De Surinaamse decembermoorden

Bloed voor de revolutie

Deze week besloot zowel Suriname als Nederland alsnog over te gaan tot vervolging van de daders van de decembermoorden. Wat gebeurde er nu precies op 8 december in Fort Zeelandia? Het kersverse alibi van Desi Bouterse blijkt in elk geval flinterdun.

Enkele weken geleden overleed in zijn woning te Utrecht de Surinaamse ex-minister Jan Sariman. Sariman was verwikkeld in een schandaal rondom drie ton verdwenen subsidie voor minderhedenbeleid die hij in eigen zak zou hebben gestoken. Hij stond op het punt voor de Haagse rechter te worden gedaagd. Om verdere schande te voorkomen zou hij de hand aan zichzelf hebben geslagen

Dat laatste wenst niet iedereen in de Surinaamse gemeenschap te geloven. De mofo koranti, de «gesproken krant», de onmetelijke batterij aan roddel en achterklap die wel de snelste nieuwszender van Paramaribo wordt genoemd, legde zich niet neer bij zoveel toeval. Sariman staat namelijk in de eerste plaats bekend als de auteur van het belangrijkste ooggetuigenverslag van de decembermoorden van 1982, de nationale schandvlek van Suriname die heden — aan de vooravond van de 25ste verjaardag van de Surinaamse onafhankelijkheid — weer volop in de schijnwerpers staat. Met Jan Sariman stierf een kroongetuige die de dag van de door velen zo vurig gewenste veroordeling van ex-dictator Desi Bouterse als meervoudig moordenaar een stuk dichterbij had kunnen brengen. Zijn overlijden, zelfmoord of niet, kwam de verdrukte Bouterse in elk geval niet ongelegen.

Sariman was minister van Landbouw en Visserij ten tijde van de decembermoorden. Kort na de slachtpartij trad hij af, om naar Nederland te vluchten. Daar publiceerde hij in 1983 bij uitgeverij Het Wereldvenster De decembermoorden in Suriname, verslag van een ooggetuige. De ervaren politicus, naar eigen zeggen met de dood bedreigd door de legerleiding, publiceerde het boek anoniem. In zijn voorwoord meldde de schrijver zich «uit lijfsbehoud in anonimiteit te hullen, omdat mijn rol in het huidige Suriname nog steeds niet is uitgespeeld»

Niet Sariman zelf was de oog getuige uit de titel van zijn boek, maar zijn goede vriend Roy Horb, de grote held van de «revolutie van sergeanten» van 25 februari 1980. Direct na slachting van december hield Horb het voor gezien met de actieve dienst en stortte hij zijn hart uit bij Sariman, die van zijn verklaringen over de decembermoorden en de voorgeschiedenis ervan een uitgebreid verslag opnam in zijn dagboek. Die notities vormden de ruggengraat van Sarimans boek.

Roy Horb was lange tijd de belangrijkste secondant van bevelhebber Bouterse. Zelf had hij ook het nodige bloed aan zijn handen. Zo was hij verantwoordelijk voor de standrechtelijke executie van medeofficier Wilfred Hawker, een der deelnemers aan de tegen Bouterse gerichte coup van maart 1982. Sergeant-majoor Hawker, alias De Bikkel, was net als Horb lid van de legendarische Groep van 16, het militaire machtscentrum van Bouterses zogeheten groene revolutie, maar besloot uiteindelijk tot een poging de grote roerganger te liquideren. Samen met luitenant Surendre Rambocus voerde Hawker een staatsgreep uit die maar op het nippertje kon worden afgeslagen.

Direct na zijn mislukking werd Hawker gedwongen in zijn ondergoed langs de opgestelde troepen te paraderen, waarna Horb hem eigenhandig executeerde; een gebeurtenis die op de Surinaamse televisie werd uitgezonden en die de trieste voorbode van nog meer gruwelen bleek te zijn. Hawkers strijdgenoot Rambocus werd opgesloten en zou een van de vijftien slachtoffers van december 1982 worden.

Uiteindelijk bekocht Horb het grote avontuur zelf ook met de dood. In ongenade gevallen bij Bouterse die in hem een CIA-agent begon te zien, eindigde ook zijn leven in Fort Zeelandia, alwaar hij op 3 februari 1983 — dertig jaar oud — bungelend aan het koord van zijn sportbroek in de gevreesde Devil-strafbarak van de Militaire Politie levenloos werd aangetroffen. Volgens de officiële verklaringen van de legerleiding betrof het ook hier zelfmoord. Maar dat werd toen al door helemaal niemand geloofd. Een nagelaten notitie van Horb aan Sariman liet dienaangaande ook weinig ruimte voor illusies: «Als ik mocht doodgaan bij een verkeersongeluk, door verdrinking of wat dan ook, weet één ding: ik ben vermoord. Vermoord door Desi en zijn bende.»

Hoe de decembermoorden precies in hun werk zijn gegaan, staat in alle morbide details te lezen in Verslag van een ooggetuige. De voorgeschiedenis eveneens. De kiemen voor de haat die tot de slachtpartij leidden, werden volgens Horb gelegd in oktober 1982, de maand waarin Desi Bouterse de trotse gastheer was van premier Maurice Bishop van Grenada. Bouterse was een paar maanden eerder op bezoek geweest bij Fidel Castro en raakte steeds meer gefixeerd op het idee het postrevolutionaire Suriname om te vormen tot een volksrepubliek naar Cubaans model. Maurice Bishop, al evenzeer een revolutionaire hardliner (ook hij stierf uiteindelijk door toedoen van medestrijders), liet zijn gastheer in Paramaribo echter weten niet bijster onder de indruk te zijn van het revolutionaire élan aan de Suriname rivier. «Revolutie is geen tuinfeest met thee en whisky», zo sprak Bishop in zijn roemruchte speech. «De Surinaamse revolutie is te vriendelijk. De reactionaire krachten zijn te sterk. Je zal de krachten die niet voor je zijn, moeten elimineren, anders zullen ze jou elimineren.» Zijn gebeden zouden snel worden verhoord

Bishop kwam vooral tot zijn hardvochtige oordeel omdat zijn Surinaamse bezoek van alle kanten werd gesaboteerd. De grootste vakcentrale, de Moederbond onder leiding van Cyrill Daal, greep het bezoek van Bishop aan voor een stakingsgolf, met als doel direct herstel van de democratie. Die stakingen misten hun effect niet. De ministerraad was gedwongen Bishop ’s avonds bij kaarslicht te ontvangen omdat de elektriciteit door de stakingen was platgelegd.

Een bittere pil voor Bouterse was dat de stakingsgolf ook de Universiteit van Suriname trof. Daar was Gerard Leckie, de decaan van de sociaal-economische faculteit, de drijvende kracht achter het verzet

Groot is de vernedering wanneer Daal op 31 oktober 1982, de dag dat Bouterse speciaal ter ere van Bishop een massameeting belegt in fort Bomika, op het terrein van de Moederbond een bijeenkomst organiseert die aanzienlijk meer volk trekt dan de Bouterse & Bishop-show. De Moederbond maakt slim gebruik van het speciaal ter gelegenheid van het bezoek van Bishop gratis ter beschikking gestelde openbaar vervoer. Daal houdt tijdens het evenement de stakers voor door te gaan met de acties totdat de democratie is teruggebracht. Daals uitzinnige speech tot de massa’s («Militairen terug naar de kazerne, alle macht terug naar het volk!») wordt door de plaatselijke radio ABC van zakenman André Kamperveen live doorgestraald. De legerleider is not amused. Hij belooft het Daal «contant» betaald te zetten. Het «wisselgeld» mag hij houden.

Daals offensief is in belangrijke mate geïnspireerd door het proces tegen de coupplegers van maart 1982, dat diezelfde maand plaatsvindt. In hun verdedigingsreden ten bate van Rambocus c.s. houden de advocaten lange betogen waarin zij stellen dat de beschuldiging als zouden Rambocus en Hawker het wettige gezag omver hebben willen werpen, op niets berust daar de sergeantencoup van 1980 zelf als onwettig moet worden gezien.

De zittingen van het proces lopen uit op ware demonstraties tegen het regime Bouterse. De betrokken advocaten — Harold Riedewald, Eddy Hoost en Kenneth Gonsalves — maken zich zo niet geliefd bij het Militair Gezag. Ook de ambassadeur van Cuba in Paramaribo, Osvaldo Cardenas, ziet met lede ogen aan hoe het proces-Rambocus uitgroeit tot «een regelrecht anti-regeringstribunaal», zoals hij schrijft in zijn boek De revolutie van sergeanten (1986). Cardenas, orthodox marxist, bestrijdt de verhalen als zou Suriname anno 1982 tjokvol revolutionaire Cubaanse strijders hebben gezeten. Direct na de decembermoorden deed zelfs het verhaal de ronde dat de moordpartij zou zijn uitgevoerd door speciale Cubaanse eenheden. Er zouden honderden Cubanen rondlopen in Paramaribo. Cardenas bestrijdt dat fel. Volgens hem waren er dat jaar hoogstens twaalf Cubaanse adviseurs aanwezig in Suriname. Bovendien wijst Cardenas de moordpartij van december 1982 van de hand als «een emotionele en irrationele reactie».

Het relaas van de Cubaanse ambassadeur wordt bevestigd door een onverdachte bron als Wilfred Lionarons, de gewezen hoofdredacteur van de Weekkrant Suriname, die als voorzitter van het Surinaamse bedrijfsleven en directeur van de krant de Vrije Stem in het Suriname van 1982 als een «contrarevolutionaire» kracht werd gezien. Lionarons stond zelf ook op de dodenlijst maar ontsnapte aan executie omdat hij in december 1982 een congres over de economische ontwikkeling van het Caribisch gebied bezocht in Miami. Lionarons: «Het aantal Cubanen in Suriname ten tijde van de decembermoorden was niet meer dan een handjevol. Ik kende ze wel. Het waren aardige, idealistische mensen, zeker geen beroepsmoordenaars. Dat Cuba direct betrokken was bij de decembermoorden is dan ook een indianenverhaal.»

Ook gewezen Moederbond-medewerker Romeo Hoost, neef van de in december 1982 vermoorde advocaat Eddy Hoost en samen met Rob Wijngaarde de drijvende kracht achter de vervolging van Desi Bouterse in Nederland, ziet geen grote Cubaanse vinger in de decembermoorden. Hoost: «Tot aan december 1982 was er weinig te merken van Cubaanse invloed in Suriname. Pas na de decembermoorden, toen Bouterse helemaal in een internationaal isolement terecht was gekomen, werd die Cubaanse invloed groter. Bouterse was toen wel op ultralinks aangewezen. Zo begon hij toen avances richting Khadafi in Libië te maken, totdat de Franse regering, bezorgd over terroristische acties tegen het ruimtestation in Frans-Guyana, daar een eind aan maakte. Bouterse had simpelweg geen alternatieven meer. Die Cubaanse periode heeft alles bij elkaar toch maar kort geduurd. Nog niet eens een jaar.

In 1983 kwam er een Braziliaanse generaal langs in Suriname die Bouterse te verstaan gaf dat het afgelopen moest zijn met de Cubaanse aanwezigheid in Suriname. Zo niet, dan was Brazilië over gegaan tot invasie van Suriname — daar kwam het dreigement op neer. Dat was gelijk het einde van Bouterses flirt met Fidel.»

Roy Horb is tijdens het bezoek van Maurice Bishop aan Paramaribo niet van de partij. Hij bevindt zich in Pittsburgh in de Verenigde Staten, bij de Surinaamse ex-president Chin A Sen. Het is een bezoek dat Bouterse later zal omschrijven als Horbs eerste toenadering tot de CIA. Horb ziet in dat de acties van de Moederbond Bouterse tot het uiterste hebben getart en stelt voor dat hij zelf een bemiddelingspoging doet tussen Daal en het Militair Gezag. Daal, dankbaar voor de uitgestoken hand, aanvaardt gretig. Omdat de veiligheid van de charismatische vakbondsleider zijns inziens gevaar loopt, laat Horb Daal bewaken door zijn eigen lijfwacht. Toenmalig Moederbond-medewerker Romeo Hoost: «Het was uiteindelijk maar de vraag waar die bewaking voor diende: bescherming van Daal of hem 24 uur per dag onder controle te kunnen houden. De lijfwachten weken nooit van Daals zijde. Op een gegeven moment waren ze bekend met zijn hele leefpatroon, inclusief de adressen van zijn vele minnaressen. Die kennis zou Bouterse goed van pas komen toen Daal op 7 december moest worden gearresteerd.»

Hoewel Horb snel overeenstemming vindt met Daal en diens adviseur André Haakmat (tevens raadsman van de militairen), wil Bouterse van geen akkoord weten met de muitende vakbeweging. Ook Fred Derby, de invloedrijke leider van de vakbond C-47, krijgt geen poot aan de grond met zijn pogingen Bouterse te paaien voor een teruggang naar de oude democratische verhoudingen. Horb in het boek van Sariman: «Bouterse toonde zich geen voorstander van overleg en vond dat Daal reeds te ver was gegaan, gesteund door anti-revolutionairen. Bovendien vond hij praten een zeker gezichtsverlies voor het Militair Gezag.»

Een maand later, op de avond van 7 december 1982, realiseert Horb zich dat het zijn bevelhebber helemaal niet om een akkoord is te doen. Bouterse zint op wraak. Die avond vergadert in Fort Zeelandia een gezelschap dat Horb «de bloedraad» noemt: naast Bouterse en Horb zijn aanwezig de alom gevreesde commando Paul Bhagwandas, de militair Badrissein Sital, Errol Alibux, de latere premier van Suriname en minister Harvey Naarendorp van Buitenlandse Zaken. Horb krijgt te horen dat reeds is besloten 22 contrarevolutionairen «op te halen en op te sluiten». Bouterse spreekt volgens Horb over een «draaiboek» dat reeds klaarligt. «Wij hebben het draaiboek in het uiterste geheim voorbereid omdat absolute geheimhouding moest worden gewaarborgd. Slechts vijf mensen waren hierbij betrokken». Horb krijgt van Bouterse het dringende bevel aan de actie mee te doen: «Wij nemen aan dat u nog steeds de revolutie dient». Horb tegenover Sariman: «Ik wist dat een verkeerd woord mijn directe dood zou betekenen, voelde een vreselijke woede opkomen en begreep dat Bouterse daarop wachtte.»

Gelaten hoort Horb de lijst namen aan van de mannen die die avond de prooi van het leger zullen vormen. Paramaribo staat op het punt in Nacht und Nebel onder te gaan. De avondklok van Paramaribo is ingegaan. De militaire eskaders kunnen hun werk in prettige anonimiteit doen. Een voor een worden de Surinaamse «staatsvijanden», voor zover aanwezig, van hun bed gelicht en naar Fort Zeelandia overgebracht. In totaal gaat het om zestien arrestanten. Slechts een van hen, vakbondsman Fred Derby, zal het verblijf in Fort Zeelandia kunnen navertellen.

Synchroon aan de arrestatiegolf trekken de militairen een spoor van vernieling door de stad: de gebouwen van de Moederbond, radio ABC, en de redactie van Lionarons’ De Vrije Stem worden in brand gestoken. De uitgerukte brandweerlieden worden door militairen tegengehouden.

In zijn latere verklaringen over de decembermoorden heeft Bouterse altijd willen doen geloven dat zijn slachtoffers bezig waren met een complot. «Het was hen of ik», verklaarde hij meermalen. De vijftien geëxecuteerden zouden handlangers zijn van een door de Verenigde Staten en Nederland geplande tegencoup. In werkelijkheid ging het die achtste december om een gezelschap uiterst verschillend denkende individuen die zeker geen eenduidige ideeën hadden over de toekomst van Suriname, laat staan in nauwe samenwerking stonden om de dictatuur omver te werpen. Daartoe waren er alleen al bezwaren van praktische aard. De militairen onder de slachtoffers, Rambocus en Jiwansingh Sheombar, verbleven al enkele maanden in de gevangenis van Fort Zeelandia en hadden geen contact met de buitenwereld. Ook politiek verschilden de leden van de veronderstelde coupgroep hemelsbreed van elkaar. Zo was het ondenkbaar dat journalist Bram Behr, oprichter van de Communistische Partij van Suriname, met een grote sympathie voor het Albanese model, zou sympathiseren met de gematigde politieke ideeën van zijn veronderstelde medecouppleger Kenneth Gonsalves, deken van de Surinaamse Orde van Advocaten. Onder de zestien gearresteerden zaten ook juist heel toegewijde Bouterse-fans van het eerste uur. Journalist Jozef Slagveer bijvoorbeeld, die een niet geheel onbelaste bekendheid had als presentator van een berucht tv-programma waarin het Militair Gezag met ongegeneerd bruut geweld vormgaf aan de «heropvoeding» van «criminelen». In zijn boek De nacht van de revolutie had Slagveer zich juist een radicale revolutionair in de lijn Bouterse getoond. «Het bloed dat gevloeid is, moge niet alleen een prikkel zijn tot vernieuwing, maar ook een waarschuwing aan allen die geen inhoud wensen te geven aan die vernieuwing», schreef Slagveer.

Weer is het Horb die door zijn bevelhebber met de smerigste klusjes wordt belast. Het is zijn taak bekentenissen over de cia/bvd-coup los te krijgen. Bij Slagveer en Kamperveen krijgt de majoor de benodigde respons. De volgende morgen, op 8 december, worden hun «bekentenissen» voorgelezen op radio en televisie. Bij de andere arrestanten is meer pressie vereist, veel meer pressie.

Bouterses «bloedraad» komt die dag weer bijeen. Errol Alibux, lid van de bloedraad namens de even extreme als kleine Palu-partij, eist harde maatregelen: «In deze gemeenschap moet juist een zware schok worden gebracht die iedereen moet beroeren», zegt hij. Commandoleider Bhagwandas verwijst naar een eerder gemaakte afspraak om alle zestien mannen te doden. Besloten wordt tot de oprichting van een instant-tribunaal. Een voor een worden de gevangenen voorgeleid. «Dit is een operatie om de revolutie te beschermen», zegt Bouterse nog. «Hierna is er geen weg terug.»

Het grote moorden kan beginnen. Een voor een krijgen de arrestanten van Bouterse te horen dat ze ter dood zijn veroordeeld wegens «anti-revolutionaire activiteit», om dan afgevoerd te worden naar het executiepeloton. De mannen zijn dan al het slachtoffer van zware mishandelingen en foltering geweest (latere sectie op de lijken wijst dat ook uit).

In het geval van zijn aartsrivaal Cyrill Daal participeert Bouterse zelf in het martelen en doden, aldus Horb in Sarimans boek. «Terwijl Daal huilend voor hem knielde en op allerlei manieren verzocht om in vrijheid te worden gesteld, daagde Bouterse hem uit zijn grote mond open te doen en weer met dreigementen te komen. ‹Niemand bedreigt mij›, zei Bouterse. Toen Daal hierop begon te huilen zei Bouterse dat een man niet huilt en dat Daal daarom geen aanspraak maakt op een geslachtsorgaan. Hij nam een bajonet van Bhagwandas en sneed Daal ermee. Daal dreigde bewusteloos te worden. Hierop nam de bevelhebber een pistool en schoot ermee. Ik had nooit gedacht dat Bouterse ooit zo tough kon zijn.»

Ook in het geval van couppleger Rambocus, eerder dat jaar tot twaalf jaar cel veroordeeld, heeft Bouterse een persoonlijke inbreng. Horb: «Toen hij zei dat de ondergang van Bouterses regime duidelijk was ingetreden, ontstak Bouterse in grote woede. Hij greep de Browning die op tafel lag, liep Rambocus achterna die net door Bhagwandas naar het platform was gebracht. Bouterse schoot vervolgens twee maal op Rambocus. Anderen vuurden nog enkele salvo’s af. De bevelhebber kwam daarop terug naar binnen, pakte zijn zakdoek en veegde zich het voorhoofd.»

De volgende dag, 9 december, verklaarde de legertop dat er vijftien staatsvijanden «op de vlucht» waren doodgeschoten. Daarmee werd niet verklaard waarom de kogelgaten in hun lijken niet van achteren, maar van voren waren ingeschoten. Het verklaarde ook niet de tekens van foltering die bij de lijkschouwingen werden gevonden. «Nagenoeg alle lichamen vertoonden sporen van zware mishandeling in het gezicht met stompen en slagen van zware voorwerpen», aldus het rapport dat het Nederlands Juristen Comité voor de Mensenrechten (NCJM) in februari 1983 uitbracht over de decembermoorden. Deskundigen verklaar den dat «vele van de sneden in de gelaten open gebarsten wonden waren, veroorzaakt door slagen met een hard, niet te scherp, maar ook niet te stomp voorwerp, zoals een geweerkolf».

Bouterse heeft altijd ontkend persoonlijk bij de decembermoorden betrokken te zijn geweest. Wel erkende hij dat hij als legerbaas de verantwoordelijkheid draagt, maar zelf zou hij niemand hebben vermoord. Als eerstverantwoordelijke voor de uitvoering van de slachtpartij van 8 december noemde Bouterse telkens de naam van Paul Bhagwandas, hetgeen als bijkomend voordeel had dat deze inmiddels is gestorven en dus geen tegenwerpingen maakt. Voor zichzelf gaf de ex-dictator kort geleden zelfs een alibi op. Bouterse verklaarde in de avond van 8 december niet aanwezig te zijn geweest in Fort Zeelandia. Hij verbleef die avond in het huis van een bevriend politicus. Jammer genoeg voor Bouterse blijkt dat alibi flinterdun. Vakbondsleider Fred Derby, de enige van de groep arrestanten van 7 december die clementie kreeg van de bevelhebber, verklaarde daags na Bouterses persconferentie dat de moordpartij al bij vol daglicht was begonnen. Bouterse kon derhalve, zoals in Verslag van een ooggetuige staat vermeld, wel degelijk zelf deel hebben uitgemaakt van zijn doodseskader. Hij zal zijn toenmalige clementie voor «de rat» (dixit Bouta) Derby inmiddels zeer betreuren.

Hoewel zowel Horb als Sariman op het kerkhof liggen, is Verslag van een ooggetuige ook anno 2000 een document van uiterst vitale waarde. Van alle publicaties over de decembermoorden is deze de meest authentieke en meest uitgebreide. Het besluit van het Amsterdamse gerechtshof, maandag jongstleden, om tot vervolging van Desi Bouterse als brein c.q. mededader van de slachtpartij over te gaan, is voor een belangrijk deel op deze getuigenis gebaseerd. Volgens het hof vallen de decembermoorden in de categorie «misdaden tegen de menselijkheid» omdat er niet alleen is gemoord, maar ook gefolterd, planmatig, met het doel angst te zaaien in de gehele Surinaamse samenleving

De cliënt van mr. A. Moszkowicz heeft zich naar verluidt verscholen in de Surinaamse jungle, wachtend op betere tijden. Inmiddels heeft de Surinaamse regering mr. Gerard Spong ingehuurd als speciaal adviseur. Spong, geboren en getogen in Suriname en een goede vriend van de vier vermoorde advocaten, blaakt van zelfvertrouwen

Het einde van Desi B. als politieke machtsfactor nummer één in Suriname lijkt nu dan toch echt in zicht.