Bloed aan de liefde

HERMAN FRANKE
ZOEK OP LIEFDE
Podium, 249 blz., € 21,50

Wat is dat toch met ik-personages in romans? Ze vertellen zogenaamd het hele verhaal, maar de meesten van hen zijn zich te bewust van de blik van de lezer over hun schouder, dus te ingrijpende eerlijkheden vermijden ze liever. Anders gezegd: net als het interessant begint te worden, blijkt de ik-figuur van alles een beetje, om de bewonderende lezer bij zich te houden. Alsof de schrijver zijn moed verliest, omdat de ik wel eens met hem vereenzelvigd zou kunnen worden. De verder naamloze ik uit Zoek op Liefde, de nieuwe roman van Herman Franke (1948), is een voorbeeld van een intieme verteller die te veel en te gebruikelijke registers wil bespelen. Hoe vaak is hij al niet eerder verschenen, de ik-figuur die tobt maar ook doortastend kan zijn, die vrouwen als vuil behandelt maar toch ook heel gevoelig uit de hoek komt, de sul die zomaar ook bij de stoere jongens hoort, die moeiteloos grote liefdes heeft gekend, maar die grote liefdes natuurlijk moet verliezen, die het ene moment verbaasd is over het hem omringende menselijk handelen, om even later tot diepe, hem schijnbaar overvallende inzichten te komen.
Dat Zoek op Liefde ondanks de weinig verrassende verteller toch blijft boeien, heeft te maken met de pakkende stijl van Franke. Er zijn weinig Nederlandse auteurs die levendiger kunnen schrijven, die met snelle streken, in enkele zinnen een compleet personage en verhaal neer kunnen zetten. Een schitterende miniatuur over een dromerig dienstmeisje schiet voorbij; twee alinea’s over een jongen in een kolenhok zijn genoeg om een wereld van angst en teleurstelling op te roepen. Hoogtepunt in de roman is de jeugdherinnering van de ik aan de Groningse Surinaamse superman ‘Baby’ Cooper. In anderhalve bladzij is de lezer volledig bijgepraat over het libido en de schelmenstreken van deze indrukwekkende neger die zijn geld onder meer verdient met boksmatches op de kermis. De oudere broer en vader klimmen om verschillende redenen in de ring tegen ‘Baby’ Cooper, waarbij de vader vooral zijn eer blesseert: ‘Zelfs zijn grote, benige neus die gewoonlijk nogal eigenzinnig zijn gang ging, leek nog helemaal bij het gevecht te zijn.’
Franke is minder scheutig met de jeugdherinneringen van zijn verteller dan in het vorige, eerste deel van zijn romancyclus Voorbij ik en waargebeurd, en dat is jammer. Vergelijken is onvermijdelijk: voorganger Uit het niets (2007) is het betere boek. Zoek op Liefde is conventioneler, overzichtelijker en bij een mythomaan auteur als Franke daardoor eenzijdiger. De rode draden van de bloedvete tussen twee neven en de zoektocht naar de identiteit van een vrouw op een antieke naaktfoto duwen de roman te veel richting melodrama. De verteller als kind is boeiender dan de volwassen ik die zich af en toe bedient van gemeenplaatsen als: ‘De menselijke geest is een vat vol tegenstrijdigheden, een doos van Pandora, een doolhof en een vulkaan van brandend verlangen tegelijk.’ Ook vermoeiend is de hebbelijkheid van de verteller om van elke vrouw de vorm en omvang van haar borsten te vermelden. Zijn beroep, schrijver van portretten, was niet de grootste vondst van het eerste deel, en de opvolger lijdt onder de continuering van deze artificiële inval.
En toch, opeens staat daar: ‘Er kleeft bloed aan zijn liefde.’ Dat is mooi. ‘Huizen lijken op mannen die niet met hun tijd meegaan en, oud en grijs, opeens merken dat de wereld om hen heen totaal veranderd is.’ Een sterk beeld en zo zijn er meer. Maar het idee van een ik die over verscheidene boeken van verwikkeling naar verwikkeling hopt, dreigt de cyclus te reduceren tot een feuilleton. ‘Met een lichte huiver verheugde ik me op de zoektocht naar Mathilde’, luidt de laatste zin van Zoek op Liefde. Zonder het stevige fundament van de jeugd van de verteller zal het doorgeven van deze narratieve stok de lezer maar moeilijk meekrijgen naar deel drie.
‘No matter. Try again. Fail again. Fail better’, schreef Samuel Beckett en deze woorden lijken van toepassing op Franke’s pogingen zijn Voorbij ik en waargebeurd gestalte te geven. De cyclus kan volgens het uitgezette pad nog even doorgaan, maar een schrijver die zijn scherpte vindt in snelheid en afbakening zal daarbij weinig winnen. Het boek lonkt waarin wie maar wil een stem krijgt, een twijfelende, kermende, krachtige of overslaande stem. Franke zou het kunnen, hij heeft het gedaan met zijn roman De verbeelding (1998). En dan in zo’n universum, zo’n ‘brouwsel van waan en werkelijkheid’ een ik introduceren die de grenzen opzoekt van wat schrijver en lezer kunnen hebben. Geen cyclus of sequels, maar één overdonderend boek. Glorieuzer falen.