De geweldsorgieën in fictieseries

Bloedbaden zonder aftiteling

De westerse film- en fantasy-cultuur is doordesemd van cynisme, van pakken wat je pakken kunt zonder enige moraal, desnoods met een bijl of mitrailleur. Zo is het leven om ons heen immers ook. Maar waarom kunnen wij de onthoofdingen van IS dan niet aanzien?

Allerwegen klinkt de roep om censuur luider dan lang het geval was. Met name als het gaat om zaken die met discriminatie en racisme te maken hebben of met seksuele intimidatie en seksueel geweld. Zeker als het gaat om pedofilie, hoe lang het misdrijf of vergrijp ook geleden is, en hoe vaag de term ook wordt gehanteerd. Maar ook politieke of religieuze kwesties zijn steeds vaker inzet van protesten, of aanleiding om debatten over bijvoorbeeld abortus of Israël onmogelijk te maken. Mensen die Israël of een ‘pro life’-standpunt verdedigen worden als ‘vijanden’ beschouwd die geen recht hebben om hun bijdrage te leveren in debatten, ook niet als deze in academische kring plaatsvinden.

In Groot-Brittannië loopt men in deze nieuwe culture wars voorop, en het is niet langer alleen de tabloidpers die via naming and shaming alle mogelijke verdachten van pedofilie aan de publieke schandpaal nagelt, of voorkomt dat veroordeelden die hun straf hebben uitgezeten ergens in een buurt een woning kunnen betrekken. Dit hebben we in Nederland de afgelopen jaren ook gezien, in Eindhoven, Leiden en in Deventer waar demonstranten rondliepen met een spandoek: ‘Wij trekken een grens: een pedo is geen mens’.

In Engeland heeft de heksenjacht van bladen als The Sun zich nu tegen het blad zelf gekeerd. Onder intellectuelen, zoals studenten, is dit jaar een grote petitieactie gestart om het blad te dwingen op te houden met de roemruchte pagina 3, waarop de dame met de blote borsten staat. Volgens de meestal jonge actievoerders zet deze Page Three aan tot verkrachting. Zij eisen ook dat alle eerstejaarsstudenten op hun eerste college uitleg krijgen over verkrachting en zo leren wanneer zij met hun ‘date’ de grens passeren.

Het opmerkelijke aan de cultuuroorlog in Engeland is dat er een monsterverbond is ontstaan tussen zichzelf progressief noemende studenten en de autoriteiten. Zowel de regering als de politie gaat intussen geen maatregel te ver om vermeende pedofielen aan te pakken, met steun van de bbc. Ongetwijfeld gealarmeerd door de postuum bekend geworden activiteiten van ‘het seksuele roofdier’ Jimmy Savile, bijna een halve eeuw lang de populaire entertainer van de bbc, aarzelde de politie afgelopen zomer niet om met een overmacht van helikopters en politiewagens met loeiende sirenes het huis van Sir Cliff Richard binnen te vallen, live gefilmd door de bbc, hoewel de zanger op dat moment in zijn huis in Portugal zat. De reden: een aanklacht over een onzedelijke handeling die hij meer dan een kwart eeuw geleden zou hebben gepleegd bij een minderjarige.

De socioloog Frank Furedi heeft deze overkill een vorm van ‘impression management’ door politie en bbc genoemd, sterker, een vorm van inquisitie, uit op ‘de morele vernietiging van een beroemdheid’. Het maakt een samenleving die zich toch al onveilig voelt nog onveiliger. Wat in deze kwesties werkelijkheid en fictie is, dat is na al die decennia niet zo gemakkelijk meer uit te maken, zoals het door Rolling Stone in oktober geplaatste artikel A Rape on Campus bewijst. De hoofdpersoon Jacky in de reportage bleek haar verkrachting deels of geheel verzonnen te hebben.

De sfeer van inquisitie met terugwerkende kracht hangt niet alleen in Nederland en Engeland, maar zeker ook in Amerika. De entertainer Bill Cosby kan erover meepraten, beschuldigd als hij wordt door tientallen vrouwen die beweren eind jaren zestig, in de jaren zeventig of nog daarna gedrogeerd en verkracht te zijn door dit icoon van zwarte emancipatie en succes. Het wordt een nieuwe Michael Jackson-zaak, en die ging in de kern niet alleen om pedofilie maar ook om de vraag of celebrities boven de wet zijn verheven.

Deze celebrities zijn bekend uit de wereld van entertainment en fictie. Daar wordt inzake seks nu ook ingegrepen, door de Britse minister van Cultuur, Media en Sport, Sajid Javid. Meer dan de helft van de jongeren kijkt porno op internet. De consensus onder het weldenkende deel der natie, zeker in Nederland, is dat dit niets uitmaakt: als de eerste kus gegeven moet worden is men net zo zenuwachtig als een eeuw geleden. Dat door die pornografie de seksuele praktijk veranderd zou zijn – oraal en anaal zouden nu standard procedure zijn – wordt evenmin belangrijk gevonden. In Engeland denkt men hier anders over. Minister Javid vaardigde eind november zijn ‘pornogeboden’, dat wil zeggen verboden, uit voor films van Britse makelij. Voortaan mogen acteurs elkaar niet langer afranselen, onderplassen, vernederen, ‘wurgen’, vastbinden of penetreren met iets engs, ook niet ter wederzijdse bevrediging.

Volkskrant-columniste Asha ten Broeke hekelde deze verboden als achterlijk. Onder de kop ‘Gij zult niet vuistneuken’schreef ze dat een snelle blik op de medische literatuur haar had geleerd dat er ‘niet meer dan een handvol gevallen van dood-door-vuistneuken’ te betreuren was. En het ‘gebeurt heel af en toe dat er iets scheurt (…) Heel tragisch natuurlijk maar nauwelijks reden voor dringend overheidsingrijpen.’ Ik vrees dat zij een achterhoedegevecht levert. Ook in de cultuur en de censuur waait de wind in Nederland meestal uit het westen, dus na het Zwarte Pieten-debat kunnen we onze borst natmaken voor verdergaande inperking van vrijheden, of die nu gaan om discriminatie en racisme of seksisme, religie, Israël en Gaza. Bij steeds meer omstreden onderwerpen zal de roep om censuur of verbod klinken.

Het verhinderen van een debat is intussen het geijkte middel geworden, waaraan de sociale media – Twitter voorop – een hardhandige bijdrage leveren. Zo klaagde de Britse journalist Brendan O’Neill in The Spectator dat hij ook voor debatten in Oxford en Cambridge op het laatste moment als spreker werd geweerd, omdat de studentenvakbonden niet wilden dat er iemand sprak die tegen abortus was en voor de vrijheid om religieuze scholen te stichten. Daar voelden de studenten zich ‘niet veilig bij’. Zijn conclusie weerspiegelt zich in de titel van zijn hekelstuk: Free Speech Is So Last Century: Today’s Students Want the ‘Right to Be Comfortable’. Zo hoef je nu dus maar te zeggen dat je je bij een opinie of kunstuiting – ook ‘seksistische’ popmuziek moet in Engeland worden verboden, vinden de studenten – die niet overeenkomstig je eigen smaak is ‘niet veilig voelt’ en de censuur treedt in werking. Het doet denken aan de culture wars die in de Verenigde Staten vanaf eind jaren tachtig jarenlang woedden aan vooral de universiteiten. Kunstcriticus Robert Hughes wijdde er zijn boek Culture of Complaint (1993) aan, met tal van voorbeelden. Zoals de studenten die met succes een zeventiende-eeuws schilderij van Velasquez uit de aula verwijderd wisten te krijgen omdat het een ‘seksistisch’ vrouwelijk naakt betrof.

***

Bij al die gevoeligheid, zo niet overgevoeligheid, inzake racisme en seksueel geweld tegen vooral minderjarigen, en ook tegen volwassen vrouwen, of deze nu in de werkelijkheid plaatsvinden of in fictie, is het opmerkelijk hoe stil het blijft als het gaat om al het andere geweld in de publieke ruimte of in fictie.

Maar ook dat begint te veranderen. De beroemde Midden-Oosten-correspondent van The Independent Robert Fisk vroeg zich op 12 oktober af hoe het toch komt dat jonge, goed opgeleide en geassimileerd lijkende westerlingen plotseling radicaliseren en naar Syrië afreizen. Dit komt niet doordat ze in de moskee naar radicale imams luisteren. Nee, ze radicaliseren op internet. Daar vloeien bloederige beelden van soennitische slachtoffers van Amerikaanse drone-aanvallen naadloos over in de propaganda van IS, de onthoofdingen en de overige beelden en boodschappen, in Hollywood-stijl gemaakt. De vraag is hiermee geworden: hoe kun je die online-oorlog tegen IS en haar propaganda winnen? Met censuur? Veel media zoals YouTube, Facebook en nationale massamedia verwijderden de onthoofdingsvideo’s al uit eigen beweging. Maar is dit voldoende?

cda-fractieleider Sybrand Buma lanceerde in de late zomer, in navolging van Duitsland, het plan voor een wettelijk verbod op ‘het verheerlijken van terroristische misdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid die onlangs gepleegd zijn, en die op dit moment de rechtsorde schokken’. Het gaat hem om het verheerlijken van geweld ‘in de hoop op navolging. En juist dit is op dit moment niet strafbaar.’ Het plan kwam hem direct op het verwijt te staan een ‘gedachtenpolitie’ te willen invoeren, ook omdat in zijn plan niet duidelijk is of dit verbod alleen om verbale verheerlijking gaat, of ook om beelden uit de werkelijkheid, of om gephotoshopte propagandabeelden. In het laatste geval zijn we aanbeland bij een verbod op bepaalde geweldsverheerlijkende fictie.

De vraag of het zien van geweld aanzet tot imitatie of juist louterend werkt omdat de eigen geweldsimpulsen door het zien van fictief geweld al bevredigd zijn, is een van de oudste vragen die er bestaan. Een van de grote twistpunten tussen Plato en zijn leerling Aristoteles betrof immers al de waarde van de kunst en van ‘het voorbeeld’. In de ideale staat van Plato was geen plek voor dichters en kunstenaars. Alleen door filosoferen kon de mens de onzichtbare ideeën leren kennen, waar de zichtbare werkelijkheid slechts een fletse weergave van was. Als kunstenaars daar weer een weergave van wilden maken, was die nog fletser. Dat soort kunst bracht de mens maar van het rechte pad af.

Sinds Vietnam, sinds de komst van de dvd en daarna internet, worden er in Amerika meer wapens verkocht dan ooit tevoren

Aristoteles draaide het idee om: de zichtbare wereld is het enige wat echt is, kunst is de nabootsing van de natuur, en imitatie is bovendien de belangrijkste manier om een kind kennis en vaardigheden bij te brengen. Vanaf 1960 zou de Amerikaans-Franse literatuur- en religiekenner René Girard de keerzijde van die positief geachte imitatie blootleggen. Hij herkende in bijna alle grote romans van Europese schrijvers als Cervantes, Flaubert en Dostojevski hetzelfde patroon: de hoofdpersonen imiteren onbewust de verlangens en het gedrag van anderen. Om er dan tegen het einde van het verhaal achter te komen dat hun eigen identiteit gebaseerd is op het nadoen van die ander. Met soms zelfmoord tot gevolg, zie Madame Bovary die wilde leven als de heldinnen in de kasteelromannetjes die ze las.

Dat fictie ook in de werkelijkheid soms tot zelfmoord leidt, is zo bekend dat we het nauwelijks hoeven te noemen: het zelfmoordgolfje na de verschijning van de briefroman van Goethe in 1774, Die Leiden des jungen Werthers. Uit teleurstelling over de niet beantwoorde liefde schiet Werther zichzelf door het hoofd. Het succes van de roman was even groot als de kritiek erop, van onder anderen filosoof Gotthold Lessing. Zijn kritiek: dit verhaal is immoreel, want slecht voorbeeld doet slecht navolgen. Voor de zekerheid voegde Goethe aan de tweede editie een waarschuwend gedicht toe op het titelblad. De laatste zin: ‘Sei ein Mann und folge mir nicht nach.’

De discussie over de individuele effecten van gewelddadige fictie is oud en komt zelden goed van de grond. We weten: Anders Breivik speelde zeventien uur per dag de videogame World of Warcraft voor hij naar buiten ging om op het eilandje Utøya 72 jonge ‘vijanden’ neer te maaien. Omdat Breivik in zijn dagboek ook Geert Wilders bewonderend aanhaalde, was er wel even een debatje over de vraag of Wilders medeverantwoordelijk was voor het bloedbad. Maar in het algemeen hield men zich aan de consensus dat er bij dit soort drama’s te veel variabelen in het spel zijn om de relatie tussen het zien van geweld of het spelen van gewelddadige games en de imitatie ervan als monocausaal te kunnen zien. Dat is ook logisch. Aangezien miljoenen jongeren die games spelen, zou dan elke dag een grote hoeveelheid Breiviks dood en verderf moeten zaaien.

Toch blijft het vreemd dat ons hele onderwijs, onze hele samenleving gebaseerd is op de gedachte van het goede voorbeeld. Op de vraag hoe je het juiste leven kunt gaan leiden, antwoordde Aristoteles: neem een held en probeer hem na te volgen. Dat bepleiten de grote religies sindsdien ook, en tegenwoordig heeft iedereen het over de noodzaak van ‘rolmodellen’ voor de jeugd, al denkt men dan meer aan helden als Ali B. of Lionel Messi.

***

Dat de wereld van kunst en cultuur invloed heeft op de samenleving en op de omgang tussen mensen is sociologisch een open deur, al is de discipline van de cultural studies nog maar een halve eeuw oud. In navolging van de studie De sociale geschiedenis van de kunst van de marxistische film- en kunsthistoricus Arnold Hauser (1951) ontstond vooral in Engeland, en later ook in Amerika, een stroming die de invloed van ‘de reclame’, van ‘Hollywood’ en van de ‘popular culture’ in het algemeen op het denken en doen van ‘de gewone man’ bestudeerde.

Op het Europese continent hebben vooral de Eerste Wereldoorlog en de opkomst van de nazi’s geleid tot studies naar de invloed van de werkelijkheid (de loopgraven) en de fictie op de mentaliteit van latere nazi’s. Het idee werd dat cultureel gesanctioneerde agressie georganiseerd rond een gezamenlijke vijand altijd wordt geconsolideerd in een vorm van een wijdverbreid gedeelde fantasie of mythe. En dat een maatschappelijke crisis vaak leidt tot het creëren van een vijand.

Ethel S. Person citeert in haar studie The Force of Fiction (1995) de soldaat en dichter Ernst Jünger over de periode na 1918: ‘Men vroeg ons te geloven dat de oorlog nu afgelopen was. Wij lachten – wij wáren de oorlog. Zijn vlam brandde voort in ons en verzamelde al onze acties onder de gloeiende en mysterieuze noemer van vernietiging.’ Menig historicus van het nazisme heeft de link bestudeerd tussen de frustraties en fantasieën van de latere SA’ers en SS’ers en geconcludeerd dat een wijdverbreide culturele fantasie uiteindelijk een gewelddadige, fascistische werkelijkheid schiep.

Veel later deden Amerikaanse historici hetzelfde over de verwerking van de verloren Vietnamoorlog. Zo concludeerde J.W. Gibson in Warrior Dreams (1994) dat de nederlaag in 1975 leidde tot een nieuw beeld van de heroïsche krijger als een onoverwinnelijke wreker. Films als Rambo en The Terminator zijn hiervan slechts enkele voorbeelden. Ook Gibson concludeerde dat de grens tussen ‘fantasie om de fantasie’ en ‘fantasie als voorloper van enigerlei vorm van uitvoering’ in sommige tijden dunner kan worden.

Hoe dit ook zij, feit is dat sinds Vietnam, sinds de komst van de dvd en daarna internet, er in Amerika meer wapens worden verkocht dan ooit tevoren en overal in het Westen meer oorlogsvideogames worden gespeeld dan ooit. Volgens Gibson heeft Amerika een ‘paramilitaire cultuur’ geschapen.

Wie de tsunami van fictie die de laatste jaren de Nederlandse huiskamers overspoelt bekijkt, kan niet anders dan beamen dat tamelijk zoete series als Downton Abbey een uitzondering zijn geworden. De meerderheid van de ‘hitseries’ wordt gevormd door orgieën van bloed en geweld, of het nu horror-series zijn als The Walking Dead, realistische misdaadseries als The Sopranos, The Wire, The Killing of Breaking Bad, of het genre dat lang door critici werd geminacht maar nu triomfen viert: fantasy.

Zoals historici de relatie tussen de gedroomde fantasie en de barre werkelijkheid in het Interbellum bestudeerden, zo vroeg ik me dit jaar af of er een verband bestaat tussen fantasy-series als Game of Thrones en de wereld in het Midden-Oosten, met name in dat zelfbenoemde kalifaat.

***

Na de onthoofdingen van de Amerikaanse journalisten Jim Foley en Steven Sotloff gaf president Obama op 24 september in de Verenigde Naties als reden voor de noodzaak van het ‘uitroeien van een kankergezwel als Isis’, dat ‘netwerk van de dood’ met die ‘daden van barbarij’: ‘Deze terroristen zijn uniek in hun wreedheid. Ze executeren gevangenen. Ze doden kinderen. Ze dwingen vrouwen te trouwen, verkrachten hen of maken hen tot slaaf. Ze bedreigen een religieuze minderheid met genocide.’ Bij het horen van deze barbarij dacht ik: het lijkt wel of ik naar Game of Thrones zit te kijken, de populairste serie van de betaalzender hbo van dit moment.

De snelheid waarmee westerse parlementen, ook het Nederlandse, instemden om deel te nemen aan de Coalition of the Willing en het kalifaat plat te bombarderen was verbazingwekkend. Ik kan die snelle consensus niet verklaren, behalve met de schok over de getoonde onthoofdingen, na de twee Amerikanen ook de Britse hulpverleners David Haines en Alan Henning. En het gekke is, ik ken niemand die de onthoofdingsvideo’s ook daadwerkelijk heeft gezien. Terwijl het in Game of Thrones, soms een kruising tussen een bordeel en een slachthuis, dagelijks werk is.

Of we brave burger blijven, een held willen worden dan wel misdadiger, ach, dat is een kwestie van keuze, een lifestyle eigenlijk

Het leek of de Britse premier Cameron een paar dagen na Obama’s speech in het Lagerhuis inderdaad deze link wilde leggen. Waarom moesten die ‘psychopathische terroristen die ons willen doden’ worden gestopt? Hierom: ‘This is not the stuff of fantasy – it is happening in front of us and we need to face up to it.’ Dit laatste sloeg ongetwijfeld ook op de Britse militair Lee Rigby die in mei 2013 op straat in Londen door een ‘jihadi’ met een mes werd onthoofd.

In de zombieserie The Walking Dead, al seizoenen een hit in vooral Amerika, knallen de overlevenden vrijwel permanent de oprukkende wandelende lijken neer in één grote bloederige massamoordpartij. Het is een rampenfilm waar Hollywood al een lange geschiedenis in heeft.

De vraag wat de huidige fictie op tv over onze mentaliteit in het Westen zegt is niet zo gemakkelijk te beantwoorden, maar het is een poging waard. In de ‘realistische’ misdaadseries is de duidelijke scheiding tussen goed en kwaad, tussen held en schurk, al lang opgeheven. Vrouwelijke agenten (Homeland, The Bridge) zijn vaak bipolair, mannelijke hoofdpersonen zijn zowel misdadiger als familieman (The Sopranos, Breaking Bad) of zijn gewoon seriemoordenaars in de vermomming van agent (Dexter). De grootste gemene deler in die honderden tv-series die ons elke dag ook door de kwaliteitskranten in paginagrote advertenties aanbevolen worden, is deze: er is geen buitenlandse vijand meer, de vijand bevindt zich in onze naaste omgeving, sterker, de vijand bevindt zich vaak in ons eigen hoofd. Of we brave burger blijven, een held willen worden dan wel misdadiger of seriemoordenaar, ach, dat is een kwestie van keuze, een lifestyle eigenlijk.

Waarom die vijand niet meer van buiten komt, is duidelijk. Zoals de nederlaag in Vietnam tot machogeweld leidde in de film, zo had het verdwijnen van de Koude Oorlog in 1989 ook drastische gevolgen. Men moest de vijand voortaan dichter bij huis zoeken, in huis zelfs.

***

In de fantasy is die grote verandering in de richting van het duistere, anarchistische en gewelddadige het best te zien, ook omdat er maar drie grote voorbeelden voor nodig zijn: In de ban van de ring, Harry Potter en nu dus Game of Thrones. De driedelige roman In de ban van de ring van J.R.R. Tolkien werd in de hippiejaren zestig een enorm succes in het hele Westen. Veel fans van Tolkien zagen zijn boeken als kritiek op het materialistische, egoïstische Westen. De romans, en veel later de films, laten de klassieke queeste zien van de onwaarschijnlijk goede Frodo en zijn makkers, geheel conform de ‘monomythe’ die Joseph Campbell in zijn boek De held met de duizend gezichten (1949) in bijna alle mythen in de geschiedenis ontwaarde. Frodo was naast held eigenlijk ook nog een martelaar van het goede.

In de Harry Potter-boeken, vanaf 1997, speelden Harry Potter en zijn vrienden dezelfde heroïsche rol in de strijd tegen het Kwaad. Er zijn een half miljard boeken van verkocht en het aantal bezoekers van de films zal daar niet veel voor onderdoen. In beide fantasy-klassiekers wordt er door de protagonisten wel getwijfeld en geworsteld, maar is het glashelder wie de held is, wie de schurk, en dat het goede uiteindelijk zal overwinnen.

Zo niet in de op de boeken van de Amerikaanse schrijver George R.R. Martin gebaseerde tv-serie Game of Thrones, na ook al rauwe series als Rome en de Borgia’s misschien wel de meest rauwe serie van dit moment, deze keer over de oorlogen die de zeven koninkrijken in wat de Middeleeuwen moeten zijn met elkaar voeren. De serie is soms niet alleen een kruising tussen een bordeel en een slachthuis, waarbij je dankzij de digitale techniek de bijl ook daadwerkelijk de schedel tot de hals ziet doorklieven, het draait hier helemaal niet meer om een ‘queeste’. Het gaat alleen nog om macht. Als je wat wilt, dan pak je dat. Identificatie zoals met Frodo of Harry is nauwelijks mogelijk, of in elk geval nutteloos. Hoop je dat de nog fatsoenlijke en eerzame familie Stark het volgende seizoen zal halen, dan worden ze al in de volgende aflevering verkracht, doorboord, onthoofd, verbrand, of alles tegelijk.

Het opmerkelijke aan Game of Thrones is dat er in Amerika en Engeland slechts over één scène discussie is ontstaan: een verkrachtingsscène die wel erg realistisch aandoet. Over de orgieën van bloed, of over de anarchistische, gewelddadige strekking van het geheel, hoor je niemand.

***

En toch knaagt er iets als het gaat om al die cynische, hypergewelddadige fictie van vandaag. Want wat zegt het over onze cultuur in het Westen?

Ik kan geen andere conclusies trekken dan deze. Onze cultuur is doordesemd van cynisme, van pakken wat je pakken kunt zonder enige vorm van moraal, en als dat met een bijl of mitrailleur moet, soit, zo is het leven om ons heen immers ook. Wat je ziet in veel van die populaire fictie, van The Sopranos en Breaking Bad tot Game of Thrones, is dat er nog maar één zaak waard is om voor te vechten, en dat is de eigen familie, blijkbaar het laatste bastion van veiligheid. Dit is een terugval in de feodaliteit. Met het humanisme dat de individuele waardigheid van de mens beklemtoont heeft het in elk geval niets meer te maken.

Blijft de vraag waarom we zo geschokt waren door die onthoofdingen, die we niet eens durfden te bekijken op YouTube, terwijl we ons dag en nacht kunnen onderdompelen in zombie- en fantasy-series die zo veel bloederig hak- en snijwerk laten zien dat je het gevoel hebt te kijken naar door dronken idioten uitgevoerde autopsies.

Misschien, en hopelijk, is het onschuldiger dan verkapte bloeddorst en is het dezelfde Angstlust die de sprookjes van de Gebroeders Grimm lang geleden opriepen. En is de schok over de IS-onthoofdingen zo groot omdat we enerzijds wel degelijk fictie en werkelijkheid nog uit elkaar kunnen houden, en anderzijds omdat er bij die tv-beelden géén aftiteling te zien was met de namen van acteurs en regisseur. Wij in het Westen zijn zo gewend geraakt aan de kunstzinnige ritualisering van seks en geweld dat, hoezeer we ons ook onderdompelen in de fictie, eenzelfde daad in de werkelijkheid ons helemaal van slag brengt. Dat we ons tegenover het dreigende geweld in de eigen omgeving steeds meer ‘wapenen’ met censuur en ‘huisregels’ die alle neerkomen op geestelijke en fysieke onaanraakbaarheid, maakt de schok over die onthoofdingen des te groter.

De relatie tussen fictie en werkelijkheid is een dubbelzinnige. Ethel S. Person eindigt haar boek over fantasie met de conclusie: ‘Fantasy is to cultural evolution as mutation is to biological evolution, and cultural mutations, like biological mutations, may benefit us, but they may also kill us.’ Iedereen die met simpele oplossingen komt, zoals ‘verbieden’ of ‘alles toestaan’, die miskent de complexiteit van de relatie fictie-realiteit. De culturele fictie waarmee wij ons omringen is caleidoscopisch van aard, en loopt van goed naar slecht, en terug. Maar onschuldig is zij nooit.


Henri Beunders is hoogleraar geschiedenis van maatschappij, media en cultuur aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam


Beeld: De triomf van de dood, geschilderd door Pieter Bruegel de Oude, 160 x 120 cm, 1562 (Museo Nacional del Prado).