Blinde angst

Ze zijn zielig. Maar dan moeten ze zich daar wel naar gedragen. En ze zijn griezelig. Dus blijven we liever uit hun buurt. Blinden hebben het niet makkelijk inde ziende wereld. Dat ondervond ookMichiel Louter: ‘Dankbaar gebruik ik mijn stok om op de auto’s in te hakken.’
Dialoog in het donker bevindt zich deze week achter het Centraal Station in Amsterdam. Tot juni 1997 vaart de manifestatie langs diverse steden in het hele land. Informatie: 06-53369199.
HET IS NACHT, stikdonkere nacht. Ik weet niet waar ik ben. Ik zie niets. Zelfs niet mijn handen die ik tegen mijn oogbollen druk. Wel hoor ik een gezoem dat aanzwelt tot het onheilspellende geraas van een laag overkomend vliegtuig. Het begint te waaien. In de verte blaft een hond.

Vertwijfeld herhaal ik voor mezelf dat ik in het scheepsruim van een geblindeerde rijnaak sta, het van buitenaf zo overzichtelijk lijkende toneel van de manifestatie Dialoog in het donker. Maar het helpt niet. Ik hoor water stromen. Overal lijkt zich een afgrond te kunnen openen. Ik ben bang voor afgronden. Zwakjes zwaai ik met mijn blindenstok om me heen.
De rijnaak Augusta is het resultaat van een auto-ongeluk waarbij een vriend van de Duitse journalist Andreas Heinecke in 1989 het gezichtsvermogen verloor. Heinecke trachtte zich in te leven in de belevingswereld van zijn vriend en merkte dat het vertrouwen op visualiteit en het daarmee samenhangende gevoel van veiligheid in het donker opeens een ernstige knauw krijgt. Het bracht hem op het idee een happening op te zetten waarin zienden in een volledig verduisterde wereld door blinden worden rondgeleid.
In Nederland wonen ongeveer 16.000 blinden en 158.000 mensen die zo goed als blind zijn. Het grootste deel daarvan is op latere leeftijd blind geworden. Blindheid staat bekend als handicap die moeilijk te accepteren is. De groep die pas sinds een paar jaar blind is, kampt doorgaans met hardnekkige ontkenningsverschijnselen en loopt liever overal tegenop dan een blindenstok te gebruiken. Na deze periode van shock en depressie volgt een moeizaam proces van aanpassing.
‘VOEL EENS met je stok op de grond’, zegt de geruststellende stem van Ton, de blinde gids. Op de grond knispert iets. Ik buk en voel houtsnippers. Ton laat mijn hand verder tasten naar natte aarde, boomstammen en een klaterend fonteintje. We staan in een parkje. Met mijn stok de grond beprikkend schuifel ik verder. Na een glibberig bruggetje en een zandvlakte loop ik tegen een marktstalletje aan dat vol ligt met ronde vormen die naar aardappels, grapefruits en uien ruiken. Ik realiseer me dat ik hier zonder Ton met geen mogelijkheid meer wegkom. Hij heeft de macht. 'Het omdraaien van het afhankelijkheidspatroon’, noemt hij dat.
Terwijl auto’s continu lijken op te trekken en af te remmen, volg ik Ton over een ratelend zebrapad. Aan de overkant wacht een verzameling vreemde obstakels. Het blijken bij nadere inspectie auto’s, parkeermeters en kinderfietsjes te zijn. Haast struikel ik over een voor stadskleuters ontworpen wipeend. Bij een stukje kippegaas blijkt waar het hondegeblaf dat ik net hoorde, vandaan kwam. Het beest vliegt me opeens aan. Van Ton mag ik best meppen. Dankbaar gebruik ik mijn stok om op de auto’s en het straatmeubilair in te hakken. Ik voel eindelijk weer dat ik leef.
'De wereld wordt bewoond door de wezens aan wie hij toebehoort, de zienden. De wereld die rest, is je eigen lijf en hetzelfbeschouwende bewustzijn.’ Dit schrijft de Australiër John Hull in zijn in 1990 verschenen, baanbrekende boek over blindheid Touching the Rock. Hull rekende hiermee af met de wagonlading door blinden geschreven feel good-boeken, die altijd hetzelfde heroïsche verhaal van crisis, acceptatie en triomf vertelden.
Hulls verhaal bestaat uit een aaneenschakeling van tenenkrommende anekdoten en cynische commentaren op zijn blindheid, die hem voor zowel zichzelf als de buitenwereld reduceert tot 'de toestand van een kleuter die niet weet hoe met de wereld om te gaan, hoe er deel van uit te maken en hoe die te beheersen’. In plaats van de geneugten van braille beschrijft Hull de depressies waarin hij belandt doordat hij zijn kinderen niet kan zien, verhaalt hij over de wrede grappen die mensen op straat met hem uithalen, beklaagt hij zich erover dat zienden zelden uit zichzelf een gesprek met hem aanknopen en vertelt hij hoe serveersters steevast aan zijn vrouw vragen of hij koffie of liever een glas chocomel lust.
De grootste tragiek van blindheid is voor Hull dat alle beelden langzaam maar zeker uit het hoofd verdwijnen. Na op zijn veertigste blind te zijn geworden, vergat Hull binnen een paar jaar hoe zijn familie, zijn huis en uiteindelijk zelfs cijfers er uitzien. 'Blindheid is als een gigantische stofzuiger die op je leven neerkomt, en bijna alles wegzuigt. Je herinneringen, je interesses, je voorstelling van tijd en hoe je die wilt gebruiken, de plaats zelf, zelfs de wereld, alles wordt weggezogen. Je bewustzijn raakt leeg.’
Bij blinden wordt het visuele en ruimtelijke besef vervangen door een merkwaardige relatie tot de tijd; iets dat Hull 'blinde tijd’ noemt. 'Bij blinden is het besef op een bepaalde plaats te zijn minder uitgesproken… Ruimte wordt gereduceerd tot je eigen lichaam, je weet waar je lichaam zich bevindt, niet door de objecten die je gepasseerd bent, maar door de tijd die de verplaatsing in beslag neemt.’ Dit leidt volgens Hull onvermijdelijk tot een verstoorde relatie met de zienden. 'Mensen zijn in beweging, ze zijn tijdelijk, ze komen en ze gaan. Ze komen uit het niets, en ze verdwijnen… Voor de blinde zijn er geen mensen, tenzij ze spreken.’
Tegelijkertijd zijn er voor de zienden ook geen blinden, behalve als die zich met een stok of een geleidehond kenbaar maken. En dan worden ze meestal niet begrepen. Volgens Hull omdat het verdwijnen van visualiteit een haast niet te bevatten idee is: 'Het gebeurt heel vaak dat mensen mij leiden door mijn stok uit de hand te grissen, er iets mee aan te wijzen, erop te tikken en te zeggen: “Daar.”’
Een tweede probleem uit de ziende wereld waarmee alle blinden te maken hebben, is de angst die er voor hen leeft. Angst die blijkt uit het op straat doorlopen als een blinde om de weg vraagt, angst die wordt verdrongen door blinden te overstelpen met overdreven veel aandacht, angst die wordt verhuld door blinden belachelijk te maken of uit te schelden.
DE ANGST voor blinden is zo oud als de mensheid. In het oude Israel, waar ze bekend stonden als 'levende doden’, dacht men dat blindheid een besmettelijke ziekte was die door aanraking veroorzaakt kon worden. Weinig verwonderlijk leidden ze een erbarmelijk bestaan als bedelaars die af en toe vanaf grote afstand een aalmoes kregen toegeworpen.
In Europa verdronken de Germanen hun blindgeborenen liever meteen. De Spartanen smeten ze van een rots af. In andere Griekse stadstaten wisten blinden uit de hogere klassen het een enkele keer tot wetenschapper of profeet te schoppen. De rest leidde een bedelend bestaan. In Rome werden blinde jongens verkocht als galeislaaf. Veel meisjes werden verhuurd als prostituée. In de middeleeuwen trokken veel blinden mee met benden het platteland afschuimende outcasts, om uiteindelijk ergens aan een galg te eindigen.
De grote uitzondering vormt de Arabische wereld. Hier worden blinden van oudsher in speciale scholen getraind in het uit het hoofd leren van de koran.
Pas na de Verlichting, toen denkers als Voltaire en Diderot zich gingen interesseren voor de filosofische implicaties van blindheid, begon de positie van de gemiddelde blinde langzaam aan te verbeteren. Diderot betoogde in 1749 in zijn Brief over blinden dat blinden in staat zijn om op hun eigen wijze een complete en adequate wereld te creëren. Aangezien zij in deze 'blindenidentiteit’ geen gevoelens van invaliditeit of ontoereikendheid hoeven te hebben, is het 'probleem’ van hun blindheid vooral een probleem van de ziende mens.
Dit soort verlichte ideeën leidden aan het einde van de achttiende eeuw tot het oprichten van de eerste blindenscholen, waarin het vinden van een eigen identiteit en een daaruit voorvloeiende levensvervulling centraal stond. De vooroordelen zijn vandaag de dag echter nog lang niet weggenomen. Hoewel er in Nederland inmiddels blinden werken als rechter, professor en cabaretier, is het meer algemene beeld dat van een grote werkloosheid. Uit enquêtes blijkt dat de huiver van werkgevers om een blinde aan te nemen, voor een groot deel wordt bepaald door de nog steeds volop bloeiende ideeën over blinden als zijnde zielig, onhandig en zwakhoofdig.
NAAR DE OORZAKEN hiervan is nauwelijks wetenschappelijk onderzoek gedaan. Een van de weinigen die er iets over te melden heeft, is Donald Kirtley, de blinde auteur van het standaardwerk The Psychology of Blindness (1975). In dit boek betoogt hij dat in de omgang met blinden angst de toon zet.
Kirtley gelooft dat blindheid sinds antieke tijden vrij algemeen wordt gezien als een goddelijke straf voor zonden van overwegend seksuele aard, die in het geval van blindgeborenen begaan moet zijn door een van de ouders. Dit beeld is verwerkt in de twee archetypische rollen die volgens Kirtley aan blinden worden toegekend: de geperverteerde en de profeet.
De belangrijkste vertegenwoordiger van de eerste is natuurlijk Oidipous, de koningszoon die zichzelf de ogen uitsteekt na met zijn moeder te hebben geslapen. Tot in de late middeleeuwen werden incestplegers en verkrachters vaak bestraft met het uitsteken van de ogen, vertelt Kirtley, waarbij de rechters argumenteerden dat met het verdwijnen van visuele prikkels de seksuele prikkel eveneens uitdooft.
Het andere archetypische beeld verenigt wijsheid, spiritualiteit en paranormale begaafdheid in zich: de blinde als halve heilige. Volgens Kirtley werd dit gezien als een compensatie van de goddelijke straf: doordat de zondaar niet meer kan zien, kan hij ook niet meer begeren en heeft hij dus geen andere keuze dan de ultieme deugdzaamheid. De blinde psycholoog wijst ook op de judeo-christelijke doctrine die leert dat het lijdzaam ondergaan van door zondigheid ontstane ellende automatisch leidt tot heiligheid.
Volgens Kirtley tonen deze archetypen twee zijden van dezelfde medaille: castratieangst. Hij plaatst deze angst vervolgens in het samenlevingsmodel van de freudianen Chevigny en Braverman, volgens wie de wereld doordrenkt is van de relatie tussen visualiteit en (mannelijke) seksualiteit. Dit zou onder meer blijken uit de popularititeit van pornografie, miss-verkiezingen, borstimplantaties en gezegden als 'Hij kleedde haar uit met zijn ogen’ en 'Ze smolt onder zijn blik’.
Kirtley verklaart hiermee de vijandige reacties op blinden. Zienden identificeren seksualiteit en visualiteit zozeer met elkaar, dat alleen al het idee niet meer te kunnen zien zorgt voor acute castratieangst. Deze angst roept agressie op die wordt uitgeleefd door zich te wreken op de oorzaak ervan: de blinden. De reactie van mensen die hun onlustgevoelens beter onder controle hebben is milder, maar in essentie hetzelfde: zij gaan gewoon alles wat met blinden of blindheid te maken heeft uit de weg.
Ook het adoreren van blinden als halve heiligen komt voort uit castratieangst. De vage afkeer die de gemiddelde mens volgens Kirtley ten opzichte van blinden voelt, leidt in meer gevoelige naturen tot een schuldgevoel dat wordt gereduceerd door het ontwikkelen van medelijden. Uit dit medelijden groeit weer de wens om de blinde voor zijn leed te compenseren door hem allerlei verheven karaktertrekken toe te dichten. Volgens Kirtley komt dit mechanisme vaak aan het licht wanneer blinden weinig waardering voor deze verheerlijking blijken te hebben of hen aangeboden hulp weigeren. Daar wordt door de zienden vaak een excuus in gezien om de blinde nooit meer te hoeven ontmoeten.
Blindheid is een scherm tussen de visuele en de niet-visuele wereld dat alleen kan worden opgelicht door open te zijn over de implicaties van blindheid voor zowel de blinde als de ziende wereld. Het probleem is dat de twee werelden zo weinig van elkaar weten.
De vraag is hoe interessant interactie is als alle visuele communicatielijnen zijn doorgesneden. In de woorden van John Hull: 'Bijna altijd ben ik mij ervan bewust als ik glimlach. Ik voel dat ik mijn spieren aanspan; niet dat mijn lachen geforceerd is, alsof ik het niet meen, maar het is een min of meer bewuste poging geworden. Hoe komt dat? Ik denk omdat er geen bekrachtiging is. Er komt geen glimlach terug.’