Blockbusters

Door internet zouden mensen eindelijk hun eigen smaak gaan ontwikkelen. Het tegendeel is waar. We vreten wat we gevoerd krijgen.

Bohemian Rhapsody van Queen zal weer op 1 staan. In de Top 2000, de lijst met allerbeste nummers aller tijden, samengesteld door het Nederlandse publiek, staat het bijna elk jaar op 1. Een nummer van meer dan veertig jaar oud. Zelf dacht ik daarom dat het vooral oude mensen zijn die erop stemmen, maar dat blijkt dus niet het geval te zijn, las ik op de NOS. Sterker nog: het zijn voornamelijk jongeren van twintig die Bohemian Rhapsody omarmen. Waarom?

Nostalgie, verklaarde hoogleraar Elmer Sterken in het artikel: ‘Zij waren het die op de achterbank zaten toen papa of mama met Queen of Boudewijn de Groot meezong. Deze generatie is zo op hun beurt weer opgegroeid met de muziek van hun ouders.’ Maar kinderen groeiden toch altijd al op met de muziek van hun ouders? Het hele punt van opgroeien is nu juist dat je die ouwelullenliedjes niet goed vindt, je ertegen afzet en op zoek gaat naar een eigen geluid. Bovendien: voor de meeste ouders van de nostalgische twintigjarigen geldt dat Bohemian Rhapsody ook al van voor hun tijd is. Zijn jongeren (en hun ouders) minder opstandig geworden dat ze de voorkeuren van vorige generaties zo klakkeloos overnemen? Of geldt hier gewoon dat als je iets maar vaak genoeg herhaalt het een onbetwiste waarheid wordt?

Beste film aller tijden: Citizen Kane (of in Nederland: Soldaat van Oranje). Beste boek: meerdere, maar in ieder geval ook Op zoek naar de verloren tijd (in Nederland: Max Havelaar of De avonden). Beste schilder: Rembrandt. Beste componisten: Mozart, Bach en Beethoven. Dit zijn de in steen gehouwen hoogtepunten van de westerse cultuur, de eversellers, de blockbusters ervan.

Ooit was de verwachting dat internet die blockbustercultuur zou doorbreken. Voortaan, jubelde Wired-hoofdredacteur Chris Anderson in 2006, zou het grote geld in de entertainmentindustrie niet meer verdiend worden met hits, maar met missers. The long tail noemde hij zijn theorie. In het kort kwam het hierop neer: nu de consument online alles kon vinden wat ooit gemaakt was, zou hij zich niet meer laten leiden door marketing, maar door zijn eigen nieuwsgierigheid. Hij zou zijn eigen smaak gaan ontwikkelen, voorbij het beperkte aanbod dat in de winkels lag, en online allerlei obscure artiesten (her)ontdekken. Waardoor er dus ook eindelijk geld mee kon worden verdiend. Want ieder voor zich leverden deze artiesten misschien niet veel op, maar bij elkaar opgeteld (de lange staart) konden ze miljoenen genereren. Met als gevolg, aldus Anderson, dat producenten meer risico zouden gaan nemen, de markt diverser zou worden en de macht van grote bedrijven zou breken.

Variatie verdwijnt, het midden bezwijkt, een paar hits overschaduwen de rest

Zoals bekend liep het anders. Sinds 2006 is onze cultuur zelfs alleen maar meer gaan teren op blockbusters, schrijft de Nederlandse superster-professor aan Harvard Business School Anita Elberse in haar boek Blockbusters. Variatie verdwijnt, het midden bezwijkt, een paar hits overschaduwen de rest. Omdat de gemiddelde consument toch niet zo nieuwsgierig bleek als verwacht. Maar vooral omdat de vrijheid en anarchie uit de beginperiode van internet al lang getemd zijn door reuzen als Google, Facebook, Apple en, zoals vorige week in De Groene Amsterdammer te lezen was, Talpa.

Ooit bloeiden er honderdduizenden blogs online, nu uiten we ons binnen het uniforme design van censurerende bedrijven als Facebook en Instagram. Ooit kon je inderdaad elke obscure film online vinden, ook de films die nooit op DVD waren uitgebracht, omdat iemand in Polen hem met VHS van televisie had opgenomen, hem vervolgens digitaliseerde, van ondertitels voorzag en op een illegale downloadsite zette. Sinds steeds meer van die sites worden geblokkeerd, bestaan deze films in feite dus niet meer. En geen algoritme zal ze ook aanraden.

Meer dan ooit tevoren investeren grote bedrijven in maar een paar producten of artiesten, schrijft Elberse. En dat is een goede zaak, vindt ze, want onderzoek wijst uit dat de kans op een hit juist afneemt bij risicospreiding. Waarbij ook nog eens geldt dat hits uit het verleden de beste voorspellers zijn van toekomstige hits. Vandaar dus al die superheldenfilms. Niets geen risico, lef of al die andere managementtermen die het zo goed doen in TEDTalks: entertainmentbedrijven schotelen ons vooral meer van hetzelfde voor. En wij vreten wat we gevoerd krijgen, zo blijkt telkens weer.

In dat opzicht is het dus wel mooi dat Bohemian Rhapsody elk jaar weer boven aan de Top 2000 staat. Hoe verschrikkelijk ik het nummer (inmiddels) ook vind, qua lef en originaliteit is het ongeëvenaard. Eigenlijk hoop ik ook dat jongeren er daarom zo massaal op stemmen. Als (onbewuste) daad van verzet. Omdat het anders klinkt dan alles waarmee ze zelf zijn opgegroeid, omdat ook zij verlangen naar iets wat ambitieuzer en grootser is dan de moderne eenheidsworst die uit de hitfabrieken rolt.

Overigens zou ik zelf Piss Factory van Patti Smith op 1 zetten, een nummer uit 1974 dat net zo goed over de hedendaagse fabrieken van Apple en Amazon zou kunnen gaan: ‘And I’ve got nothing to hide here save desire!’ Ik vond het bij toeval op internet. Want daarin had Chris Anderson natuurlijk wel gelijk, al heeft internet de machtsverhoudingen niet veranderd: wie wil kan er nog steeds de mooiste (obscure) dingen vinden. Tot nu toe stond Piss Factory nooit in de Top 2000, maar wie weet: er kan nog tot 8 december gestemd worden.