Rusland

Bloedbad op de Dag van de Overwinning

MOSKOU – Bij het standbeeld van de Russische toneelschrijver-diplomaat Aleksandr Gribojedov (tijdens een tsaristische missie in Teheran door moslims vermoord in 1829) zit de 82-jarige oorlogsveteraan Nikolaj op een bankje vertwijfeld om zich heen te kijken. Vanaf een met vlaggen en vaandels versierd podium even verderop roept een jonge Rus in een linnen jasje, met een strohoed op: ‘Moskou gefeliciteerd! Lang leve onze veteranen!’, waarna het orkestje achter zijn rug weer losbarst en drie tieners met rode linten in hun haar beginnen te zingen.

‘Ze weten het waarschijnlijk nog niet’, mummelt Nikolaj dof, terwijl de medailles en speldjes op zijn borst als versiering in een kerstboom rinkelen.

‘Ik wil eigenlijk naar huis, maar wacht op mijn kleinzoon. Die zou me om zes uur met de auto halen. Mijn dag is verpest. Ik zag zojuist toevallig in een clubhuis die tv-beelden uit Dagestan. Ze malen maar door mijn kop.’

Moskou, donderdagochtend, negen mei. Terwijl op het Rode Plein duizenden militairen klaarstaan voor hun jaarlijkse parade langs het Kremlin en de hoofdstad zich onder een stralende zon opmaakt voor de ‘Djen Pobedy’ – De dag der Overwinning waarop de zege van het Rode Leger op Hitlers troepen wordt gevierd – ontploft zestienhonderd kilometer zuidelijker een bom.

Een militair orkestje is even voor negenen in het centrum van het Dagestaanse garnizoensstadje Kaspiisk, niet ver van de Tsje tsjeense grens, voor een lange dag in een bus komen aanrijden. Wat flesjes wodka op de achterbank voor als het optreden voorbij is. Of jongens, zullen we alvast een kelkje nemen? Grapjes, vrolijkheid: zo gaat dat op de negende mei, Ruslands belangrijkste nationale feestdag.

Amper een uur later, om 9.45 uur, wanneer de muziekkapel, toegejuicht door omstanders en aangeklampt door kinderen met luchtballonnen, langs een stel armetierige Chroesjtsjov-woningen trekt, verandert de straat in een zwarte hel. De beelden van daarna zijn bekend: uiteengescheurde lijken, trompetten en waldhoorns, weggeslingerd in grote plassen bloed. Zeker 34 doden, onder wie twaalf kinderen, en meer dan honderdvijftig gewonden.

‘Ik zal het tuig dat deze daad op zijn geweten heeft opsporen, vervolgen en straffen’, beloofde president Vladimir Poetin even later tijdens een sobere receptie met veteranen op het Kremlin.

Kort daarop belegde hij met zijn ministers spoedberaad en nog dezelfde middag stapte de directeur van de nationale veiligheidsdienst FSB, Nikolaj Patroesjev, op het vliegtuig naar de Dagestaanse hoofdstad Machatsjkala. Het fraaie vuurwerk die avond en andere festiviteiten werden evenwel niet afgelast.

Het was niet de eerste keer dat Poetin de vernietiging van het ‘terroristentuig’ (lees: de Tsjetsjeense moslimrebellen) profeteerde. In het najaar van 1999, toen driehonderd doden waren gevallen bij de ontploffing van twee flatgebouwen in Moskou, beloofde Poetin de daders ‘desnoods tot in het schijthuis’ te achtervolgen. Kort daarop stuurde hij troepen richting Grozny, en begon de zogeheten ‘Tweede Tsjetsjeense Oorlog’.

Inmiddels zijn we ruim drieduizend gedode Russische soldaten en tienduizenden slachtoffers onder de burgerbevolking in de afvallige Kaukasusrepubliek verder. Tijdens zijn jaarlijkse toespraak voor de beide kamers van het parlement verklaarde Poetin vorige maand dat de militaire fase van het conflict in Tsjetsjenië ‘nu als voorbij’ kan worden beschouwd.

Het was een leugen, of op zijn minst: een zwaar vertekend beeld van de werkelijkheid. Cynisch genoeg liepen dezelfde dag zeventien Russische militairen in een hinderlaag en verloren daarbij het leven. Nota bene in de hoofdstad Grozny, die Moskou al tijden zegt volledig onder controle te hebben.

Commentator Jackson Diehl suggereerde onlangs in de Washingon Post dat Poetin op dit moment in Tsjetsjenië precies aan het uitvoeren is wat de Israëlische premier Ariel Sharon droomt te doen op de Westbank en in de Gazastrook – als hij van de wereld de vrije hand zou krijgen.

Maar daar waar het optreden van Sharon nauwlettend in de gaten wordt gehouden en bekritiseerd, lijkt de ‘moslimvechter’ Poetin na de aanslagen van 11 september nog meer carte blanche te hebben gekregen dan voorheen. Hij heeft zich immers loyaal getoond aan Washington in zijn strijd tegen al-Qaeda en Bin Laden, en zelfs toegestaan dat de Amerikanen in voormalige sovjetrepublieken als Oezbekistan en Georgië militaire bases konden oprichten.

Hoezo militaire fase voorbij? Van de ruim zeventigduizend Russische troepen die er op dit moment in Tsjetsjenië zijn gestationeerd, sneuvelt nog dagelijks een onbekend aantal. Voorts is er een stroom van berichten over schoonmaakacties van Russen in Tsjetsjeense dorpen; van moord, mishandeling en verkrachting.

De vorige maand bij een helikopterongeluk in Siberië omgekomen generaal b.d. Aleksandr Lebed had in 1996 de moed om met de Tsjetsjeense rebellen te onderhandelen en een vredesakkoord te sluiten. Een vernederende vrede voor het Kremlin, maar niettemin een vrede.

Poetin zou Lebed, bij wiens begrafenis in het Moskouse Jonge Maagdenklooster hij vorige week aanwezig was, eren door opnieuw een onderhandelingsmissie naar Grozny te sturen, want de oorlog is uitzichtloos en simpelweg nooit te winnen. De krachtige taal van Poetin eergisteren voor het oog van de geschokte natie is begrijpelijk. Maar soms kan een overwinning alleen maar worden behaald door het failliet van de huidige politiek te erkennen.