijn moeder, die pas stierf op 99-jarige leeftijd, toen hijzelf al 75 was.

Borges, die veelal somber was met depressies en die twee keer een zelfmoordpoging deed, werd na zijn moeders dood zowaar nog gelukkig, door de liefde van de ruim veertig jaar jongere half-Japanse María Kodama. Zeven weken voor zijn dood trouwden ze, in Genève, waar hij tijdens de Eerste Wereldoorlog met zijn familie had verbleven. Williamson ziet de terugkeer naar Genève als Borges’ ultieme verzoening met zijn lang geleden gestorven vader. Bewust stierf Borges – op 14 juni 1986 – in Zwitserland en niet in Argentinië, als een laatste teken van kritiek op dat land.

De laatste dagen voor zijn dood piekerde Borges over de kwestie van de persoonlijke redding. Hij bleef María Kodama maar vragen of ze geloofde dat iemand helemaal dood gaat en of reïncarnatie niet logischer is. Twee geestelijken bezochten hem op zijn sterfbed, een rooms-katholieke en een protestantse. Hij kwam op dezelfde begraafplaats te liggen als waar Calvijn ooit ter aarde was besteld.

Williamsons biografie is geen onverdienstelijk boek. Maar de liefhebber heeft genoeg aan het werk van Borges, aan diens labyrint vol geheimen en raadsels.