Blinde vlek

Het opstappen van Wilma Mansveld en Loek Hermans is het zoveelste fiasco bij een (semi-)publieke instelling als gevolg van ondernemend’ denken.

Het stond symbool voor het denken in die tijd. Ineens stond in Den Haag op de wagentjes van de stadsreiniging Productgroep Vegen. Dat werkte bij mij op de lachspieren. Bedrijfsmatig denken was toen de trend, alles moest efficiënt, lean mean, en afrekenbaar zijn op targets.

Of het nou het vegen van de straten was, het rijden van de treinen, het verzorgen van mensen thuis, het verhuren van huizen in de sociale woningbouwsector of het geven van onderwijs, het moest en zou worden ingericht volgens het bedrijfsmodel. Want overheid of (semi-)publieke instelling, dat stond bij voorbaat voor inefficiënt, log en ‘ze hoeven zich niet te verantwoorden voor het resultaat’. De twee woorden op de veegwagentjes vatten dat denken mooi samen.

Inmiddels zijn we zo’n twintig jaar verder en hebben we als samenleving al op menige blaar gezeten als gevolg van dat bedrijfsmatig denken in de publieke sector. Het heeft de belastingbetaler miljarden euro’s gekost. De vraag is of de baten die daar mogelijk tegenover staan opwegen tegen het verlies.

In de afgelopen weken werden we weer aan de mislukkingen herinnerd door het aftreden van pvda-staatssecretaris Wilma Mansveld van Infrastructuur en Milieu in verband met het debacle met de hsl en de Fyra die daar overheen had moeten rijden, en het opstappen van vvd’er Loek Hermans uit de Senaat omdat hij als voorzitter van de raad van toezicht persoonlijk verantwoordelijk is gesteld voor het wanbeleid bij zorginstelling Meavita en het faillissement dat daar het gevolg van was.

Het instellen van raden van toezicht hoorde ook bij dat bedrijfsmatig denken. Grote bedrijven hebben raden van commissarissen die een paar keer per jaar bij elkaar komen om de bedrijfsresultaten te bekijken. Dat soort toezichthouders moesten (semi-)publieke instellingen ook krijgen. Wat die toezichthouders precies moesten doen, waar ze precies verantwoordelijk voor waren, daar was echter niet goed over nagedacht door de politiek.

Een blinde vlek, zou ik zeggen. Dat zie je wel vaker in Den Haag als de politiek achter een trend aan holt. Bijzonder hoogleraar good governance in de (semi-)publieke sector Rienk Goodijk, die deze week aan de VU in Amsterdam zijn oratie houdt, spreekt over de telefoon van een ‘valse start’.

Een lid van de raad van toezicht persoonlijk verantwoordelijk stellen als het misloopt? De politiek heeft het niet verankerd in een wet. Want de politiek had zo ver niet doorgedacht. De Ondernemingskamer heeft met de uitspraak over Meavita die lacune nu ingevuld. Sommige toezichthouders zijn daar verontwaardigd over. De onderliggende blinde vlek bij de politiek was het publieke belang van (semi-)publieke instellingen en de desastreuze gevolgen als dat uit het oog wordt verloren.

Als Albert Heijn door verkeerde beslissingen omvalt, is dat erg voor de werknemers, maar wij kunnen boodschappen doen bij andere supermarkten. Wanneer de NS omvallen, zitten we zonder treinvervoer en komt een groot deel van Nederland met een klap tot stilstand. En toen Meavita failliet ging, was dat niet alleen erg voor de werknemers van de zorginstelling, maar hoe moest dat met al die mensen die dagelijks afhankelijk waren van de zorg van Meavita? Dat kan een overheid niet zo maar laten gebeuren.

Goodijk vindt dat er in het verleden ‘veel te lichtzinnig’ is gedacht over het toezichthouderschap: dat kon je er wel even bij doen. Volgens hem is het toezichthouderschap bij een instelling met een publiek belang complexer dan lid zijn van de raad van commissarissen bij een bedrijf. Hermans is de verpersoonlijking geworden van dat lichtzinnige denken, maar het dieperliggende probleem is dat hij niet de enige was die zo dacht.

Bij de fiasco’s in het recente verleden bij een aantal (semi-)publieke instellingen speelde het ‘ondernemend’ denken van de directeur een belangrijke rol. Het TV-foon-project waaraan Meavita mede ten onder is gegaan is daar een goed voorbeeld van. Dat project paste helemaal in de trend: weg met de suffigheid, kom op met die ondernemingszin, met daadkracht en vernieuwingsdrift. De toezichthouders vonden het prachtig. Wie tegensputterde, ging niet met zijn tijd mee.

Afgelopen week stond er in de Volkskrant een interview met voorzitter van de raad van bestuur, oftewel van de dagelijkse directie, Sybrand Poppema van de Rijks Universiteit Groningen. De rug gaat op Chinees avontuur en krijgt een campus in Yantai. Het contract daarvoor werd in China ondertekend onder toeziend oog van de koning toen deze daar onlangs op staatsbezoek was.

Poppema noemde in het interview de investeringen door de Chinezen ‘nog mooier dan te mooi om waar te zijn’. Hij bezwoer dat de rug geen enkel financieel risico loopt. Hij sprak over moordende concurrentie tussen universiteiten als gevolg van krimpende studentenaantallen en had het over branding van de stad Groningen.

Het was een dag na het terugtreden van senator Hermans als gevolg van ondoordacht ondernemend denken bij een met publiek geld gefinancierde instelling en mij bekroop een onbehaaglijk gevoel toen ik het interview met Poppema las: daar gaan we weer.

Wie durft die man tegen te spreken? Wie durft het aan om in te gaan tegen de trend dat in China de toekomst ligt? En tegen het idee dat je verliest als je daar niet aan meedoet? Want als het toch fout gaat, laat de overheid de rug niet zo maar omvallen. Vanwege het publieke belang. In Den Haag moeten alle alarmbellen rinkelen. Loop niet blind achter verkooppraatjes aan.

Weg met de suffigheid, kom op met die ondernemingszin