Blinde mollen

IN ZIJN ESSAY De droom van de poëzie grijpt Jacques Hamelink naar het beeld van de blinde dichter Homerus die een visionair kan zijn, juist omdat hij blind is. Blindheid, zo stelt Hamelink, is voor de hedendaagse dichter niet meer van belang. Want we leven door moderne, ons inpakkende media toch niet meer in een concrete en dus zichtbare wereld. Een dichter vindt men nu interessant als hij gek of alcoholist is.

Dat twee jonge Engelse auteurs allebei voor hun roman een blinde tot hoofdpersoon kozen, is frappant. Net zo frappant als dat er in beide gevallen, conform het hoogdravende inzicht van Hamelink, inderdaad geen sprake is van een blinde ziener. Integendeel, het machteloze blind-zijn duidt bij James Kelman en Rupert Thomson op de kafkaïaanse status van ons aller leven. Blinde mollen zijn we en als opeens de aarde begint te beven, hebben we geen flauw idee van oorzaak en gevolg. Geen overzicht. Geen inzicht. Geen toezicht. En zeker geen visie.
De Schotse schrijver Kelman kreeg in 1994 de Booker Prize voor zijn oogverblindend mooie roman How late it was, how late. Daarmee verwierf hij weliswaar literair krediet, maar niet het rumoer dat Irvine Welsh in de schoot geworpen kreeg - die andere Schot met de nodige street credibility. Hoewel de roman in Engeland menige herdruk haalde, verscheen onlangs pas de Nederlandse vertaling Blind geschopt. En dat is pas het eerste boek dat van Kelman werd vertaald. Hij schreef er al tien.
Dat het, zoals in te veel gevallen, geen haastklus werd, leidde gelukkig tot een afgewogen vertaling. Vertaler Guido Golüke weet, net als met zijn recente vertaling van het zo eigen On the Road van Kerouac, werkelijk te herscheppen. Je kunt Blind geschopt lezen zonder de kriebelige indruk te krijgen een soort Engels in de verkeerde taal onder ogen te hebben.
IN HET BEGIN van Blind geschopt beschikt hoofdpersoon Sammy nog over zijn gezichtsvermogen. Hij komt bij. Kennelijk lag hij zijn roes uit te slapen in een park. Het is heel onduidelijk. Hij weet niet wat er de afgelopen dagen is gebeurd. Gedronken moet hij hebben. Maar waar? Met wie? Hij ziet dat hij niet zijn eigen, gloednieuwe, leren schoenen aan heeft, maar oude gympen. Heeft hij zijn schoenen ingeruild? Zijn ze van hem gestolen? Dit obsedeert hem en beperkt gelijk zijn blikveld. Hij komt niet verder meer dan zijn schoenen.
Ook voelt hij zich bekeken en wel op zo'n manier, dat je denkt: Niet vreemd dat zo'n man blind zal worden. ‘Ah kut. Hij schudde zijn hoofd en keek op: mensen - er waren mensen; ogen die keken. Al die kijkende ogen. Verschrikkelijk fel licht, hij moest zijn eigen ogen ervoor afschermen, alsof het goddelijke wezens waren en er een goddelijk licht van ze afstraalde of zoiets maar waarschijnlijk was het gewoon de zon hoog achter ze die over hun schouders omlaagscheen.’
En het perspectief van de criminele schlemiel Sammy wordt er gedurende de claustrofobisch voortstrompelende roman alleen maar kleiner op. Het begint ermee als Sammy niet veel later wakker wordt in een benauwde politiecel en merkt dat hij blind is. Niemand helpt hem. Ze schoppen hem het politiebureau uit en hij vindt tastend langs muren uiteindelijk de weg naar huis. Daar is zijn vriendin inmiddels verdwenen. Waarom? Geen idee. Hij kan zich daar niet mee bezig houden, ook al zou hij dat willen. Het gaat er in eerste instantie om te overleven. Slapen moet hij. En van een bezemsteel een blindenstok maken. En die daarna met witte strepen beschilderen, zodat de mensen zien dat je blind bent.
Een eindeloos geëtter. Zo vindt hij verfpotten, maar in welke zit nu de witte verf? Hij verliest zijn blindenstok weer als de politie hem opnieuw oppakt. Ze denken dat hij een geheim heeft. Iets met een vage vriend die wel eens bommen gooit. Maar hij weet van niks. Lijkt het. Misschien weet hij het wel, maar is hij het vergeten.
Hij moet naar een arts om gekeurd te worden. Maar zelfs die lijkt zich er niet echt voor te interesseren dat hij zo plotseling blind geworden is. De arts jut hem op totdat hij laaiend de praktijkruimte verlaat en zo de eerste stap naar de noodzakelijke papieren voor een uitkering misloopt.
Er zijn anderen en ze weten dingen die hij niet weet. Iemand werpt zich op als bemiddelaar. Ook is er een hulpvaardige buurman. Er zijn wat vrienden uit de kroeg. En Sammy heeft een zoon. Links en rechts laat Sammy zich tegen zijn zin in helpen. Hij moet wel. Maar het valt niet mee uit te maken wie je kunt vertrouwen. Het is zelfs niet te doen. Het wordt vast van kwaad tot erger. Hij kan maar beter helemaal alleen zijn.
Aan het einde van Blind geschopt doet Sammy heel ingewikkeld om ongezien weg te kunnen komen uit zijn omgeving. Verschillende taxi’s. Hij weet geld te ritselen. Volkomen onverwacht en volkomen onbestemd stokt het boek ergens. Maar weergaloos onderkoeld. 'De chauffeur had het portier geopend. Sammy zwaaide de tas naar binnen en stapte in, toen sloeg het portier dicht en was hij weg, uit zicht.’ Je leest dat en je denkt - zo moet een boek eindigen.
HEEL ANDERS blind is Martin, de ik-persoon in de roman The Insult van Rupert Thomson. Bij Kelman is het raadselachtig hoe zijn Sammy blind is geworden. Bij Thomson krijgen we de medische details heel precies te weten. Het kwam door een ver dwaalde kogel, die een baan bij de hersenen weggeslagen heeft. Met de ogen zelf is niks mis. Martin blijft enige tijd in een speciaal blindenziekenhuis. Daar wordt hem ook verteld dat hij kan gaan lijden aan het zogeheten Syndroom van Anton, waardoor de patiënt zich inbeeldt wel degelijk weer te kunnen zien. Als lezer weet je nu welke kant het op zal gaan. Het grote spel 'werkelijkheid of niet-werkelijkheid’ vangt aan. Thomson speelt deze kaart heel virtuoos uit. Hij laat Martin afstand nemen van het beschermende milieu waarin hij verkeert en kiest voor zo ongeveer hetzelfde soort onderwereld als waar ook Kelman over schrijft. De personages bij Thomson lijken echter door een hoger plan geleid te worden. Kelman laat je met zijn blinde Sammy mee tasten.
Je vermoedt dat Thomson je eerder een ontknoping zal schenken. Een verklaring bijvoorbeeld voor de raadselachtige verdwijning van een barmeisje waar Martin een relatie mee krijgt. Ook Sammy heeft een relatie met een barmeisje dat verdwijnt. Er is zelfs sprake van redelijk identieke scènes, wanneer zowel Kelmans Sammy als Thomsons Martin de uitsmijter van de bar zover proberen te krijgen dat ze naar binnen mogen om te kunnen achterhalen hoe dat zit met die verdwijning. Maar bij Thomson ontwikkelt zich onmiddellijk een intrige, terwijl Kelman voor de zoveelste keer zijn verhaal opzettelijk laat doodlopen in weer zo'n geval van pech gehad.
Kelman lijkt veel meer in de realiteit van zijn verhaal te verzinken, terwijl Thomson zich presenteert als de goochelaar met de vele verhaallijntjes. En hoewel er in beide boeken geen sprake is van persoonlijke ontboezemingen, is het Thomson die de lezer toch wil laten weten dat hij een vakman is. Helemaal als hij tegen het einde van het boek een bizarre zijweg inslaat, die een verrassend licht op het voorafgaande werpt. Het moet gezegd - dat ìs ook erg knap.
DE VOLKSWIJSHEID zegt dat je altijd beter blind kunt zijn dan doof. Want doven zouden eerder wantrouwend worden, of paranoïde. Toch is juist paranoia bij zowel Kelman als bij Thomson de grote leidraad. Kelmans Sammy stapt aan het einde van het boek in een taxi om, volstrekt zinloos natuurlijk, eindelijk weg te zijn, uit zicht. Bij Thomsons Martin is het paranoia-element in de laatste zin bijna letterlijk, mijns inziens zelfs overdreven aanwezig: 'And there is always somebody behind you, with a gun.’ Zo'n gedachte mag je trouwens best verwachten van iemand die ervan overtuigd is geraakt het slachtoffer te zijn van een medisch experiment dat als doel heeft hem te kunnen laten zien in het donker en televisiebeelden rechtstreeks in zijn hoofd te ontvangen. Zo spectaculair gaat het er in het hoofd van Sammy niet aan toe. Misschien wel omdat Sammy geen kans krijgt zich te vervelen. Of hij herstelt van zijn verwondingen en heeft te veel pijn om zich te vervelen, of hij houdt zich in zeer praktische zin bezig met zijn overleving. Sammy heeft gewoon geen tijd om een blinde dichter te worden.
Martin daarentegen ontwikkelt wel zoiets als een innerlijke ruimte, zeg maar gerust een poëtica. Martins terugkerende droomachtige verbeelding van een circusartiest bijvoorbeeld, getuigt van poëtische kracht. Maar Thomson maakt de lezer wel goed duidelijk dat die artistiek hallucinerende dichter naast onze werkelijkheid grijpt. Al is het bijvoorbeeld maar omdat de circusartiest toeren uithaalt die in de normale wereld helemaal niet kunnen.
In het alwetende perspectief van Thomson bestaat nog wel zoiets als 'de werkelijkheid’, terwijl Kelman ons hele idee van de werkelijkheid overhoop haalt. Misschien omdat Kelman weigert de alwetende uit te hangen, omdat hij vindt dat zoiets helemaal niet kan.
Thomsons The Insult is duizelingwekkend, spannend, fascinerend. Kelmans Blind geschopt is een boek met een ziel, dat je maar niet los wilt laten.