Kunst: Stephan Vanfleteren

Blinkende knopen

Vanfleteren, Noah, Koninklijk Werk IBIS, Bredene, Belgium, 2016 © Stephan Vanfleteren

In 2016 portretteerde Stephan Vanfleteren (1969) alle 108 jongens van het internaat ‘Koninklijk Werk IBIS’ in het Belgische Bredene, opgericht in 1906 als ‘Opleidingsschool voor Kweekelingen der Visscherij’. Dat bestaat nog altijd in zijn ouderwetse, geüniformeerde vorm, al herbergt het inmiddels behalve visserswezen ook Belgjes met moeilijkheden thuis. In Nederland zijn kinderen in matrozenpak zeldzaam, in België, dat toch een tikje conservatiever en hiërarchischer is, komen ze vaker voor, om van Oostenrijk (de Sängerknaben) te zwijgen.

Vanfleteren is een van de beste fotografen van onze tijd en zijn kracht ligt in het beeld van een mensenkop waar een leven van af te lezen was. Dat is bij deze scholiertjes anders: niet alleen zijn ze allemaal zeer jong, ze hebben ook allemaal exact hetzelfde aan – óf het witte baadje met braniekraag, óf de donkere peacoat, de stugge jas met acht blinkende knopen. Vanfleteren doet dat bovendien allemaal in zwart-wit, op neutraal decor. Alle foto’s bij elkaar geven de indruk van een installatie, zó voegen die foto’s met die vrijwel identieke vormen zich tot series, rotten van vier in zwart en wit. Vanfleteren ziet het project in een romantisch licht, als een ‘tijdloos beeld van een kwetsbare jeugd’, jongens die de zee in hun ogen hebben. Aan de foto’s is een video-installatie toegevoegd, waarin buitengewoon dromerig wordt gestaard over de grijze golven.

Mij leek die poëzie (‘… een zichtbare horizon, ook wanneer het stormt op zee’) een tikje geforceerd. De portretten zijn vooral per individu ijzersterk. Het is frappant hoe ouderwets die abstrahering door die zwart-wituniformen aandoet. Als een van de jongens zijn muts schalks scheef opzet, of met opgezette kraag over de schouder de lens in kijkt, dan herinner je je de foto’s van al die militairen van lang geleden, onze grootvaders, die binnen het regime van zwart-witfoto en -uniform weinig mogelijkheden hadden om er iets joligs van te maken, voor het meisje thuis.

De meeste jongens geven de indruk dat er op dat internaat niet veel gelachen wordt, en dat het poseren ze niet makkelijk valt – je ziet de knuistjes nerveus gebald, de blik onzeker, de houding soms stijf-bedremmeld – en aan wie zoekt naar eigenheid geven ze zich niet zomaar gewonnen. Vanfleteren schrijft dat voor hem het uniform juist geen beperking was: omdat alles er hetzelfde uitziet werden karaktereigenschappen en eigenheid juist benadrukt. Hij zag in hun blikken een kalm vertrouwen; ik zag ook de doodnormale onzekerheid van de twaalfjarige, die zich aan een fotograaf moet blootgeven, en hoopt dat-ie gauw weer naar buiten mag.

Een grappig detail zijn de namen van de jongens, die doen vermoeden dat hun ouders zich voor hun kinderen ooit iets heel anders hebben voorgesteld dan een carrière op zee. Er zit geen Jan bij, geen Piet-Joris en geen Korneel. Wel Lyano, Gianni, Imany, Rune, Nak Soe, Milan, Nikita, Stephano, Tiziano en Jaydee.


Stephan Vanfleteren, Engelen van de Zee. Scheepvaartmuseum Amsterdam, t/m 5 april; hetscheepvaartmuseum.nl