Bloedarmoede

Het saison van de Amsterdamse galeries begon vorige week, altijd interessant. De galeriesector is als de autohandel een indicator voor de staat van de economie, welnu, de grote namen zijn er nog, en er zijn aardig wat kleine namen bij gekomen, so far so good.

Wat zij tonen is vers twee. Het is te begrijpen dat nogal wat galeries op veilige paarden wedden, mensen die al enige tijd vertrouwd klinken. David Jablonowski, Folkert de Jong en Jan de Cock bij Fons Welters, Yael Bartana bij Annet Gielen, Elspeth Diederix bij Stigter van Doesburg. Dat is niet allemaal per se heel makkelijke kunst, maar aanstormend en onstuimig kun je dat werk nou ook weer niet noemen. Onder de andere galeries was wel wat nieuws te vinden, maar om het eens plat te zeggen: het hield niet over. Er was veel middelmatigs onder, en je begint je af te vragen of er in Nederland misschien gewoon te weinig kunstenaars met échte zeggingskracht en échte pep te vinden zijn.

Dat viel me bijvoorbeeld in bij de solopresentatie van Anne de Vries, The Oil We Eat, in Galerie Martin van Zomeren. Dat is een flinke installatie van een paar aanzienlijke sculpturen en enkele werken in lijst aan de wand. De Vries toont plakken bodem – een vierkante meter strand, een stukje bosgrond, een deel van een weggetje – waaromheen en waardoorheen dunne transparante buizen zijn gestoken en gevouwen, waarin zich een vloeistof bevindt. Vooruit: de bezoeker kan daaruit (en uit de titel) iets opmaken over de onderlinge relatie tussen natuur, consumentengoederen en afval. U zult het wellicht kunnen zien, zoals de galeriehouder wil, als ‘spel met de interrelaties tussen het materiaal en het bijproduct van subjectieve observaties’, waarmee bedoeld wordt, vermoed ik, dat wie naar de wereld als ecosysteem kijkt nooit het geheel zal kunnen zien, maar altijd in kleinere processen en kleinere observaties blijft steken.

Was The Oil We Eat nu een presentatie van enig belang, of zelfs enige power? Ik vond van niet. De ‘boodschap’ van het werk leek mij belegen. Het ensemble deed zelfs denken aan de brave installaties die je vroeger wel in wetenschapsmusea zag, leerzame doorsneden van de aarde, diorama’s met grondlagen waarin buizen met gekleurde vloeistoffen (olie! gas! water!). Ik geef onmiddellijk toe dat dat een flauwe vergelijking is – de makers van die diorama’s hielden zich niet bezig met Leibniz’ opinies over ‘het materiële’, en Anne de Vries naar eigen zeggen wel. En toch: in zijn gecompliceerde enscenering en kennelijk doordachte onderbouwing was het toch een overbodig gebaar, een krachteloos werk, alsof de analyse die eraan ten grondslag lag, Leibniz’ incluis, eigenlijk helemaal zo ver niet ging en alsof in de slag van die interesse in grond- en vloeistoffen naar een werk de verbeeldingskracht beperkt was gebleven. Vond ik.

Zo was er meer, bij die seizoensopening. Stevige ingetogen werken, maar zwijgend, bescheiden, werken ‘die zich verzetten tegen interpretatie maar wel betekenis oproepen’, zegt de galerie dan. D’r staat volgende week maar één Nederlandse galerie op de Frieze Art Fair. Dat zal zijn economische redenen hebben, natuurlijk. Of is het echt bloedarmoede?


Anne de Vries, The Oil We Eat, Galerie Martin van Zomeren, Amsterdam, t/m 4 oktober