Bloed het heelal onder de microscoop

Leo Vroman, Warm, rood, nat & lief. Uitgeverij Contact, 303 blz., f49,90 (pap.) f69,90 (geb.).
Tot mijn verbazing heb ik de afgelopen dagen geboeid zitten lezen in een boek waarin wordt uitgelegd wat fibrinogeen is en hoe interleukinereceptoren werken. Als lezer voelde ik me wel regelmatig een vreemde eend in de bijt, bijvoorbeeld wanneer de schrijver meende dat ik zelf wel kon bedenken welke factor door normaal plasma op het glas wordt vastgezet, gereed om met een of andere stollingsfactor te reageren. Ik ben op dit gebied een volslagen analfabeet en ben ook nooit geinteresseerd geweest in de biologielessen vroeger op school, maar toch heb ik dit boek uitgelezen omdat de schrijver altijd wel een paar uitspraken in voorraad had die mijn fantasie prikkelden. De schrijver van dit boek over het bloedonderzoek is de dichter Leo Vroman. Vroman slaagt erin twee domeinen, de strenge wetenschap en de milde poezie, op een vanzelfsprekende manier met elkaar in verbinding te brengen. In Warm, rood, nat & lief (allemaal eigenschappen van het bloed) beschrijft Vroman zijn leven als wetenschapper.

In het elfde hoofdstuk heeft hij zijn proefschift net voltooid. Hij reist van de Verenigde Staten naar Nederland waar de promotieplechtigheid zich zal voltrekken. We schrijven het jaar 1958. Sinds het begin van de oorlog is Vroman niet meer in zijn vaderland terug geweest. Op een zeilboot was hij indertijd naar Engeland uitgeweken en via Kaapstad uiteindelijk in het voormalige Nederlands-Indie terechtgekomen. Hij overleefde de kampen op Java en in Japan en kwam na de oorlog in Amerika terecht. Vanaf die tijd bekwaamde hij zich in het wetenschappelijk onderzoek. Terwijl hij in verschillende Amerikaanse laboratoria uitzocht hoe bloed zich gedroeg, schreef hij gedichten en verhalen die overzee, in het vaderland, werden gepubliceerd en bekroond.
Als dichter was hij toen al beroemd in Nederland, maar de afstand die hij letterlijk had tot zijn geboorteland, gold ook de eer die hem daar ten deel viel. ‘Ik vond al die eer wel lekker’, zou hij later in zijn memoires opschrijven, 'maar ik word niet graag “dichter” genoemd. Als me gevraagd wordt waarom, dan moet ik daar telkens over nadenken. Voor mij is dichten evenmin een beroep als spijsverteren, en wat eng om voor betaald te worden, laat staan het in het openbaar te doen. Telkens ben ik weer verbaasd dat mijn ontlasting voor anderen niet stinkt. Bovendien wek ik al sinds mijn kinderjaren graag de indruk dat ik een uiterst nauwgezet mannetje ben, terwijl ik in gedichten nauwgezet dubbel- of meerzinnig probeer te zijn, omdat het leven zo is.’
Wat een verrassende gewaarwording onderging Vroman op het moment dat hij voor zijn promotie het auditorium van het Utrechtse universiteitsgebouw betrad: het was stampvol. Zoveel biologen kon de stad niet tellen en inderdaad, het was niet een primair in de wetenschap geinteresseerd publiek dat op de plechtigheid was afgekomen, maar de liefhebbers van zijn gedichten. Zouden de wetenschappers en de poezieliefhebbers beseffen dat ze het over een en dezelfde persoon hadden? Die ontmoeting tussen mensen uit verschillende interessevelden, toentertijd in het auditorium, herhaalt zich in dit boek, dat zich nu eens richt tot de ingewijden in het bloedonderzoek, dan weer tot de lezers van poezie, die worden bediend wanneer de schrijver de beschrijvingen van de vele labproeven beeindigt met gedichten.
Het boek van Vroman vertoont vele gedaanten. Het is opgezet in de vorm van memoires. We volgen Vromans levensloop vanaf zijn kinderjaren in Gouda, waar zijn ontvankelijkheid voor de biologie alleen al door de landelijke omgeving werd aangewakkerd en waar zijn interesse op school voortkwam uit een gebrek: wanneer hij een opstel moet schrijven, zwoegde hij meer op het vollopen van de regels dan op het betoog zelf. Zo ontdekt hij het principe van de oorspronkelijkheid, dat hem later zowel in de wetenschap als de literatuur te stade zal komen: oorspronkelijkheid is vaak een gebrekkigheid in het nabootsen. Op school wordt die oorspronkelijkheid meestal bestraft, in wetenschap en literatuur blijkt dat gebrek een godsgeschenk te zijn. De volgende episoden (de ontmoeting met Tineke, het verblijf op Java en Japan) kent de Vroman-lezer al uit zijn vroegere werk. Dan volgen de avonturen in de Amerikaanse laboratoria en veranderen de memoires langzamerhand in een leerboek.
De aandacht van de niet-ingewijde lezer wordt in die passages vooral gaande gehouden door de simpele tekeningen waarmee de proeven aanschouwelijk worden gemaakt. Daar manifesteert zich de tekenkunde van Vroman: zijn illustraties geven ingewikkelde proeven de schijn van simpelheid. Door zo nauwgezet mogelijk de ontwikkelingsgang van zijn bloedonderzoek op te schrijven, weet Vroman ook iets duidelijk te maken van de wijze waarop de geschiedenis van de wetenschap zich voltrekt: hoe toevalligheden en trivialia daarin een rol spelen, welke institutionele factoren (de toekenning van subsidies, de omgang met collega-onderzoekers, symposia, het belang van wetenschappelijke tijdschriften) de voortgang bepalen. Het is duidelijk waar Vromans hart naar uitgaat. Niet zozeer de toekenning van de P. C. Hooftprijs in 1965, maar de erkenning van het Vroman-effect, vastgelegd in de annalen van het internationale biologieonderzoek, geeft hem pas echt voldoening: Current Contents schreef hem de ontdekking toe van wat er gebeurde met fibrinogeen op glas.
Wat het leerboek ook voor de leek lezenswaardig houdt, is Vromans vermogen om zijn microscopische waarnemingen te verbinden met meer algemene beschouwingen over de wetenschap die in de wijze van formuleren dicht het gebied van de literatuur benaderen. Opkijkend van zijn microscoop, vanachter de pipetten en retorten vandaan komend, bedenkt Vroman dat het biologisch onderzoek nog het meest lijkt op zoiets als zitten in het pikkedonker, met slechts een lucifer en een plattegrond: dan kan je niets beters doen dan de plattegrond in brand steken en bij het licht in de vlam dat deel ontcijferen waar je misschien wel bent en dat je niet al in brand had gestoken.
In het laatste hoofdstuk blikt Vroman vooruit en steekt zijn enthousiasme over 'de chaostheorie’ die in het wetenschappelijk onderzoek terrein wint niet onder stoelen of banken. Wat een grote hoeveelheid nieuwe perpectieven (ook voor het bloedonderzoek) wordt daarmee geopend! De manier waarop Vroman het principe van die theorie uitlegt, brengt hem rechtstreeks naar observaties die in de wereld van de literatuur vaak zo'n raadselachtige schoonheid opleveren. 'Het grootste mysterie van chaos’, schrijft Vroman in zijn slotbeschouwing, 'is voor mij dat er nog iets voorspelbaars in de wereld over schijnt te blijven. Stel je voor dat je gaat ontbijten. Waar je het eerst mee begint hangt af van hoe je je voelt. Je eet dat. Nu voel je je anders. Als gevolg daarvan eet je iets anders. Of meer van hetzelfde natuurlijk. Maar dan ben je toch in een staat van chaos? Dan hing die eerste keuze toch ook af van toen je nog een embryo was? En dat weer van de omstandigheden waaronder je ouders besloten je te laten ontstaan? Enzovoort naar nog vroeger, toen het heelal ontstond. De ene chaotische keten veroorzaakte de volgende. Misschien trillen we allemaal nog na van de eerste big bang, en de som van alle elkaar opwekkende chaossen klinkt statistisch zo stabiel als muziek met zoveel fijner en fijner detail dat wij met onze gebrekkige zintuigen zelfs de eentonigheid van hun totale som niet meer waarnemen. We merken alleen wat lang en kort genoeg blijft, en maar zelden verbaas ik mijzelf onder het scheren dat ik nog herkenbaar ben en niet slapend in een draak veranderd.’
Zo komen de wereld van de wetenschap en de literatuur bij elkaar en daarin schuilt misschien het enthousiasme van Vroman: eindelijk lijken het streven naar eenduidigheid in de wetenschap en de opzettelijke meerduidigheid van de literatuur op hetzelfde uit te komen. Dat is ook de reden waarom het lezen van Vromans boek mij spannende uren heeft bezorgd. De auteur liet mij zien waar het tellen van bloedplaatjes toe kan leiden: tot avontuurlijke zoektochten in een microscopische wereld, die wonderlijk genoeg hoe verder je er in doordringt de beperktheid van het menselijke voorstellingsvermogen op de proef stelt. Onder de microscoop ontvouwt zich het onmetelijke heelal. De termen waarin de wetenschappelijke observaties van deze onmetelijke microscopische wereld worden beschreven, van fibrinogeen tot interleukinereceptoren, kregen de poetische kracht waarmee het meest nabije - de bloedsomloop in mijn lichaam - tot het meest raadselachtige wordt.