Bloed als bevrijding

De film ‘Fight Club’ weerspiegelt perfect de tijdgeest: nihilistisch, anti-ideologisch en extreem gewelddadig. De neiging tot zelfdestructie overheerst, maar pijn en geweld leiden tot zelfbewustzijn. ‘Dit is je leven, en het eindigt - één minuut per keer.’

EN DAAR IS hij dan: heerser van zijn rijk op de bovenste etage van een wolkenkrabber in een anonieme stad. Zijn appartement met hardhouten vloer is zijn lust en zijn leven. Vaak vult hij zijn verbeelding met de plattegrond van de Zweedse meubelfabriek waarnaar hij is vernoemd. Hij laat de plattegrond zijn geestesoog passeren, en hij ziet zichzelf dan de wegwijzers volgen naar allerlei schatten: audiovisuele meubels, een koffietafel met yin-en-yangmotieven, een designer-ijskast of een zitbank van leer. Ook intellectueel is hij actief: door te worstelen met vragen als welke eettafel hem als mens het best definieert. Elke ochtend doet hij de dingen die nodig zijn om zijn dromen werkelijkheid te maken: hij kleedt zich in merkkleding en vertrekt naar een andere wolkenkrabber, waar hij de rest van de dag achter een computer werkt. ’s Avonds blijft hij urenlang wakker liggen, want slapen kan hij niet. Hij lijkt een perfect draaiend rad in de machine van de Amerikaanse consumptiemaatschappij, maar in David Finchers film Fight Club komt hij, bijgenaamd Ikea Boy, tot zelfbewustzijn. Ondanks zijn bestaan in het paradijs begint hij te dromen van een ander, beter leven. Deze droom komt uit wanneer hij iemand ontmoet die een bijzonder product verkoopt: zeep gemaakt van menselijk vet.
Vet verwijst niet alleen naar slechte eetgewoonten, maar ook naar symbolische vraatzucht, met name waar het om geld gaat. In de jaren tachtig was de roman Brightness Falls van Jay McInerney deel van een serie tijdsdocumenten over de door hebzucht overheerste jaren tachtig. De roman speelt zich af tegen de achtergrond van de Wall Street-crash van 1987 en draait om disfunctionele menselijke relaties. In een ander tijdsdocument, American Psycho van Brett Easton Ellis, is de hoofdpersoon, Patrick Bateman, een aan populaire cultuur, merkkleding en allerlei andere producten verslaafde seriemoordenaar die eenzaam in de grote stad leeft. Minder verslaafd, maar meer pathetisch en machtsbelust is Sherman McCoy, de miljonair in Tom Wolfes meesterwerk The Bonfire of the Vanities. De personages in Wolfes roman zijn aan het einde getransformeerd tot onwerkelijke karikaturen van zichzelf. Hetzelfde soort stedelijk magisch-realisme als in Wolfes roman is aanwezig in Finchers Fight Club. Maar wat deze film onderscheidt van de literaire tijdsdocumenten van de jaren tachtig, zijn de donkere thema’s van nu: cynisme, nihilisme en de zucht naar zelfdestructie.
De film is gebaseerd op de gelijknamige roman van cultschrijver Chuck Palahniuk. Het verhaal draait om geheime bokswedstrijden waar mannen tussen de dertig en veertig jaar elkaar de hersens in slaan in een ultieme poging van hun frustraties af te komen. Het brein achter de fight club is Tyler Durden (Brad Pitt), een zeepverkoper. Het idee te gaan vechten om zich te bevrijden van de dagelijkse sleur ontstaat wanneer Durden en de naamloze verteller (Edward Norton) elkaar ontmoeten. Dat gebeurt op hetzelfde moment dat de verteller - Ikea Boy, de yup in de wolkenkrabber - zich realiseert hoe zinloos zijn bestaan is. Gedesillusioneerd probeert hij zijn leven te veranderen. Wanneer zijn appartement op mysterieuze wijze explodeert, beweegt de verteller van zijn eigen wereld van yin-en-yang-koffietafels en koelkasten en zitbanken naar een parallelle werkelijkheid, naar Tylers wereld, waar de echtheid van het menselijk bestaan wordt afgemeten aan één ding: lichamelijke pijn.
REGISSEUR DAVID Fincher maakte met zijn derde aflevering in de Alien-serie een van de beste slechte films aller tijden. De visuele stijl van Alien(3 (1992) is verbluffend, wat Finchers achtergrond als maker van flitsende reclamespots verraadt. Maar de film mislukt wanneer Fincher een compromis forceert tussen zijn eigen, donkere visie en de commerciële vereisten van een Hollywood-product. Hierin slaagt hij wel met Seven (1995), een film over de speurtocht naar een seriemoordenaar. Zelden was er qua thema en sfeer een donkerder Amerikaanse film. Dit succes maakte de weg vrij voor The Game (1997), dat thematisch aan Fight Club is gekoppeld. Michael Douglas speelt in The Game de rol van Nicholas van Orton, een miljonair die van zijn broer een ‘spel’ als verjaardagscadeau krijgt. Het spel bestaat uit een extreem realistisch rollenspel, tot aan levensbedreigende situaties toe. Tijdens het spel snakt Nicholas als een vis op het droge naar adem wanneer hij uit zijn vertrouwde kapitalistische habitat wordt gerukt. In Fight Club gebeurt hetzelfde wanneer verteller Ikea Boy al zijn aardse bezittingen kwijtraakt. Maar hij past zich opvallend snel aan aan de alternatieve wereld van zijn nieuwe vriend, Tyler de zeepverkoper.
In het proces van bewustwording over zijn uitzichtloze bestaan beseft de verteller dat hij opknapt wanneer hij praatgroepen bezoekt voor mensen die lijden aan ongeneeslijke ziekten als zaadbalkanker. Als onderdeel van de groepstherapie moeten de deelnemers elkaar omhelzen en hun hart bij elkaar uitstorten. Hierin wordt de verteller een expert, met als gevolg dat hij ’s nachts weer slaapt als een roos. Bij een van de praatgroepen ontmoet hij Marla Singer (Helena Bonham Carter), een porseleinachtig femme fatale uit het punktijdperk. Haar galgenhumor en cynisme zetten de toon voor de film. Waarom zij naar deze groepen gaat? Goedkoper dan een film en je krijg er gratis koffie.
De praatgroep over zaadbalkanker introduceert een van de belangrijkste thema’s in Fight Club: de crisis in de mannelijke seksuele identiteit. Symbolisch hiervoor zijn de leden van de praatgroep die allen hun testikels operatief hebben moeten laten verwijderen. Tijdens een huilsessie krijgt de verteller Robert Paulsen (Meatloaf) als partner, een man die als gevolg van zijn ziekte en door medicatie enorme borsten heeft gekregen. Het beeld van het gezicht van de verteller tussen de erotisch zwaaiende mannelijke borsten suggereert twee dingen: de behoefte van de verteller aan een sympathieke vaderfiguur en zijn onzekerheid over zijn eigen seksuele identiteit. De vraag waarom deze man/vrouw met een penis en borsten een erotiserende uitwerking op de verteller heeft, draagt bij tot zijn algehele verwarring.
Homo-erotiek is op verbluffende wijze - voor een Amerikaanse studiofilm - aanwezig in de thematische connectie tussen geweld, lichamelijke pijn en existentiële ervaring. Tyler en de verteller ontdekken na een avondje in de kroeg min of meer per ongeluk de verrukkingen van klappen en schoppen die verscheidene delen van het lichaam treffen. Wanneer blijkt dat deze verrukking universeel is, dat ze door vele mannen tussen de dertig en de veertig jaar kan worden gewaardeerd, ziet de geheime vechtersclub het licht. Het idee verspreidt zich als een olievlek. Binnen de kortste keren gaan mannen elkaar illegaal te lijf in kelders van kroegen in heel Amerika. Het homo-erotische aan de relatie tussen Tyler en de verteller bereikt een hoogtepunt in een scène waarin de verteller jaloers wordt wanneer hij merkt dat Tyler veel aandacht besteedt aan een blonde jongen, een nieuwe rekruut in de vechtersclub. De verteller daagt de jongen uit tot een gevecht en slaat hem vervolgens bijna dood.
Het idee is existentialistisch: slechts door lichamelijk pijn te lijden is de mens zich bewust van de echtheid van zijn bestaan. Het opzoeken van de pijn - een bezoek aan de vechtersclub - staat garant voor het komen tot zelfbewustzijn. Voor de miljoenen mannelijke verslaafden aan de gevechtsclub is dit een manier om in opstand te komen tegen hun verstikkende, materialistische bestaan. Bijvoorbeeld: een ochtend bij de verteller op kantoor. Zijn baas komt binnen, vraagt: 'Is that your blood?’ en wijst naar een vlek op het hemd van de verteller. Waarop de nu zelfbewuste Ikea Boy trots antwoordt: 'Yes.’ Bloed als bewijs dat je echt leeft, bloed als bevrijding, bloed als trofee - niet van een ouderwets macho-achtige daad als meedoen aan een sportwedstrijd, maar van de revolutionaire daad van zelfontdekking.
Achter dit alles schuilt het meesterbrein, de zeepverkoper Tyler, die predikt, als een goeroe: 'Self-improvement is masturbation. Self-destruction might be the answer.’ De vechters raken verslaafd aan hun bevrijding, want ze weten dat het einde nadert - zoals de verteller fluistert: 'Dit is je leven. En het eindigt - één minuut per keer.’
THE MATRIX en eXistenZ zijn twee recente films die elk op hun eigen manier de heersende ideologie ondermijnen doordat vrijheidsvechters binnen een alternatieve werkelijkheid de strijd opnemen tegen de materialistische levensstijl in de consumptiemaatschappij. In Fight Club krijgt de strijd nihilistische trekken doordat het Jezus-archetype - Tyler - fanatiek van leer trekt tegen de heersende orde. Volgens Tylers plan zal de revolutie, in gang gezet door duizenden strijders, allemaal leden van de vechtersclub, compleet zijn wanneer alle gebouwen van alle grote creditcardmaatschappijen in de stad worden opgeblazen. De strijders storten zich blind in de strijd, want ze snakken naar een leider, een vaderfiguur. Ze zijn de verloren generatie, de 'unwanted children of God’, zoals Tyler ze noemt. De verteller: 'Let me tell you about Tyler. He had a plan. In Tyler we trusted.’
Dat de film en de personages de overgang naar een nieuwe tijd beleven, blijkt uit de laatste scènes, die zich afspelen op de bovenste etage van een wolkenkrabber. Voor de ogen van de verteller exploderen de gebouwen van de creditcardmaatschappijen: de afsluiting van decennia van hebzucht, de vernietiging van de werelden van Sherman McCoy, Patrick Bateman en Russel en Corinne Calloway, de yuppies in Brightness Falls. Pessimisme overheerst. De verteller probeert zichzelf nog om het leven te brengen, maar dat mislukt - een wrang commentaar op de impotentie van Ikea Boy. De explosies zijn geen overwinning, want het overgangsmoment gaat gepaard met angst en onzekerheid. De verteller rebelleert tegen het geweld van Tyler en zijn communistisch georiënteerde revolutionairen. Tyler en zijn manschappen zijn allen gelijk en hebben geen naam, geen identiteit. Omdat deze 'regels’ worden ontmaskerd als even corrupt als het kapitalisme waartegen ze vechten, is Fight Club anti-ideologisch. Uiteindelijk blijkt dat er niets is om aan vast te houden, om in te geloven, behalve het eigen bloed laten vloeien over de vloeren van de vechtersclub.
Het verwerven van zelfkennis is de rode draad in deze film. Daarom is het gepast dat Fight Club als film, als kunstwerk, extreem zelfbewust is. Dat zelfreflexieve zit hem in twee scènes die in totaal nauwelijks vijf seconden duren. In de eerste scène zien we - volstrekt uit context - het gezicht van Brad Pitt, recht in de camera starend terwijl de film waar wij naar zitten te kijken zogenaamd ontspoort. We zien even de gaatjes aan beide zijden van de filmrol in de projector, het beeld springt en dan keren we terug naar het verhaal. Het effect hiervan is dat de regisseur ons bewust maakt van het feit dat we naar een film kijken.
De tweede scène is de laatste van de film: een bijna subliminaal beeld van een mannelijk geslachtsorgaan. Het flitst een fractie van een seconde lang levensgroot over het scherm voordat de aftiteling begint. De betekenis van de penis zou een verheerlijking van mannelijkheid kunnen zijn, van een nieuwe seksuele potentie die het gevolg is van de overwinning op de materialistische maatschappij. Maar het kan ook een homo-erotisch beeld zijn dat de mannelijke seksuele identiteitscrisis bevestigt.
Hoe dan ook, Fight Club mag niet worden onderschat. Het is een complexe, rijke tekst die een magisch-realistisch spiegelbeeld van de werkelijkheid geeft. Dat beeld reflecteert het einde van de religie van het consumeren, van de levensstijl van mensen zoals de verteller, van onze tijd.