Leidt tv-geweld tot normverval?

Bloed op het scherm

Geweld op televisie leidt tot agressief gedrag, concluderen wetenschappers. Zij vinden gehoor bij politici die zich ontfermen over normen en waarden. Maar nog altijd is het mechanisme achter visueel geweld niet blootgelegd. Evenmin wordt onderkend dat de geweldsfilm een portret schetst van de moderne mens.

In 1969 creëerde de Amerikaanse cineast Sam Peckinpah — de «Picasso van geweld», ook wel Bloody Sam genoemd — de ultieme iconologie van de relatie tussen visueel geweld en menselijk gedrag. In de openingsscène van zijn revisionistische western The Wild Bunch spelen kinderen een spelletje. Ze laten een massa krioelende rode mieren twee schorpioenen levend verorberen. Terwijl ze toekijken, kraaien de kinderen van plezier. De montage is nog altijd ongeëvenaard en verontrustend: close-ups van de lachende kinderen en het schouwspel van de langzaam stervende schorpioenen, afgewisseld met beelden van een groep cow boys in bruine legerkleding die het dorpje binnenrijdt. Dan volgt de beruchte gewelds orgie waaraan Peckinpah zijn bijnamen dankt: na een mislukte bankroof maaien de cowboys dozijnen onschuldige dorpsbewoners neer. De regisseur versnijdt lyrische slowmotionbeelden van kogels die lichamen treffen met close-ups van de kinderen, die zich nu angstig aan elkaar vastklampen.

Vorig jaar kwam de New Yorkse theater maker Julie Taymor met een variant op Peck inpah. In de openingsscène van haar filmversie van Shakespeares Titus Andronicus speelt een twaalfjarig jongetje op de keuken tafel met poppen: G.I. Joe’s, Romeinse en gotische soldaten en allerlei futuristisch uitziende vechtjassen. Gaandeweg raakt hij bezeten van zijn spel; met melk en etenswaren bombardeert hij de soldaten.

Op het hoogtepunt van zijn waanzin betreedt een acteur uit het antieke Rome deze wereld en draagt het jongetje weg tot «binnen» het toneelstuk van Shakespeare, op welk punt de film van Taymor begint. Wat volgt is een van de meest gewelddadige teksten uit de geschiedenis van de kunst: over verkrachting, marteling, menselijke offers, kannibalisme, incest, moord, amputatie en algemene geestelijke aftakeling.

Taymor en Peckinpah maken moderne statements over de menselijke conditie; het sadistische spelgedrag van kinderen symboliseert in hun ogen een wereld waarin geweld schering en inslag is. Het bloed op het scherm, zeggen de regisseurs, vormt een portret van de mens. Deze thematiek maakt beide films tot grote kunstwerken die geweld becommentariëren, zelfs bekritiseren. Maar de ironie wil dat het overbrengen van deze ideeën door middel van een populaire kunstvorm geweld juist in de hand kan werken. Dat is niet alleen de mening van moraalridders die zich menen te moeten ontfermen over de normen en waarden van een maatschappij, of van politici als minister Heinsbroek van Economische Zaken, die in een interview met Trouw oproept tot het verbieden van geweldsfilms op de Nederlandse televisie. Ook wetenschappers rapporteren in toenemende mate een causaal verband tussen het intensief bekijken van gewelddadige beelden en agressief gedrag.

Een blik op de berg research op dit gebied leert één ding: wie de nuance niet zoekt, vervalt in frivoliteit. Vanuit kunstzinnig oogpunt zijn The Wild Bunch en Titus onweerstaanbaar mooie werken. Ze afdoen als geweldsfilms zou bijzonder onverstandig zijn. Maar wie al te enthousiast reageert op de slowmotion van Peckinpah of het lef van Taymor in de openingsscène van Titus bewandelt eveneens een gevaarlijke weg. Niet iedereen — en al helemaal kinderen niet — bekijkt deze films op analytische, contextuele wijze. Het kijken naar kunst vergt oefening, wellicht ook opleiding. De vraag is of de esthetische en maatschappelijke waarde van geweldsfilms opweegt tegen de potentiële negatieve invloed ervan op een nietsvermoedende kijker. Hier komt bij dat de platte geweldsfilm — gespeend van elke vorm van esthetische complexiteit — een veelkoppig monster is geworden dat zich manifesteert in de nieuwe media: elektronische spelletjes en films op DVD en in de videotheek. Hoe vaag de grenzen in dit genre zijn, toont een film als The Terminator. Het verhaal van een robot (Arnold Schwarzenegger) die een Mariafiguur moet doden om de geboorte van een «verlosser» te voorkomen, is dé inspiratie voor het moderne ultragewelddadige computerspel. Maar tegelijkertijd is The Terminator een typisch twintigste-eeuwse allegorie van de wijze waarop de moderne geïndustrialiseerde samenleving ontmenselijkt.

Hetzelfde idee ligt ten grondslag aan A Clock work Orange. Deze film is complexer door de verleidelijke schoonheid van het geweld. In een scène slaat Alex een vrouw dood met een artificiële penis onder begeleiding van Beet hovens negende symfonie. De vrouw ligt op de grond als de delinquent haar hoofd verbrijzelt met de gebeeldhouwde fallus. Een close-up van haar mond wordt afgewisseld met een subliem in beeld gebrachte serie kunstfoto’s: de met rode verf geschilderde mond van een monster achtig vrouwelijk gezicht, een masturberende vrouwelijke hand en de nek en borsten van een vrouw die ogenschijnlijk wordt gewurgd.

Het is mogelijk zonder A Clockwork Orange te leven, ware het niet dat de film iets cruciaals zegt over de mens, de moderne kunst en de postmoderne maatschappij, die in de visie van regisseur Stanley Kubrick versmolten zijn tot een gewelddadig geheel van tekens en betekenaren. De keerzijde: als de beelden van Kubrick, Taymor en Peckinpah al een diepe, onuitwisbare indruk maken op een gemiddelde volwassene, wat gebeurt er dan wanneer dit soort kunst op het netvlies verschijnt van ongetrainde, onvolwassen ogen?

Psycholoog Juliette Walma van der Molen, universitair docent aan de Universiteit van Amsterdam, verricht onderzoek naar de angst van kinderen voor onderwerpen uit het nieuws. «Een braakliggend gebied», legt ze uit. «Bij geweld op televisie kijkt men meestal niet zozeer naar emotionele effecten als wel naar gedragseffecten.» Dit was ook de focus van het meest recente onderzoek naar mediageweld. In maart van dit jaar publiceerden onderzoekers van Columbia University in het blad Science de resultaten van een zeventien jaar durende studie. Zij vonden een «significante connectie» tussen de hoeveelheid tijd besteed aan televisiekijken gedurende de puberteit en de «waarschijnlijkheid» van agressief gedrag jegens anderen. Volgens de onderzoekers is er gecontroleerd voor agressief gedrag in het verleden, kinderverwaarlozing, gezinsinkomen, geweld in de woonbuurt, opleidingsniveau van de ouders en geestesziekten. Kinderen van gemiddeld veertien jaar die per dag meer dan drie uur televisie keken bleken aanzienlijk meer geneigd te zijn tot agressief gedrag dan kinderen die slechts een uur of minder keken.

Walma van der Molen: «Het is lastig een lineair verband aan te tonen tussen veel televisie kijken in het algemeen en agressief gedrag op latere leeftijd. Het artikel in Science had een enorme impact, maar ik vind het vrij summier, terwijl het toch gaat om een omvangrijk onderzoek. Er zijn veel vraagtekens bij te zetten. Men zegt wel dat er gecontroleerd is voor allerlei achtergrondvariabelen, zoals sociaal-economische status, maar het hoe en wat is niet gedetailleerd terug te vinden. En er is niet gekeken naar het soort televisieprogramma’s die bijgedragen zouden kunnen hebben aan de agressie op latere leeftijd.

Dit onderzoek gaat wel verder dan andere studies, die vaak niet méér inhouden dan kinderen naar een gewelddadige film laten kijken en na afloop hun spelgedrag analyseren. Zo blijft onduidelijk of kinderen werkelijk agressief zijn of gewoon opgewonden. Gaat het om fantasiespel of agressief gedrag? Leidt het fantasiespel tot agressiviteit in het echte leven op latere leeftijd? Het mechanisme dat eventueel achter agressief gedrag zit, wordt nog steeds niet blootgelegd. Hoe komt het dat geweld op tv leidt tot meer agressie later in het leven?

Er zijn zoveel voorwaarden. Die kunnen liggen in de persoonlijke sfeer: karaktereigenschappen die veroorzaken dat je sneller dingen overneemt; de vraag of je in het gezin veel tegenvoorbeelden hebt of niet; of je een jongen of een meisje bent; opleidingsniveau van de ouders. Speelt het afnemen van sensitiviteit een rol? Of imitatie? Een combinatie? Allemaal processen die moeilijk te onderzoeken, maar juist interessant zijn. Als je de bulk literatuur hierover bekijkt, dan is men het er in het algemeen over eens dat gewelddadige beelden waarschijnlijk wel een klein effect hebben.»

Dat is wel erg voorzichtig gesteld.

«Terecht. In de wetenschap kun je vaak niet van die keiharde uitspraken doen.»

En minister Heinsbroek? Borrelpraat?

«Bij een politicus kan ik me voorstellen dat het een kwestie is van gemakkelijk scoren. De minister zegt dat er helemaal geen controle is op geweld op televisie. Dat is niet waar. Nog niet zo lang geleden is de kijkwijzer ingevoerd en die werkt redelijk goed. Er zijn regels. Als een film bijvoorbeeld een code krijgt voor twaalf jaar en ouder, mag hij niet voor acht uur ’s avonds worden uitgezonden. Wat wil je nog meer? Allerlei dingen verbieden is censuur en het lijkt mij ook onhaalbaar. De minister heeft zijn huiswerk niet goed gedaan.»

Dat wil niet zeggen dat de Nederlandse televisie een oase van rust is wat betreft geweldsfilms en -series. Walma van der Molen is geschokt door een serie als Xena: Princess Warrior, te zien op de vroege avond bij Yorin. «Ik heb een aflevering gezien waarin Xena in de arena wordt gegooid en door gemaskerde mannen met grote knotsen wordt afgetuigd. En dan heeft ze geen schrammetje. En ze is niet bang. Dit is nou zo’n serie waar kinderen opgewonden en mogelijk agressief van kunnen worden.»

De psycholoog benadrukt het belang van inhoudsanalyse: «De context van het geweld is cruciaal voor het effect dat het sorteert. Vergelijk de actieserie The A-Team met het Journaal. In de jaren tachtig richtte de kritiek op deze serie zich op het feit dat geweld voor de helden een geoorloofd middel was om hun doel te bereiken. Maar je zag de negatieve gevolgen van het geweld niet. En eigenlijk is het, als het gaat om agressie, erger als je de doden en het bloed en de ellende niet ziet. Stel dat een kind in zijn omgeving weinig goede tegenvoorbeelden heeft, dat de ouders hem niet leren omgaan met zijn frustraties en dat hij drie uur per dag alleen maar naar dit soort dingen zit te kijken zonder dat de negatieve gevolgen van het geweld worden getoond, de angst en pijn bij het slachtoffer. Dan kan dit soort televisie bijdragen aan agressief gedrag. Terwijl je als de nare gevolgen van geweld wél worden getoond, zoals in het Journaal, juist eerder emotionele effecten aantreft.»

Een oude Mexicaan zegt in The Wild Bunch: «We dromen er allemaal van om weer een kind te zijn — zelfs de slechtste onder ons. Misschien juist de slechtste.» De wijze grijsaard refereert niet alleen aan de mogelijkheid dat er toch iets goeds zit in alle mensen. Ook spreekt hij de kijker toe: neem deze mythologische western serieus, maar vergeet niet hoe het is om een kind te zijn. Sterker nog, de moderne geweldsfilm is niet besteed aan wie niet net als Pike en zijn wilde cowboys en de spelende kinderen kan gieren van de lach.

Het vermogen een kind te zijn is belangrijk. Steeds vaker neemt de geweldsfilm de vorm aan van een klassiek sprookje, in het horrorgenre, maar ook in toenemende mate in thrillers en sciencefictionachtige superheldfilms. Zoals Karin Spaink enkele jaren geleden opmerkte in een openingsrede op een congres over filmgeweld: «Horror en thrillers vervullen op cultureel niveau precies dezelfde functies als sprookjes. Het zijn eigenlijk sprookjes voor volwassenen. Het zijn genres waarin de angsten en obsessies van een cultuur worden verbeeld, waarin verboden onderwerpen via omzwachtelde beelden alsnog worden aangesneden, en waarin manieren worden verzonnen om taboes te doorbreken, te hanteren en teniet te doen.»

Ter ondersteuning van haar pleidooi refereerde Spaink aan het werk van de freudiaanse kinderpsycholoog Bruno Bettelheim, die eind jaren zeventig de waarde van sprookjes voor de ontwikkeling van kinderen analyseerde in The Uses of Enchantment. Charles Dickens, schrijft Bettelheim, hekelde mensen die sprookjes willen verbieden omdat sprookjes angstwekkende, realistische vertellingen zouden zijn van bijvoorbeeld een wolf die een meisje opeet. Bettelheim: «Dickens begreep dat de beeldspraak in sprookjes kinderen beter dan andere soorten verhalen helpt bij hun moeilijkste, doch meest bevredigende taak: het bereiken van een meer volwassen bewustzijn en het scheppen van orde in de chaos van het onderbewustzijn. De personages en gebeurtenissen in sprookjes illustreren innerlijke conflicten, maar ze suggereren ook subtiel hoe deze op te lossen, en wat de volgende stap in de richting van een hogere menselijkheid kan zijn.»

Typisch is dat empirische onderzoekers naar mediageweld weinig op hebben met analyses als die van Bettelheim. Wetenschappelijk is nooit aangetoond dat geweldsfilms «waardevol» kunnen zijn door het catharsiseffect bij de kijker. Dit verbaast niet. Immers, het is on waarschijnlijk dat de waarde van iets ongrijpbaars als kunst valt vast te stellen op grond van objectieve bevindingen. En daar gaat het nu juist om: kunst is cruciaal, ook voor kinderen. Juist voor kinderen, constateert Bettelheim.

In navolging van Dickens en Bettelheim kan worden gesteld dat het niet alleen bij sprookjes, maar bij alle kunst gaat om een «bevredigende taak», om het scheppen van orde in de chaos van het onderbewuste. De geweldsfilm is niets anders dan een reflectie van chaos — in het karakter van een personage, maar ook in de maatschappij. James Camerons film The Terminator is beide: een technosprookje waarin een mechanisch monster jacht maakt op Sarah Connor binnen de context van de losgeslagen, door industrieel kapitalisme gedreven consumptiemaatschappij; maar ook toont de film het proces van sociale bewustwording bij Sarah: ze ontwikkelt zich van een oppervlakkig serveerstertje tot een wereldverbeteraar.

De film creëert een landschap waarin het onder bewuste van de kijker vorm krijgt: angst voor patriarchale overheersing, voor verkrachting, voor castratie, angst te worden verzwolgen door de almaar technologischer wordende samenleving. En angst voor geweld. In een scène stapt de Terminator een winkel binnen en «koopt» een arsenaal aan vuurwapens alvorens hij de eigenaar in koelen bloede doodschiet. Het betreft hier Schwarzenegger, maar de scène had net zo goed een klein berichtje over gun control kunnen zijn op pagina 3 van een plaatselijke krant.

Voor Karin Spaink zijn horrorfilms — daar is The Terminator een variant van — «geen leerschool in geweld», maar «oefeningen in sublimatie». Inderdaad, het bloed op het scherm reikt diep — geweldsfilms zijn waardevol. Het esthetische geweld in werken als The Terminator is zelden zinloos. Hiervoor zorgt de erfenis van Bloody Sam, die voortleeft in de heroic bloodshed-films uit Hong Kong, Quentin Tarantino’s postmodernistische geweldsepossen en in nieuwe Europese sociaal-realistische geweldsfilms als de feministische wraakfantasie Baise-Moi.

De in deze genres vaak geïmiteerde lyriek van Sam Peckinpahs films — in slowmotion laten zien hoe een kogel een lichaam treft, er een rood gat in maakt en bloed laat spuiten — heeft zijn oorsprong in de Tweede Wereld oorlog. De Amerikaanse marinier Peckinpah bevindt zich in een rijdende trein in China. Naast hem wordt een Chinese nationalist doodgeschoten. Biograaf David Weddle beschrijft het effect van het incident op de marinier: «Peckinpah ontdekte toen het eeuwige moment: de wijze waarop een traumatische gebeurtenis zich als het ware uitrekt, hoe de mens het leven juist op het moment van sterven het beste kan voelen, zelfs met een vreemd gevoel van blijdschap.»