Bloed doneren is geen kwestie van vertrouwen

De discussie laait steeds weer op: mogen homoseksuele mannen worden geweerd door de bloedbanken of is dat een vorm van discriminatie? Het ‘bloeddebat’ ontbrandde al in 1983 toen de eerste meldingen kwamen van aidsbesmetting bij hemofiliepatiënten. Homoseksuelen moesten geen bloeddonor meer zijn, vonden zij èn de bloedbanken. Dat is stigmatisering, antwoordden de homo-organisaties. Na heftig gesteggel ontstond een compromis: homo’s moesten zich ‘vrijwillig’ terugtrekken als donor als zij zich seksueel riskant gedroegen.

Aan dat beroep op de eigen verantwoordelijkheid is, volgens de homo-organisaties, ‘massaal’ gehoor gegeven. Inderdaad, toen het in 1985 mogelijk werd donorbloed op HIV te onderzoeken, bleek de kwaliteit behoorlijk betrouwbaar te zijn. Vanaf 1985 was zo'n vijftien liter van de 350.000 liter bloed die jaarlijks wordt gedoneerd, besmet. De kans om via bloedtransfusie aids op te lopen, werd geschat op een op de 50.000.
Toch bleef de discussie smeulen. Terecht was elke besmetting er een te veel voor de bloedbanken en ze voerden in 1988 de eis in dat donors een formulier ondertekenden dat ze niet tot een risicogroep behoren. Het COC sprak, verwijzend naar de 'niet-joodverklaring’ die de Duitse bezetter eiste, van een 'niet-homoverklaring’.
Nu zijn het COC en vier homoseksuele mannen verontwaardigd naar de Commissie Gelijke Behandeling gestapt omdat ze sinds mei vorig jaar definitief zijn afgekeurd als donor. Vuijsje stelt in 'Patiënt overleden, privacy geslaagd’ uit zijn bundel Correct dat de homolobby schermt met een 'opgerekt discriminatietaboe’. De lobby maakte dat het woord 'risicogroep’ al 'fout’ was; je moest van 'risicohandelingen’ spreken. Dat is natuurlijk mooi en waar, maar ook verhullend, want de kans is nu eenmaal groter dat een homo het virus met zich meedraagt dan een hetero.
En natuurlijk, de monogame homoseksueel bestáát, maar het recht op gelijke behandeling botst in dit geval met het recht van patiënten op 'schoon’ bloed en dat is een recht dat draait om leven en dood. Aangezien er soms drie maanden verstrijken voordat iemand na besmetting met het aidsvirus positief op een test reageert en gedoneerd bloed binnen vijf weken moet worden gebruikt, is het niet zo gek dat de bloedbanken het zekere voor het onzekere nemen.
Van de eigen verantwoordelijkheid om geen bloed te geven als je het vermoeden hebt dat je besmet bent, moeten we misschien sowieso geen al te hoge dunk hebben. In de jaren tachtig wezen de bloedbanken er al op dat donors hun informatie slecht lazen, dat sommigen tegen beter weten in dachten niet te lijden aan de grote ziekte met de kleine naam, en dat sommigen het geven van bloed zelfs als een makkelijke manier gebruikten om hun 'serostatus’ te achterhalen. Je zou willen, zei een bloedbankdirecteur toentertijd, dat je een donor met aidsrisico strafbaar kon stellen. Dat is precies waarmee een Heerlense vrouw momenteel bezig is: zij had haar man meermalen gevraagd of hij geen aids had, hij had dat bevestigd, maar toen het huwelijk ten einde liep hoorde ze dat hij wel degelijk besmet was. Ze vervolgt hem nu wegens poging tot moord.
Verantwoordelijkheidsbesef? Het COC gelooft koppig in het onmogelijke.